Printversie

Dagboek Argentinië en Chili

 

9 oktober 2007 Villazon (grens Bolivia) - La Quiaca (3442m) 1.4 km (256 meters geklommen, vanaf Mojo in Bolivia, 35.9 km)

Aan de Argentijnse kant verlopen de grensformaliteiten minder vlot. De gendarma doet wat uit de hoogte en zeggen ons op een beveltoon dat we onze fietsen tegen een hek moeten zetten en gaan aanschuiven achter een rij wachtende mensen. Na bijna 40 minuten rechtstaand in de zon wachten, gaat Christine eens kijken waarom de rij helemaal niet beweegt. Blijkt dat er niemand aan het loket zit. Wanneer een militair uit een deur ernaast buitenkomt, vraagt Christine hem waarom er niemand aan het loket zit. Hij zegt dat de bediende in middagpauze is. En Christine zegt "En terwijl staan al die mensen hier zomaar te wachten?", waarop hij zegt "Mevrouw, mogen wij ook een middagpauze nemen, zoals alle andere mensen?", waarop Christine zegt "Zeker, maar dan wel om beurt, zoals ergens anders" waarop de rij wachtende mensen begint te lachen en de militair kwaad weggaat. Hiermee is er dus niks opgelost, maar het is een staaltje van de Argentijnse siësta, waaraan niet te tornen valt. Na nog eens een half uur wachten, begint de rij eindelijk te bewegen. We zijn duidelijk niet op het juiste moment aangekomen. Nadat we vlot worden ingestempeld door een militair aan het loket, worden we daarna tegengehouden door een norse dame van de douane, die er een stomdronken man van de douane bijroept. Hij zegt dat we alle tassen moeten opendoen. Marc begint ermee, maar de man staat zo kort bij Christine's fiets te waggelen dat zij niet bij haar tassen kan. Hij zegt "En jij ook", waarop ze zegt "OK, maar geef me dan wat plaats zodat ik erbij kan". Hij gaat een stap achteruit, slaat een vluchtige blik op de eerste tas die Christine opent en zegt dan "Allez, ga maar", waarop we maken dat we weg zijn. Het Argentinië waar we zo naar uitkeken, geeft ons al dadelijk een slechte indruk. Het grensdorpje La Quiaca ligt er doods bij, er is weinig leven te bekennen. Het is namiddag en blijkbaar wordt de siësta hier heel serieus genomen. Er zijn wel een paar restaurantjes open die dagmenuutjes aanbieden aan een prijs die iets duurder is dan in Bolivia, maar je krijgt dan ook meer waar voor je geld. Een voorgerecht, hoofdschotel, soep en dessert. Ja, in die volgorde! Blijkbaar eten ze hier hun soep na de hoofdschotel. Om de gaatjes te vullen waarschijnlijk. 's Avonds doen we al onze inkopen voor de volgende dag, want de winkels gaan na de siësta pas terug open rond 5 of 6 uur, en blijven dan wel open tot 8 of 9, maar openen 's morgens ook laat.

 

10 oktober 2007 La Quiaca - Humahuaca (3000m) 162.0 km (541 meters geklommen)

Uit La Quiaca klimmen we de eerste 20 km lichtjes, waarna we op een soort vlak plateau terechtkomen. Na 70 km stoppen we in het stadje Abra Pampa en eten er een menuutje, de soep komt weeral laatst. We rijden voorbij het beginpunt van de "Ruta 40", een zeer befaamde weg die van het noorden van Argentinië tot aan Ushuaïa volledig in het zuiden loopt, meer dan 5000 km, zeg maar de route 66 van Argentinië. We rijden hem hier voorbij om hem later meer zuidelijk weer op te pikken. Wij blijven ruta 9 volgen, die nu lichtjes klimt naar een vrij gemakkelijke pas. We komen onderweg voorbij een paar dorpjes die niet meer zijn dan een paar lemen huizen. Het ziet er niet veel beter uit dan Bolivia, terwijl wij dachten een nieuwe wereld binnen te rijden. De eerste 100 km in Argentinië zijn vrij saai, maar dat is relatief. Wij zijn de laatste maanden immers verwend geweest met mooie landschappen. Iemand die rechtstreeks vanuit België hierheen komt, vindt het waarschijnlijk prachtig. Na 104 km staan we aan het dorpje Tres Cruces waar we dachten te overnachten, maar het dorpje is heel klein en ziet er niet bepaald uitnodigend uit. Na wat praten met de politie die hier wegcontroles doet, horen we dat er 60 km verder een groter dorp ligt. En de weg zou volgens de politie alleen nog maar dalen. We hebben nog 4 uur daglicht en zijn nog niet echt moe, dus besluiten we het erop te wagen. Vanaf hier begint ook de Quebrada (= canyon) van Humahuaca, door de Unesco tot werelderfgoed verklaard. We krijgen hier prachtige landschappen te zien, o.a. mooi gekleurde rotsen. Maar een factor waaraan we niet gedacht hadden toen we beslisten die 60 km "allemaal bergaf" nog vlug af te lappen is de wind en die is ons niet gunstig gezind. En hoewel het meeste inderdaad daalt, zitten er toch ook geregeld klimmetjes tussen. Het lijkt wel dat we het op dit tempo niet gaan halen. Tot we een klim over een heuvel krijgen, waarna de wind ons meezit. We komen in een mooie vallei terecht, bomvol met stevig uit de kluiten gewassen cactussen. We komen nog goed op tijd aan in het mooie dorpje Humahuaca, om het nog met het laatste anderhalve uur daglicht te kunnen bewonderen. Soms waan je je hier wel in het zuiden van Frankrijk. Een levensritme zonder stress, het warme klimaat, maar vooral ook de vele, oudere wagens van Franse makelij. Vooral Peugeot 504 van de jaren '60 tot '80, maar ook R4 en 2pk zien we hier de revue passeren. 's Avonds lopen we nog wat rond in het gezellige, rustige dorpje. We eten er een niet al te lekkere pizza, en als we de menukaart aan een zijtafel gaan pakken om eventueel nog dessert te eten, komt de kelner vlug aangesneld en zegt dat dit de oude kaart is met de oude prijzen en geeft ons een andere kaart die in het Engels is en met duurdere prijzen. We vinden dit een beetje raar en zeker als er nadien een Argentijnse familie binnenkomt en hij hen de "oude" menukaart geeft. Ah ha, een dubbel prijzensysteem dus! Dat staat ons niks aan. Hier zullen we in 't vervolg proberen op te letten en dan gaan we wel op een ander eten.

 

11 oktober 2007 Humahuaca - San Salvador de Jujuy (1240m) 134.6 km (257 meters geklommen)

's Morgens kopen we salami om op het brood te doen dat we gisteren kochten. De mevrouw heeft speciaal voor ons haar winkeltje geopend, zoals we gisteren met haar hadden afgesproken, zodat de salami nog heel de nacht in de koelkast kon liggen, want normaal opent ze pas om 9 uur, zoals alles hier. De weg verder door de canyon is fantastisch. Alhoewel de weg langzaam daalt, maken we maar weinig vooruitgang. We genieten te veel van het landschap. Er zijn hier onderweg een paar pittoreske dorpjes en er staan hier ook een paar oude en van binnen mooi versierde kerkjes. In Huacalera, één van deze dorpjes, installeren we ons op een muurtje en eten ons brood met salami, hmmm, lekker. Zo iets simpel, maar als het lang geleden is, kan dat toch zo lekker smaken. We overschrijden hier ook de Steenbokskeerkring, waarvoor er hier een monument staat om de exacte plaats te markeren. In het dorpje Tilcara houden we nog maar eens een pauze, want het is heel warm, en willen we de ruïnes van een oude Inca-stad gaan bezoeken. Dit is de meest zuidelijke plaats tot waar de Inca's ooit gekomen zijn. Het ligt hier maar een kilometer verder, maar als we de weg ernaar toe vragen, vertelt een mevrouw ons dat het gesloten is voor de siësta. Het wordt tijd dat we leren dat het hier 's namiddags siësta is, en daarmee basta. We laten het dan maar voor wat het is, maar bij het buitenrijden krijgen we toch nog een glimp van de ruïnes boven op een heuvel te zien. In de namiddag is het weer serieus werken geblazen, niets meer genieten, maar zwaar trappen tegen een harde kopwind. We geraken amper vooruit. Alhoewel het licht bergaf gaat, halen we soms nog geen 10 km per uur, en dan worden de kilometers lang. Het lijkt soms wel of de wind je terug de berg wil opblazen. Misschien is het daardoor dat de Inca's nooit verder geraakt zijn. Ja, verstand op nul en trappen maar. Zelfs de bomen zijn hier gegroeid in de vorm van de windrichting. Wanneer we in het dorpje Volcan aankomen, zijn we bijna leeggestreden. Een man vertelt ons dat er nog een klim van een paar kilometer volgt, maar daarna een lange afdaling. De canyon eindigt hier en er volgt een meer open vallei. Je kan het bekijken als een soort trechter, de wind van de brede vallei wordt allemaal in de smalle canyon gedrukt. Vervolgens rijden we vlot tot de grote stad Jujuy. Onze ogen gaan wijd open als we de winkelstraten vol rijk gevulde winkels zien. Dit is een wereld die we al een hele tijd niet meer gezien hebben.

 

12 oktober 2007 San Salvador de Jujuy - Salta (1214m) 97.3 km (707 meters geklommen via ruta 9 "Cornisa")

We blijven route 9 volgen. Die loopt wel de bergen in, maar zou zo mooi zijn. Wanneer je hier iemand aanspreekt over de route 9 naar Salta, is het eerste wat ze zeggen "muy lindo", wat wil zeggen "heel mooi". Het stuk weg staat ook bekend onder de naam "Cornisa". De weg is maar gewoontjes en vrij druk tot we aan een stuwmeer komen. Daar verandert de baan in een éénvaksweg die gebruikt moet worden voor beide richtingen. Vanaf hier is de weg nergens meer recht, enkel nog bochten en overal groen. We zouden zo zeggen "muy lindo". Hier en daar zit er een meertje verscholen in het groen. Een geleidelijke klim brengt ons naar hogere sferen. Gisteren had nochtans iemand gezegd dat we de weg beter niet namen wegens te gevaarlijk qua verkeer en afgronden, en dat we beter de drukke, maar rechte en vlakke weg namen, maar het lijkt ons meer de Donau-route in de bergen. Verkeer is er nauwelijks, want de mensen van de streek nemen de rechte en vlakke weg, omdat ze daar sneller kunnen rijden. De weinigen die langskomen, rijden rustig, omdat ze zelf ook willen rondkijken, meestal zijn het ook toeristen. Sommigen nemen foto's van ons terwijl we aan het klimmen zijn. Het is hier prachtig en stil, op het geluid van de talrijke vogels die hun deuntje kwijt willen na. Soms doet de weg en het landschap een beetje denken aan de Ardennen in België. De zon lijkt niet door de zware bewolking te geraken en dat maakt het toch fris. In de afdaling komen we terug bij een stuwmeer. Er is juist een sluis open gezet, het water komt er met hoge druk uitgestoven en verdwijnt dan in een kronkelende rivier door het landschap. Net voor we in Salta aankomen, stoppen we nog even aan een straatstalletje naast een brug. Een jongen verkoopt er beignets met rietsuikerhoning, 3 voor 0,25 euro, lekker. Vanaf hier kunnen we niet meer verder over de gewone baan, want die is verboden voor fietsers, maar er is vanaf hier wel een goed fietspad, wat een luxe. We rijden recht het centrum binnen en staan even stil bij het centraal plein om de mooie gebouwen te bewonderen. Een slaapplaats zoeken blijkt iets moeilijker, het is een lang week-end voor de Argentijnen en Salta blijkt daarvoor een favoriete bestemming. Maar na veel zoeken, vinden we uiteindelijk een kamer in een backpackershotelletje. Daar was er nog plaats omdat het lange week-end enkel invloed heeft op de bezetting van de lokale hotelletjes, die trouwens meestal meer waar voor je geld bieden dan de backpackershotelletjes, al kan je in die laatste dan weer de keuken gebruiken.

 

13 - 15 oktober 2007 Salta (1214m)

's Morgens zegt de receptioniste ons dat onze kamer slechts voor 1 nacht vrij was, en wij waren van plan hier één of meer rustdagen te houden. Ze zegt dat er vandaag wel een andere kamer vrijkomt, die is heel klein en heeft geen eigen badkamer, maar is wel goedkoper, wat ons eigenlijk nog beter uitkomt. Maar we moeten wel een uur wachten eer we erin mogen. Als na een uur alles verhuisd is, gaan we de straat op, op zoek naar de Cerro de la Divina, de Heuvel van de Goddelijke. Eén van de Argentijnse toeristen die we in Tupiza tegenkwamen, zei dat er op die heuvel elke zaterdag een hoop mensen komt naar een dame die mensen "helpt" met fysische of andere problemen. Haar man zegt smalend "die kwakzalfster", maar zij zegt "Neen, serieus, je moet dat echt waar zien, die dame helpt echt mensen, dat is echt iets speciaal, ze komen daar van heinde en ver naartoe". Na veel gevraag en gezoek, nemen we een taxi, want in totaal blijkt het bijna 10 km ver te zijn, waarvan 4 km steil een heuvel op. We weten niet wat we zien. Een file van auto's, taxi's en volle bussen rijdt de heuvel op. Er zijn enorme parkeerplaatsen voorzien en parkeerwachters regelen het vele verkeer. Er staan wel honderden bussen en auto's en er komen er nog volop aan. Onze taxi wordt naar een bepaalde plaats geleid waar hij ons afzet. Daar worden we op een gratis bus gezet voor de laatste 2 km de heuvel op. Boven krijgen we een foldertje in de hand gedrukt met een afbeelding van een Mariabeeld en worden we naar een paadje geleid. Hier boven op de heuvel is het bomvol mensen, we schatten zeker meer dan duizend, maar toch is het muisstil, want er staan overal borden dat het hier een plaats van gebed en meditatie is en er nergens voor betaald moet worden (zoals toilet, bus, parking, enz.). We schuifelen mee in een rij die naar een klein huisje gaat waarin het goddelijke Mariabeeld staat. Ervoor staat een boom waarin ontelbare paternosters hangen en binnen in het huisje staat het vol met gedenkplaten om Maria te bedanken voor haar hulp. Naast het huisje staat een urne, met papier en envelopjes, en hier mogen de mensen hun wensen en problemen opschrijven en in de urne stoppen. Beneden zien we dat op een podium allerlei geluidsapparatuur in gereedheid wordt gebracht. Aan alle kanten rond het podium zijn banken die allemaal bomvol mensen zitten. Ondertussen blijven er nog alsmaar meer mensen toestromen. We weten niet goed wat er nu te gebeuren staat, maar opeens begint op het podium een zangkoor van meisjes te zingen. Het publiek begint mee te zingen, want blijkbaar staat de tekst op het foldertje. Na ongeveer een half uur is er opeens beroering in het publiek. Even verder is er een auto gestopt, een dame stapt uit en wandelt tussen het publiek door naar het podium, waar er zich ondertussen een paar priesters hebben verzameld die haar ontvangen met een kniebuiging, waarna ze zelf tussen het zangkoor op haar knieën gaat zitten. Nadat er een paar liedjes gezongen zijn, leest een priester een tekstje voor waarin hij vertelt over Maria Livia, de vrouw uit de auto, die op deze heuvel sinds het jaar 1990 regelmatig verschijningen van Maria zag. Daarna volgen er weer liedjes. We weten niet of Maria Livia elke zaterdag een verschijning krijgt of dat ze hier vandaag nog mensen gaat "helpen", maar we hebben genoeg gezien. We vinden het puur tijdverspilling en haasten ons terug naar de bus. We hebben hier hoog op de heuvel wel een heel mooi uitzicht over Salta. Beneden gaan we eens het shopping center bezoeken. We kijken onze ogen uit, zoveel grote winkels, da's héél lang geleden. De winkels zijn wel allemaal dicht, want met die Maria-historie is het al ver in de namiddag, en dus siësta, en op zaterdag gaan velen ervan zelfs niet meer open 's avonds, ze blijven dicht tot maandag. En zo is onze eerste rustdag al zo goed als voorbij. De rest van de rustdagen hier is goed gevuld. Zo werken we aan onze website: foto's selecteren, verslag typen, enz., en proberen de foto's naar de website te uploaden, wat hier meestal ontzettend lang duurt. We bezoeken ook het San Francisco-klooster met zijn opvallend gekleurde kerk. Marc bakt 2 dagen na elkaar pannekoeken. Hij werkt ook aan de fietsen en verwisselt de kettingen (we hebben ieder een 2de ketting bij, en Marc verwisselt die om de 1.500 à 2.000 km, zodat we langer met dezelfde tandwielen kunnen blijven rijden). We doen de was en kuisen ook onze drinkbussen eens goed uit. Hier kunnen we dat tenminste met het kraantjeswater doen, want in Argentinië is dat, net zoals bij ons, behandeld en dus drinkbaar. In alle vorige landen was dat niet het geval. Dan kuisten we soms de bidons ook wel met kraantjeswater, maar enkel als we minstens één dag tijd hadden om dat goed te laten drogen eer we ze opnieuw gebruikten, hopende dat er dan geen microben meer zouden inzitten. Of dat medisch enige steek houdt, weten we niet. Maar drinkbaar kraantjeswater maakt ons het leven nu wel veel gemakkelijker. We kunnen onderweg zomaar overal onze drinkbussen vullen, we moeten niet zien aan een winkeltje te geraken voor flessenwater, we moeten onze mond niet meer dichthouden onder de douche en kunnen onze tanden poetsen met kraantjeswater, we kunnen fruit en groenten wassen (tot nu toe aten we die gewoon ongewassen, we kookten de groenten uiteraard en schilden het fruit), we hoeven bij het maken van soep of koffie er niet op te letten dat het water echt goed kookt, enz. Een echt groot verschil.

 

16 oktober 2007 Salta - Alemania (1199m) 110.1 km (517 meters geklommen)

We maken een langzame start, en eten 's morgens onze pannekoekenoverschot van gisteren nog op. Misschien beginnen we al te wennen aan het Argentijnse levensritme, want 's morgens komt hier alles maar traag op gang. Stress, totaal onbekend voor Argentijnen! Het is 10 uur voor we de eerste trap geven. In het begin is het nog een beetje druk, maar na 20 km zwakt het verkeer al aardig af. De weg loopt door een gebied van vruchtbare akkers en ook hier hebben we zo het gevoel dat het wel eens Frankrijk zou kunnen zijn. We stoppen in het dorpje Coronel Moldes en gaan er een menuutje eten, hoofdschotel, soep, dessert, en brood zoveel je wil, voor 1,75 euro. Je bent niet veel geld kwijt, maar wel veel tijd met zo even te gaan eten. De lokale mensen eten hier op hun gemak, ze lijken wel alle tijd van de wereld te hebben, en eigenlijk hebben ze die ook vanwege de lange siësta. Als we verder rijden, maken de vruchtbare akkers plaats voor een droge woestenij met bomen en struiken. Christine wordt in haar pols gestoken door een wesp of een bij die verstrikt raakt in haar handschoen. Het insect is daarna redelijk agressief en komt telkens weer op Christine's hoofd afgevlogen. Nadat ze het een paar keer heeft weggeklopt, blijft het toch weg. Het is hier nogal verlaten. Tegen het einde van de dag komen we toch door een dorpje waar we brood, spaghetti en een fles Fanta op de kop kunnen tikken, en waar er zelfs een hotel is, maar we vinden dat het er duur uitziet en doen niet de moeite om de prijs te gaan vragen, want zoals met alles hier, speel je daar vaak veel tijd mee kwijt, en het wordt bijna donker. En op de kaart staat er verder nog een dorpje. We vragen in de winkel hoe ver het nog is en of er daar iets om te slapen is. Neen, dus. Toch rijden we door. Als we er aankomen, zien we dat het dorpje Alemania enkel een paar huizen en een paar leegstaande spoorweggebouwen groot is. We vragen waar we de tent kunnen opzetten, want er is geen gemeentelijke camping in dit dorpje, zoals wel vaak het geval is in andere dorpjes hier. De bewoners vertellen dat er iets verder bij de rivier een open plek is waar soms nogal eens mensen hun tent opzetten. We vullen onze waterzak aan een kraantje buiten aan het oude spoorwegstation dat nu bewoond is, en slaan onze tent op op de open plek aan de rivier. We koken de spaghetti die we kochten, want in dit dorpje is zelfs geen winkel. Er staat naar het schijnt wel een bestelwagen en daar zitten levensmiddelen in, maar je moet wel de mevrouw die het verkoopt eerst ergens in de omgeving zien te vinden. Met het licht en de warmte van het door Marc aangestoken kampvuur, eten we ons avondmaal en genieten van de sterren en de maan.

 

17 oktober 2007 Alemania - Cafayate (1700m) 87.5 km (746 meters geklommen)

We ontbijten in de warmte van een lekker ochtendzonnetje en laten de dag een langzame start maken. Vanaf het dorpje Alemania begint de Quebrada (= canyon) van Calafate, een kloof van ongeveer 80 km lang. We komen er een Argentijn tegen met een oud VW-busje. Hij is de streek aan het verkennen op zoek naar een plaats om zich hier te vestigen. Hij is vol lof over de quebrada en na een fijn gesprek trekken wij ook de quebrada in. Het is weer een kloof met prachtige bergen die lijken beschilderd met een rijk kleurenpallet. De grillige vormen van de rotsen en de bergen heeft de fantasie van menig persoon op hol doen slaan. Er staan dan ook regelmatig bordjes met namen van zaken of figuren die je in sommige rotsen of bergen zou kunnen zien. Zo rijden we voorbij "de champignon" en "de pater". Wij zien deze zaken allemaal niet, zelfs niet met veel fantasie, enkel "de obelisk" is voor ons overduidelijk. Maar dat geeft helemaal niet, het is zo ook wondermooi. De kloof is vrij dor en door de kloof baant een haast droge rivierbedding zijn weg. De machtige rivier die eens deze kloof uitgesleten heeft, heeft nu plaatsgemaakt voor een klein riviertje die zij in haar schoot laat vloeien. Hoe dieper we de vallei van de kloof inrijden hoe meer het er weer één wordt van 1001 foto's. De grote kloof bevat verschillende smallere kloven die er dwars op uit komen. En sommige daarvan zijn echte prachtexemplaren. Soms moeten we een ongeasfalteerde zijpadje inrijden voor een paar honderd meters om ze te gaan bekijken. Zo is er de "Garganta del Diablo", wat wil zeggen "keel van de duivel", een spectaculaire zijkloof in de grote kloof, en ook het "amfitheater", een rots van wel 100 meter hoog in halvemaanvorm uitgesleten met horizontale strepen erin zodat het wel bankjes op een tribune lijken. Net als wij er zijn, zijn er een paar mannen aan het zingen en het klinkt prachtig. Het is hier dan ook een echte toeristische trekpleister. En de Argentijnen die hier op uitstap zijn, zijn nieuwsgierig naar onze reis en spreken ons geregeld aan. Ze staan vol bewondering voor onze onderneming en lijken de inspanning min of meer te kunnen inschatten. Aan de lucht staat hier en daar een wolk en daar zijn we niet rouwig om, het zou anders weer snikheet worden, want hier in het noorden van Argentinië kan het heel heet zijn. Nadat we al de schoonheid rondom ons verwerkt hebben, komen we in de streek rond het stadje Cafayate, die ook bekend staat als wijnstreek. Er stonden al borden sinds Salta dat we op de grote wijnroute zaten, maar voordien zagen we enkel wijngaarden die groot genoeg waren om 1 fles te vullen. Nu zijn er soms kleine, aarden zijweggetjes naar grote domeinen. En dichter in de buurt van Cafayate duiken langs de weg echte grote wijngaarden op en ook grote bodega's die wijnen produceren onder hun naam. Op de plaza van het rustige stadje zien we een tot kamper omgebouwde Unimog-vrachtwagen staan met Belgische nummerplaten. Een beetje verder op een bank zit de trotse eigenaar Daniël die samen met zijn vrouw Carinne een reis van 6 maanden door Zuid-Amerika maakt. Eigenlijk is dit al hun tweede reis hier, ze waren hier al eens eerder voor 6 maanden. We slaan aan de babbel met hen, maar spreken dan af elkaar later te treffen voor het avondeten, zodat wij nog eerst een slaapplaats kunnen gaan zoeken, want ondertussen is het al donker. Het avondeten verloopt heel gezellig, en door de vele verhalen en info die we met elkaar uitwisselen, belanden we al snel in de nachtelijke uurtjes.

 

18 - 19 oktober 2007 Cafayate (1700m)

's Morgens gaan we op zoek naar de bakker die wij bij het binnenrijden voorbijreden. Hij heeft lekkere croissants, voor Argentijnse normen, en ook de crèmekoeken zijn best te doen. Meestal is dat niet erg fameus hier. We kopen wat extra croissants voor Danny en Carinne en dachten hen te verrassen aan hun camion, maar ze zijn al wakker. We geraken weer aan de praat en 's middags gaan we samen eten. De rest van de tijd doen we onze was, werken aan de website en stippelen onze verdere route uit. Dan nog boodschappen doen voor ons ontbijt en de rit van morgen. En de tijd is weer omgevlogen. Het was aangenaam en rustig in Cafayate.

 

20 oktober 2007 Cafayate - Aimacha del Valle (1989m) 79.6 km (552 meters geklommen)

We gaan bij de lekkere bakker in het dorp croissants en crèmekoeken kopen en eten ze op terwijl we op een bank van het centraal plein van het ochtendzonnetje genieten. Ja, we hebben dat Argentijnse ritme al goed te pakken want het is alweer 10 uur voor we het dorp uitrijden. We zijn nog maar een paar kilometer uit het dorp of we staan al terug stil. We gaan snel één van de vele wijnbodega's bezoeken. Cafayate en omgeving is gekend voor zijn wijnen, en ook aan deze zijde van het dorp zijn de grote wijngaarden zichtbaar vanaf de weg. Ze claimen hier de hoogst gelegen wijngaarden te hebben die zorgen voor een aparte smaak van de wijn. De wijnproduktie van dit huis is vrij industrieel en de romantiek van de grote eiken vaten is hier ver te zoeken. Het laatste deel van de rondleiding is dan ook het meest aangename, we mogen wijn proeven. We proeven er enkele, maar daar houden we het ook bij, er moet nog gefietst worden vandaag. De wijnen mogen er best wezen en de prijzen zijn vrij goedkoop. In de winkels kan je al wijnen kopen vanaf 0,50 euro. Voor een beter wijntje betaal je tussen de 2 en de 5 euro. We vervolgen onze weg met iets lichtere beentjes. De wijngaarden zitten vol met papegaaien die soms luid te keer kunnen gaan. Het is altijd een prachtig zicht om ze in groepjes zien te vliegen, traag maar elegant. We zagen ze veel in de valleien van Peru en Bolivia maar daar waren het kleinere groene papegaaien. Hier zijn ze iets groter en hebben meer kleur. In de wijngaarden staan ook grote cactussen en de meeste staan in bloei met mooie witte of gele bloemen. Hoe meer we vorderen, des te minder wijngaarden, des te meer cactussen. Het landschap wordt weer meer dor en zanderig, maar met toch nog af en toe struiken en bomen. Ons thermometertje meet weer meer dan 40 graden in de de zon. We nemen de afslag naar de ruïnes van Quilmes. Een ongeasfalteerde, broeierige, erg zanderige en klimmende weg van 5 km leidt ons ernaar toe. Af en toe verpozen we in de schaduw van een zeldzame boom om wat te drinken en wat verkoeling te zoeken. De ruïnes liggen tegen de wand van de berg, maar stellen eigenlijk niet zoveel voor, tenzij je een diepe interesse hebt voor deze culturen. De Quilmes waren een volk dat zich steeds heeft blijven verzetten tegen de druk van de Inca's. Nadien kwamen de Spanjaarden, die hen wilden gebruiken als arbeidskrachten, maar die hadden het verzet van de Quilmes onderschat. De Spanjaarden vonden het welletjes en deporteerden de hele bevolking naar Buenos Aires. Het is verbazend hoeveel interesse de Argentijnen hebben voor onze fietsreis. De ene na de andere spreekt ons aan, ook hier aan de ruïnes, en ze staan vol bewondering. Een koppel nodigt ons zelfs uit om bij hen langs te komen. Maar spijtig genoeg wonen ze te ver, in het stadje Azul, in het midden van de provincie Buenos Aires, waar we niet komen. Claudio geeft ons toch zijn e-mailadres, je weet maar nooit, zegt hij, en moesten we ooit een probleem hebben of hulp nodig hebben, mogen we hem altijd contacteren. Hij vertelt ons ook nog dat je de beste steaks kan eten waar hij woont, want hier stellen ze niet zoveel voor. Het zou wel eens kunnen waar zijn, omdat de streek waar hij woont één en al landbouw is. We dalen terug af naar de weg en kunnen vanaf hier het dorre landschap met cactussen in de grote open vallei overzien. De roofvogels boven ons hoofd zoeken naar een prooi. Een vos steekt de weg over, maar heeft geen haast noch spoed. Hij blijft vanuit de struiken nog wat kijken naar ons, misschien uit interesse, een echte Argentijnse vos dus, of misschien gewoon mak door de enorme hitte. Terug op de hoofdweg moeten we enkele kilometers verder kiezen: volgen we ruta 40 verder het droge, desolate landschap in, of ruta 68 de bergen over naar een groenere omgeving? We hebben nog even uitstel als we route 68 volgen naar het dorpje Aimacha del Valle, want daar kunnen we onze beslissing nog herzien en alsnog naar route 40 fietsen. In Aimacha del Valle bezoeken we het prachtige Pacha Mama-Museum, oftewel Moeder Aarde-Museum. Eigenlijk gaan ze juist sluiten, maar geen probleem, ze stellen dat even uit, en we krijgen nog een rondleiding en al. Het grote museum is een lust voor het oog. In de gebouwen staat er vanalles en nog wat dat te maken heeft met Moeder Aarde, zoals een zaal vol met mineralen en edelstenen, inclusief een reconstructie van een mijngang, een zaal met oude landbouwwerktuigen en keramiek van de oorspronkelijke indiaanse bevolking, een zaal met een grote maquette van het landschap in de omgeving, een zaal met wandtapijten, en buiten allerlei beelden die symbool staan voor de verering van Pacha Mama. Buiten is bijna alles opgebouwd met witte en zwarte keien, prachtig gewoon, of gelast in ijzer. Daarna vinden we slaapplaats in een klein hostel voor 7 euro. Het is nogal primitief, maar we hebben er zelfs een keuken. We gaan op zoek naar de beenhouwer in de straat. Neen, niet voor vlees, maar voor info over de weg. Hij zou de streek goed kennen. De vriendelijke man is van mening dat we beter de bergen over gaan, want hij bevestigt dat de route 40 hier droog en desolaat is en aan de andere kant van de bergen loopt de weg volledig in het groen. Aan deze zijde van de bergen regent het bijna nooit, het water voor het dorpje komt uit de bergen. We snakken wel een beetje naar een groen landschap en het enige dat ons ervan scheidt, is een klim van 1000 meter. In de keuken van ons hotel maken we spaghetti en praten met een meisje uit de grote stad Buenos Aires die hier in dit kleine, rustige dorpje een nieuw leven tracht te beginnen en op zoek is naar werk.

 

21 oktober 2007 Aimacha del Valle - Tafí del Valle (2100m) 57.0 km (1097 meters geklommen)

We hebben gekozen voor de klim en die start al dadelijk vanaf het dorp. De zon laat zich al goed voelen vanaf 's morgens. De klim vordert trager dan verwacht door de slechte kwaliteit van het asfalt Halfweg stoppen we om iets te eten en zetten ons op een grote steen langs de weg. Van hier hebben we een mooi zicht over de vallei vol cactussen. Als we verder rijden, komen we nog twee keer een groep toeristen op fietsen tegen. Die worden boven op de top afgezet en laten zich dan naar beneden bollen, waar de bestelwagen die erachter rijdt hen weer oppikt. Je ziet goed dat het bij sommigen van hen al een hele tijd geleden is dat ze nog eens op een fiets zaten. Hoe dichter we de top naderen, des te meer kopwind we krijgen. Misschien hebben ze daarom dit stuk "El Infiernillo", de kleine hel, genoemd. Aan de top dienen er zich dan ook nog wolken aan en wordt het plots kouder, opeens nog slechts 16 graden, en voordien over de 30. Het is mooi om te zien hoe een roofvogel de wind gebruikt om stil in de lucht te blijven hangen, om dan ineens laag over de weg te scheuren op zoek naar een prooi, en dit telkens opnieuw. We doen onze windjacks aan om de kou te breken. Al snel stoppen we terug om nog een pull bij aan te doen, de wind tijdens de afdaling is bar koud. En na een snelle 23 kilometers zitten we weer 1000 meter lager. Half bevroren komen we aan in het dorpje Tafí del Valli. Het eerste dat we doen is iets warms gaan drinken, we bibberen van de kou. Het valt ons op dat hier het dorre is verdwenen, en dat de huizen moderner en groter zijn dan voordien. En de streek en de mensen lijken welvarender. De berg lijkt wel een scheiding tussen 2 werelden met de top als grens. We hebben geen zin meer om verder te rijden en besluiten hier een slaapplaats te zoeken. De camping is geen optie, die is gesloten wegens werken. Maar na wat onderhandelen in een hostel krijgen we een kamer voor 7 euro. De douche is heerlijk heet en we zijn vlug terug opgewarmd. Er is hier ook een gemeenschappelijke keuken. Terwijl we ons avondeten klaarmaken, praten we er met een Argentijnse fietser die voor een vakantie van 2 weken deze streek hier komt verkennen.

 

22 oktober 2007 Tafí del Valle - J.B. Alberdi (548m) 118.5 km (132 meters geklommen)

We verlaten het dorp en rijden voorbij het nabijgelegen meer dat er onder een dikke laag wolken mooi maar wat triest bijligt. Na het meer dalen we verder af door een zeer vruchtbare en groene kloof waardoor een kleine kabbelende rivier vol stenen zich een weg heeft gebaand. De smalle weg kronkelt door de kloof en daalt soms vrij spectaculair de diepte in, zo erg zelfs dat we op een bepaald moment een bordje tegenkomen "Fin del Mundo", einde van de wereld. We denken even dat onze reis er al opzit, maar er blijkt nog veel moois achter te liggen. We stoppen bij een paar bepakte fietsen die langs de weg staan. De eigenaars ervan zitten wat verder van het landschap te genieten. Het zijn de twee Franse jongens Alain en Antoine die voor 7 maanden op weg zijn van Buenos Aires naar Cuba. Ze hebben beide een gitaar achter op de fiets en willen onderweg muziek maken met lokale muzikanten en dit opnemen en later eventueel op CD zetten. Een romantisch idee, maar de slechte wegen in Peru zouden hun gitaren wel eens in brandhout kunnen doen veranderen. Bovendien lijkt het ons enorm tijdrovend. Dat hadden ze inderdaad nu in de eerste paar dagen van hun reis al ervaren, zeiden ze, dat als je op fietsreis bent er weinig vrije tijd overblijft, omdat je zoveel uren onderweg bent. We praten wat met hen en geven hen wat info en advies over de landen die nog komen. Dan dalen we verder af tot het vlak wordt. We zitten nu nog maar op 500 meter hoogte, het lijkt wel een eeuwigheid geleden dat we nog zo laag vertoefden. De zon komt er vandaag niet meer door, maar het is hier wel zeer zwoel weer. We kunnen nog een baan volgen die parallel met de hoofdbaan loopt en dat maakt het rijden aangenaam, want hier is er bijna geen verkeer. Het is hier één en al landbouw. We zien vooral velden met aardbeien, suikerriet en boomgaarden met perziken en citrusvruchten. Soms staat er een rij oude bussen langs de kant van een veld die de arbeiders die op het veld werken naar hier brachten. Uiteindelijk komen we dan toch op de hoofdweg terecht en de eerste 10 km is het weer boordje rijden terwijl de vele voertuigen ons, soms rakelings, voorbijzoeven. Vooral de vrachtwagens die riet vervoeren zijn gevaarlijk. Ze rijden met een trein van wel drie volgeladen aanhangwagens in volle vaart over de weg. Ook traktors worden ingezet die dan weer trager rijden, en daartussen dan het andere snelrijdende verkeer, wat er een gevaarlijk warboeltje van maakt. Later krijgen we een soort pechstrook ter beschikking waardoor het toch iets minder gevaarlijk wordt. Dat denken we althans, tot we een auto die uit de tegenovergestelde richting komt, net ter hoogte van ons, in de remmen horen gaan met een enorm schurend geluid. We kijken achterom en zien nog een wiel over de baan vliegen, over de pechstrook waar wij nog maar een paar seconden voordien reden. Het losgekomen wiel raast over een veld tot het ongeveer 200 meter verder tegen de gevel van een huis smakt, en dit op het moment dat de bewoner uit zijn deur komt om te kijken wat al dat lawaai wel is. Het wiel mist hem met een meter. Gelukkig is iedereen ongedeerd, maar het was wel even schrikken. Wanneer we verder fietsen stellen we ons de vraag: wat is nu het gevaarlijkst, met de fiets rijden, met de auto rijden of thuis blijven? We geraken nog voor duister in het stadje Alberdi, waar we op zoek gaan naar een slaapplaats. We zagen al een optie langs een benzinestation, maar het leek ons te luidruchtig. Uiteindelijk komen we bij een familie terecht die kamers verhuurt, maar iets te duur voor ons. De man wil ons niet laten gaan en toont ons een kamertje waar 1 bedje en een TV in staat. Hij wil er nog een bedje bijzetten en voor 6 euro is het van ons. Het lijkt ons een goede deal, vooral omdat we er nog bij onderhandelen dat we hun keuken mogen gebruiken. We krijgen er nog handdoeken bovenop en kunnen een warme douche nemen, wat wil je nog meer. 's Avonds lopen we nog even rond in het aangename, rustige stadje.

 

23 oktober 2007 J.B. Alberdi - Catamarca (530m) 132.2 km (847 meters geklommen)

Wanneer we 's morgens wakker worden, horen we het hevig regenen. We besluiten al maar te ontbijten in de hoop dat het stopt. Daar lijkt het af en toe toe te komen, maar het begint steeds opnieuw. Pas ver na 11 uur lijkt het definitief te willen stoppen en springen we op de fiets. De weg wordt rustiger, want de suikerrietfabrieken liggen achter ons. We rijden nu door een zone waar de tabaksteelt overheerst. Overal zie je de grote schuren die kenmerkend opgebouwd zijn uit een geraamte van honderden balken waar de wind goed doorkan om de tabak te drogen. Het is ondertussen héél warm geworden, je kan je niet meer voorstellen dat het vanmorgen zo regende. De weg draait de bergen in die al de tijd rechts van ons lagen. Het is zo'n beklimming waarvan je denkt nu zijn we er, maar na iedere bocht volgt er nog meer klimwerk. Al bij al is het niet zo'n lange klim, wel wat steil, maar vooral de 43 graden op de thermometer maken het toch vrij lastig. Op de top staat er een kapelletje voor de Difunta Correa met een berg met water gevulde plastieken flessen errond. Het heeft eerder wat weg van een stort, er liggen zelfs autobanden bij. Difunta Correa is geen door Rome erkende heilige, maar ze wordt door vele Argentijnen aanbeden. De vrouw zou tijdens de burgeroorlogen van de jaren 1840 het bataljon van haar man, die opgeroepen was om mee te strijden, te voet gevolgd hebben terwijl ze hun babyzoon in haar armen meedroeg, en zelf in deze dorre, desolate streek aan voldoende water en eten moest zien te geraken. Ze heeft het niet gehaald en is van uitputting en dorst omgekomen, maar men vond de baby nog in leven zogend aan de borst van zijn moeder. Dit vond men zo'n groot mirakel dat Difunta Correa wel een heilige moest zijn. Je komt de kleine kapelletjes ter ere van haar onderweg regelmatig tegen en de gelovigen komen er flessen water afzetten om haar een gunst te vragen. Ondertussen is het zo uitgegroeid dat er zelfs auto-onderdelen worden achtergelaten, waarschijnlijk om een veilige rit af te smeken, maar daar zien we het verband niet goed. Vooral vrachtwagenchaufeurs zijn hevige aanbidders en ook hier zien we er een aantal aan het kapelletje stoppen om een korte pauze te nemen. Vanaf hier duikt de weg in een vallei waar de landbouw volledig verdwenen is, althans de teelt van gewassen. We haasten ons naar Catamarca waar we samen met een mooie zonsondergang aankomen. Catamarca is een kleine, levendige stad met een mooie plaza. Het is al donker eer we een kamer hebben gevonden, en net als we er aankomen is Christine's band plat. Na herstelling van de band en een douche, gaan we nog vlug op zoek naar eten.

 

24 oktober 2007 Catamarca - La Rioja (500m) 164.2 km (268 meters geklommen)

De dag start al broeierig heet en de eerste kilometers kunnen we profiteren van een vrij krachtig rugwind. Spijtig genoeg laat die het al snel afweten en zijn we volledig op onze eigen krachten aangewezen. Na een 65-tal kilometer stoppen we in het dorpje Chumbicha, het enige dat we tot nu op de lange, warme weg tegenkwamen, voor een middagpauze. Het is snikheet, bijna 40 graden in de schaduw en het dorp ligt er verlaten bij, iedereen blijkt in siësta te zijn. Dus keren we terug naar de hoofdbaan waar een benzinestation is met daarnaast een winkel en restaurantje. We vragen er wat info over de weg die volgt aan de man van het winkeltje. Die raadt ons af om door te gaan, want het is veel te warm en wat volgt is een dor, woestijnachtig gebied van 90 km lang dat totaal onbewoond is. Volgens hem rijden er zelfs zo goed als geen wagens in de namiddag wegens de hitte. Dus als we een probleem hebben, is er niemand om ons te helpen. Maar na wat gegeten te hebben en een bevroren fles water te hebben bemachtigd, besluiten we het erop te wagen. Om de 10 km of zo proberen we in één van de weinige plekjes met schaduw te pauzeren om wat af te koelen. Het is echt niet meer te doen van de hitte, we meten 45 graden. Beetje bij beetje geraken we toch vooruit. En dan geraakt Christine opeens heel snel vooruit. Een ezel die plots vanuit de struiken aan de kant van de weg verschijnt, begint heel luid balkend achter Christine aan te hollen. Marc is verderop gestopt en kijkt terug. De ezel laat niet af en Christine geeft alles wat ze kan. Heel luid balkend blijft de ezel ons nog een paar honderd meter volgen, maar geeft het dan toch op. Zag hij soortgenoten in ons? Wanneer het tegen de avond wat afkoelt, steekt er een aardig kopwindje op. In de laatste 10 km zien we soms geen hand meer voor de ogen door het opgewaaide zand en stof dat in de lucht hangt als een soort mist. Na een dagrit van 160 km in deze ontzettende hitte belanden we dan uiteindelijk, redelijk moe, in La Rioja.

 

25 oktober 2007 La Rioja (500m)

We besluiten hier een dag te blijven. Marc heeft al een tijdje een tikkend geluid in zijn pedaal en de poot van zijn fiets is afgebroken, wat heel onhandig is. Je moet altijd je fiets ofwel neerleggen, en dan weer rechtzetten met alle bagage, ofwel ergens tegen zetten, maar er is hier langs heel de weg niets, het is compleet verlaten. We gaan op zoek naar een fietsenwinkel en kopen er pedalenvet en nog wat reserve-rustinnekes. We vragen in de fietsenwinkel ook naar een nieuwe poot, maar ze hebben niets dat ook maar van enige kwaliteit is, maar ze kunnen de poot wel lassen, wat we dan maar laten doen. Dan gaan we onze was afgeven in een wasserij en mogen hem deze avond gaan ophalen. We gaan ook nog op zoek naar een brillendoos voor Christine haar bril, want de in Cusco gekochte, nieuwe bril is kapotgegaan in Bolivia, waar Marc hem geplakt heeft met secondenlijm. Tot nu toe houdt hij het uit in een kartonnen doos, maar dat is echt onhandig. Na wat zoeken, vinden we een doosje dat niet te log en te zwaar is. De zoektocht naar lenzenwater van een bepaald merk verloopt echter wat moeizamer. We lopen bijna alle brillenwinkels van La Rioja af, en dat is een grote stad, en vinden uiteindelijk één klein flesje van dat merk, en dan nog aan een dure prijs. We kopen het toch maar, want Christine heeft het nodig en dit is het enige merk dat ook ontsmet. Met al dat rondgeloop hebben we een grote Carrefour-supermarkt ontdekt. Waauw, dat is lang geleden. We gaan er dadelijk in rondlopen en kijken onze ogen uit op de overvloed aan waren die hier te koop worden aangeboden. Op de kleine kamer doet Marc nieuw vet in de 4 pedalen en monteert de gelaste poot. Daarna gaan we op zoek naar een internetcafé waar alles min of meer goed werkt (dus met USB-lezer, convenabel scherm, ...) en dat is meestal een hele zoektocht. En dan zijn er daarnaast nog de praktische onhandigheden. De internetcafés worden immers massaal bezocht door kinderen die computerspelletjes spelen die ontzettend kabaal maken. Aan elke PC zitten wel 3 of 4 kinderen en alsof de spelletjes nog niet genoeg lawaai maken, zitten ze nog eens te joelen bij elk gescoord punt, en de stand door te schreeuwen naar de kinderen aan de andere PCs, "Hey, wij zijn al in level 4 geraakt. En jullie?". Een ander probleem is de ontzettend luide muziek die de uitbater van het internetcafé, meestal een jong gastje, soms speelt. Daar tussendoor zitten sommige van de andere jonge klanten nog andere muziek heel luid te beluisteren op hun PC. En daartussen proberen wij ons dan te concentreren. Meestal is het er dan ook nog eens ontzettend warm omdat je veel te krap op elkaar zit, zo krap dat soms je PC-kabel wordt uitgetrokken door klanten die zich tussen de PCs door proberen te wringen. En soms blokkeert de PC doodleuk. In beide gevallen ben je al je werk kwijt, gesaved of niet, want de PCs vegen alles uit als ze af worden gezet. Als je daar een paar uur in zit, kom je volledig murw, en dikwijls ook teleurgesteld vanwege het tijdverlies, buiten. Een eigen PC bijhebben is echt geen overbodige luxe, zodat je in alle rust je foto’s kan selecteren en kopiëren. 's Avonds, als we aan de andere kant van de stad in een internetcafé zitten, spoedt Christine zich naar de wasserij aan de ene kant van de stad, waar ze om 20.30 uur onze kleren mocht gaan afhalen, maar ze om 21.00 uur dichtgaan. Als ze daar aankomt, zeggen ze doodleuk "Oei, dat zijn we helemaal vergeten. Maar geen probleem, we doen het morgen wel", waarop Christine zegt dat we er morgen niet zijn en ze onze bezwete en bestofte kleren terug in de handen geduwd krijgt, zonder enige verontschuldiging. Hadden we de was maar zelf gedaan, zoals we meestal doen en eerst nog van plan waren. Ook in het internetcafé heeft Marc weer één of ander probleem. Daarna maken we eten en doen de afwas in onze kleine lavabo, waarna we moe en teleurgesteld gaan slapen.

 

26 oktober 2007 La Rioja - Represa de la Punta (1030m) 140.7 km (632 meters geklommen)

Wanneer we de stad uitrijden worden we gestopt aan een controlepost van de politie die je hier heel regelmatig tegenkomt bij het binnen- en buitenrijden van een stad. We moeten ons paspoort tonen en onze gegevens worden nauwkeurig genoteerd. Dan kunnen we verder. Het landschap blijft dor, vlak, heet en eentonig. En wanneer we uiteindelijk in het dorpje Patquia aankomen is het al middag en de hitte bijna niet meer te verdragen. In een klein restaurantje zoeken we beschutting tegen de zon. Er zitten een paar vrachtwagenchauffeurs te eten. We zien er hoe een chauffeur een volledige fles wijn in zijn eentje ledigt terwijl hij een hapje eet. Je kunt het soms beter niet weten, maar die man kruipt straks gewoon achter het stuur van zijn vrachtwagen. Bij dit hete weer, ideaal om te knikkebollen. Het dorp ligt op een kruispunt van wegen en we moeten hier beslissen hoe we verder gaan, want er zijn verschillende mogelijkheden. We nemen de route die ons naar 2 nationale parken leidt. De weg is lang, recht, heet, volledig onbewoond en klimt zo langzaam dat het je doet twijfelen of je een slechte dag hebt of dat het door de hitte van de zon komt dat je niet vooruit geraakt. Even schuilen in de schaduw onder een boom ontaardt steeds al vlug in een ware nachtmerrie. Na 2 minuten zit je vol insecten en zeker de vliegen zijn een ware pest, ze landen op je en blijven er hardnekkig zitten alsof ze de prooi van hun leven ontdekt hebben. Wanneer je verder rijdt blijven ze je telkens nog een tijdje volgen en vliegen vervelend voor je gezicht. Soms nemen we onze klak af en slaan erop los tot ze min of meer verdwenen zijn. Denkend dat we zullen moeten kamperen, hopen we op een tussenkomst van de Difunta Correa, die ons misschien kan voorzien van water om ons wat te wassen en om te koken. Uiteindelijk geraken we bij het ingaan van de duisternis toch nog in het piepkleine dorpje Represa de la Punta. We twijfelen nog even om in de duisternis verder te rijden, want het is zo goed als volle maan, maar die lijkt zich nu nog niet te willen tonen. We worden opeens heel hoopvol als we op één van de huizen het opschrift "Bar" zien. Maar onze hoop op een grote koele fles gesuikerde frisdrank waar we al heel de weg visioenen van hadden - het was immers weer 45 graden - vervliegt wanneer de vrouw zegt dat ze enkel bier heeft. Bier is ook niet slecht maar zou ons na deze inspanning snel van de kaart brengen. De vrouw zegt dat we eens moeten gaan kijken bij één van de andere 5 huisjes van het dorp, misschien willen die iets verkopen. Met weinig verwachting begint Christine aan de zoektocht, maar in het eerste huis kan de vrouw ons een 2 liter fles met één of andere gesuikerde frisdrank verkopen, en vooral, de fles is ijskoud. We zijn in de wolken en drinken er gulzig aan. We vragen aan de vrouw van de bar of we onze matrasjes in de bar mogen neerleggen, want hier is toch niemand. Ze is dadelijk akkoord en toont ons zelfs een zaaltje naast de bar dat wat koeler is. Wanneer we klaar zijn met de matrasjes uitrollen en willen gaan eten, komt er een politieman binnen in het zaaltje. Hij wil onze paspoorten zien en noteert nauwkeurig alle gegevens. Wanneer we vragen waarom zegt hij dat het voor onze veiligheid is en vertelt ons dat in deze streek de Zwitserse fietsreizigster Annagreth Würgler verdwenen is zo'n 3 jaar geleden, en hij zegt dat zo ons spoor tenminste te volgen is. We vragen hem of het hier dan gevaarlijk is. "Neen, geen probleem" zegt hij, "het is gewoon uit voorzorg". Daarna gaan we buiten voor de bar zitten en eten wat brood met koekjes, het enige beleg dat we hebben en we zijn te moe om spaghetti te maken, terwijl we een prachtige grote ronde maan zien opkomen van achter de bergen. De maan is zo groot en duidelijk dat het lijkt alsof je door een telescoop kijkt. Aan de andere kant zien we dat er in de verte een onweer is opgedoken door de lichtflitsen die de horizon opklaren. In dit dorp is geen elektriciteit noch stromend water. De koelkast werkt met gas. 's Nachts worden we wakker van de hevige wind die is komen opzetten en alles doet rammelen.

 

27 oktober 2007 Represa de la Punta - San Agustin del Valle Fertil (841m) 122.1 km (404 meters geklommen) (incl. Valle de la Luna 34 km)

De wind is vanmorgen een beetje gaan liggen. We drinken een koffie bij onze gastvrouw. De weg loopt voorbij het natuurpark El Chiflon. We gaan het niet bezoeken, maar kunnen wel genieten van enkele prachtige rotsformaties die te zien zijn vanaf de weg. Even verder is er bij de afslag naar het dorpje La Torre een kleine snack met winkeltje. De man heeft echter geen koude drank en we kopen dan maar een warme fles frisdrank en drinken die bijna in één keer uit. Zijn sandwiches zien er allesbehalve vers uit en hoewel we erge honger hebben, riskeren we het niet, temeer daar er seffens een dorpje zal zijn. Als we in het dorpje Los Baldecitos dan wat proviand willen inslaan, blijkt er niet veel te krijgen te zijn. Voor brood sturen ze ons naar een huisje waar op het eerste zicht niemand thuis blijkt te zijn. We gaan voor de deur staan en klappen eens in de handen, zoals we het hebben geleerd van de Argentijnen. Wel niet handig met fietshandschoenen aan. De luiken voor het venster gaan open en een jongetje vraagt wat we moeten hebben. Hij komt even later terug met een lekker brood, een "pan casero" zoals ze dat hier noemen, brood dat thuis zelf gebakken is. Je vindt het veel in de kleinere dorpen waar er geen bakker is. Als we verder rijden, zien we een groot dier over de weg lopen. Het is een mara, dat is een patagonische haas. Hij ziet er inderdaad uit als een haas, maar dan wel minstens twee keer zo groot. Even na het dorp nemen we de afslag naar Valle de la Luna, een natuurpark. Na 17 km loopt de weg dood op de ingang van het park, waar we een omelet met ham eten in het restaurantje met ijskoude cola. Het park kan alleen bezocht worden met eigen vervoer, maar dan wel met een verplichte gids die meerijdt in je wagen of bus. Ook met de fiets kan je het park bezoeken, maar dan kan je enkel een verkorte versie doen, ook met gids, en de gids is duurder wanneer hij met de fiets mee moet, anders is hij gewoon in de ingangsprijs inbegrepen. Waarschijnlijk voor de moeite van het trappen... Neen, we gaan gewoon proberen om een plaatsje te bemachtigen in een voertuig van andere bezoekers. Onderweg had men ons gezegd dat dit geen probleem zou zijn. Dit blijkt niet zo te zijn, want bijna alle auto's die op de parking staan, hebben het park reeds bezocht, en de paar voertuigen die nog aankomen, zitten al eivol, met nog amper plaats voor de gids. En met de fiets zal het ook niet meer lukken, want ondertussen is er een hevige wind opgestoken en de gidsen raden het ons af omwille van de stofwolken. Ofwel moeten we hier kamperen en morgen onze kans wagen, ofwel kunnen we naar het dorp San Agustin fietsen, hier 77 km verder, van waaruit je een georganiseerde toer in een busje kan doen. We hebben hier aan een chauffeur van zo'n busje de prijs gevraagd en die viel mee. Bovendien kunnen we dan in diezelfde toer ook het andere park Talampaya, hier 60 km noordwaarts (en dus volledig uit onze richting), bezoeken. Na een tijdje gewacht te hebben en met de gidsen gepraat te hebben, die ons weinig hoop geven omdat het al namiddag is, besluiten we naar San Agustin te fietsen. Maar als we vertrekken, hebben we een ontzettende tegenwind. We geraken amper vooruit, maar de gidsen zegden ons dat de weg naar San Agustin del Valle Fertil daalt en eens je wat lager bent je nog amper wind hebt. Maar we moeten erg hard stampen om de 17 km-lange toegangsweg tot het park terug naar de hoofdweg af te leggen, en zijn daar alleen al bijna 2 uur mee bezig. Als we nadien de hoofdweg naar rechts indraaien, hebben we nog slechts zijwind, maar ook die houdt ons nog erg tegen. We trappen zo hard we kunnen over deze saaie, dorre weg waar er gewoon niets is. We komen toch nog een klein dorpje tegen, met zelfs een klein hotelletje en een restaurantje met winkel waar we de tijd nemen om een fles cola te drinken en koekjes te eten om even uit de wind te zijn, waarna we onze weg verderzetten. Na nog een paar uur hard trappen, komen we in San Agustin aan. De paar hotelletjes waar we gaan kijken voor een kamer zijn compleet leeg, hier zijn blijkbaar geen andere toeristen. Als we in ons hotelletje informeren naar de toer, proberen ze ons eerst wijs te maken dat de parken morgen dicht zijn wegens de verkiezingen. Morgen zijn er immers nationale verkiezingen in Argentinië, zoals we al sinds we het land binnenreden hadden gemerkt aan de vele verkiezingspropaganda langs de weg en op TV. Maar de gidsen van het park hadden ons verzekerd dat het park gewoon open zou zijn zoals anders. De eigenares van het hotel gaat dan met ons naar het reisbureautje waar ze steeds mee werkt (uiteraard voor haar commissie, maar dat trekken we ons niet aan, want ze hebben toch allemaal dezelfde prijs, zei de chauffeur aan het park ons, en we kennen die prijs). Daar zegt de dame van het bureautje eerst dat alle bestelwagens morgen bezet zijn om mensen te vervoeren die gaan stemmen, maar ze wil wel een bestelwagen speciaal voor ons vrijmaken, maar dat kost dan wel 50 euro per persoon, enkel voor het vervoer van in totaal zo’n 300 km, terwijl ook de inkom voor de beide parken nogal hoog is. Dit vinden we wel erg veel. Bovendien maken de foto’s die ze van de beide parken kan tonen niet erg veel indruk op ons. Er is weinig bij dat we niet reeds in Bolivia of Peru zagen. Als we zeggen dat we voor die prijs niet gaan, proberen ze ons allebei te overhalen om een dag langer te blijven en de dag erna de parken te bezoeken. Daar hebben wij dan weer weinig zin in. We horen hen onder elkaar discuteren en begrijpen uit het gesprek dat ze ons complete idioten vinden om op een verkiezingsdag de parken te willen bezoeken. Ah ja, zo gaat dat met Argentijnen, slechts één ding per dag, en dat neemt dan de hele dag in beslag, geen stress. Dan begint ze andere hotels af te bellen, maar die hebben ook geen klanten voor morgen. Dan zegt ze dat er nog wel een bus aankomt om 11.00 uur deze avond en dat daar misschien nog toeristen zullen opzitten. Ze zal ons dan wel iets laten weten, maar enkel voor één park, "want de chauffeur moet ook nog tijd hebben om te gaan stemmen". "Ah ja" horen we haar tegen onze hoteleigenares zeggen, "ik ga me immers het leven niet ingewikkeld maken, één park op een verkiezingsdag lijkt me al meer dan genoeg", ook al verdient ze meer als we de 2 parken zouden bezoeken. Dat horen we hier de hele tijd van de Argentijnen: "waarom zou ik me moe maken? " of "waarom zou ik me het leven moeilijk maken?", enz., terwijl ze dan wel tegen ons komen klagen dat zij hier in Argentinië zo weinig verdienen en wij in onze landen zoveel. Daarna koken we nog vlug spaghetti en kruipen laat in bed. Het was een (te) lange dag.

 

28 oktober 2007 San Agustin del Valle Fertil - Marayes (640m) 114.1 km (428 meters geklommen)

‘s Morgens hebben we nog steeds niets van de dame van het reisbureautje gehoord en dus maken we ons klaar om te vertrekken. We rijden verder over dezelfde dorre, saaie weg waar er zo goed als niets is en de vliegen je opeten als je even durft te stoppen. ‘s Middags houden we halt bij een kleine camping die hier in het niets ligt. We vragen ons af wie er hier ooit komt kamperen. We gaan er onder een afdakje in de schaduw zitten waar we al geruime tijd naar op zoek waren. Het dorre landschap naast de weg vertoont bijna geen boompjes meer, enkel nog lage struiken. En dan nog van die rotstruiken met doornen die je niet toelaten om je fiets naar een plek in de schaduw te duwen. Het verkoelt er niet op en we werken de volgende desolate 50 km af in een enorme hitte. Onderweg liggen er overal geraamtes van runderen. Raar zicht soms, zo’n volledig geraamte, geen greintje vlees meer op de botten en daarover een strak gespannen vel, alsof het vlees gemummifeerd is. We geraken tot aan het dorpje Marayes dat niet veel voorstelt buiten een winkeltje en een paar huizen. We kopen er een fles koele drank en een grote zak met koekjes die we dadelijk voor het winkeltje in de schaduw gaan opeten. Er komt een oude man naar ons toe om wat te praten. Hij heeft een gezwel in zijn nek zo groot als een tennisbal en in de hals nog een zo groot als een pingpongbal. Wanneer hij in een grote hoestbui verstrikt geraakt met z’n hoofd pal boven onze zak koekjes, is onze eetlust gauw over. We denken eraan om nog door te rijden, maar wat we horen is dat er een dorre, lege woestenij volgt. Het dorpje is ook niet echt aantrekkelijk om er de tent op te zetten. Vooral de beschonken mannen verder aan een tafeltje maken het niet ideaal. Christine vraagt wat rond en er blijkt een paar huizen verder een vrouw te wonen die misschien plaats in haar huis heeft. We gaan een kijkje nemen, en Doña Blanca blijkt heel vriendelijk en toont ons een gangetje met een deur die op een vervallen binnenkoer uitkomt. Zijzelf woont in het iets meer opgeknapte gebouw ernaast. We mogen in het gangetje slapen, zegt ze, of waar we maar willen. Wanneer Marc met de fietsen bezig is, gaat Christine vlug eens piepen in de kamers rond de binnenkoer. De eerste kamer die ze opendoet, bevat twee oude bedjes en wat klein meubilair uit de tijd van toen, alles onder een dikke laag stof. We gaan aan de vrouw vragen of we in de bedjes mogen slapen, en dat is geen probleem. ‘s Avonds eten we op de dorpel van onze kamer de salami met brood die we in het winkeltje kochten en zien in de volle sterrenhemel een mooie vallende ster.

 

29 oktober 2007 Marayes - Vallecito (Difunta Correa) (858m) 81.6 km (344 meters geklommen)

We worden wakker en we horen dat de wind fel te keer gaat. We vragen aan de mevrouw of zij koffie of warm water voor ons kan maken. Na 15 minuten roept ze ons en mogen we in haar eenvoudige woning koffie drinken met een paar sneden droog brood, het doorsnee ontbijt van de Argentijn. Ze komt erbij zitten en we praten wat over Argentinië en haar leven. Ze is van Italiaanse afkomst en haar vader is na de Tweede Wereldoorlog naar hier gekomen (ra ra, waarom?). In het vervallen gedeelte waar wij sliepen, woonden haar ouders. Haar man is vrachtwagenchauffeur en komt maar om de één of twee maanden naar huis. "Ik ben dat gewoon. Dat is al 30 jaar zo." zegt ze. Zij heeft naast haar huisje een winkeltje met drankjes, koekjes en belegde broodjes, en ze doet viermaal per dag open wanneer de bus er stopt. Terwijl ze dit vertelt, slurpt ze aan haar potje "yerba maté", dat is kruidenthee, zoals hier de gewoonte is. De kruiden worden gewoon los in een klein, meestal houten potje gegooid, men giet er warm water op, waarna men de thee door een metalen rietje waarvan het uiteinde een filtertje is opdrinkt. Bijna alle Argentijnen doen het en ook sommige toeristen die zich ook een beetje Argentijn willen voelen. We willen vertrekken, maar iedere keer wordt er een nieuw onderwerp aangesneden. Zo begint ze over de verkiezingen van gisteren en vertelt ons dat Cristina Kirchner, de vrouw van de huidige president, gewonnen heeft. Daarna gaat het nog over het leven in Argentinië. Als Marc vraagt waarom ze eigenlijk niet een paar kamertjes klaar maakt om eventueel mensen te laten overnachten, ze zit hier immers ver weg van andere hotels of overnachtingsmogelijkheden, en toch op een kruispunt van wegen, ook in de bussen zitten potentiële klanten, krijgen we weer het typische antwoord "Waarom zou ik me moe maken? Het is zo ook goed." Is het nu het aangename gesprek of de vrees voor de harde wind die ons hier houdt, we weten het niet. Uiteindelijk zijn we dan toch op de baan en de wind laat zich voelen. Het is toch wel pech zeker, net nu we hier een afslag nemen is de wind ook gedraaid. Als de wind uit dezelfde richting zou komen als de kop-zijwind waar we gisteren heel de dag mee geworsteld hebben, dan zouden we nu rugwind hebben. Maar neen, juist deze nacht is de wind gedraaid en komt hij uit één voor hier uitzonderlijke richting, en uiteraard net de richting die wij uitmoeten. Met hard trappen geraken we amper aan 10 km per uur vooruit. We weten nu al dat we niet tot in San Juan zullen geraken, maar zelfs een dorp dat maar 75 km verder ligt, zal maar moeilijk haalbaar zijn op dit tempo. Na de hele dag alles gegeven te hebben op een volkomen verlaten baan, op een controlepost van de politie na, komen we toch aan in het dorpje Vallecito, door iedereen hier "Difunta Correa" genoemd, een drukbezocht bedevaartsoord voor de Argentijnen, de plaats waar zo’n 200 jaar geleden de dode vrouw met de levende baby zou gevonden zijn. Bij de controlepost van de politie bij het binnenrijden, mogen we nog eens onze paspoorten bovenhalen. We doen er wat moeilijk over en vragen hen waarom het nodig is. En we zeggen hen dat we nog in geen enkel land zoveel controle hebben gehad als hier (wat trouwens waar is). “Het is voor jullie veiligheid” zegt de politieagent, “Ah, ja, jullie denken dat het hier veilig is, maar hier verdwijnen regelmatig toeristen. Zo zijn er al Duitsers, Canadezen, enz. verdwenen". Wel raar dat we daar nooit iets over gehoord hebben, het lijkt ons meer een angstpsychose nu het geval van de 3 jaar geleden verdwenen Zwitserse fietsreizigster weer volop in het nieuws is omdat het proces nu bezig is. Terwijl de politieagent onze namen noteert, vraagt hij of we hier blijven slapen of nog doorrijden. Wel bizar dat hij eerst vertelt dat het hier zo gevaarlijk is en daarna vraagt of we nog gaan doorfietsen in het donker. Neen, we gaan hier op zoek naar een slaapplaats, want met al die vrachtwagens op de weg is het ‘s nachts niet echt veilig op zo’n smalle baan. In dit bedevaartsoord zijn er 2 hotels, maar ze zijn allebei een beetje duur naar onze zin. Er staan hier verder wel minstens 20 gebouwtjes boordevol met allemaal zaken die mensen zijn komen offeren aan de Difunta Correa. Je kan het zo gek niet bedenken of het ligt hier wel, een ware rommelmarkt. Zo vind je hier bvb. muziekinstrumenten, skilatten, oldtimers, moto’s, draaibanken, startmotors, miniatuurhuisjes, trouwkleren, enz. Ongelooflijk. Er staat hier ook op een heuvel een enorm grote kerk. Dan zijn er nog veel restaurants en winkeltjes waarvan sommigen zelfs 24 uur open blijven. Verder staan er hier en daar toiletgebouwtjes. En dan zijn er ook nog ontelbaar veel overdekte betonnen hokjes met rondom een betonnen bank tegen de muur en ervoor buiten een betonnen barbecue, "tinglados" genoemd. Deze worden gebruikt door de families die dit oord komen bezoeken, vooral in het weekend. Alles ligt er nu vuil en een beetje verlaten bij. We vragen aan een paar mensen waar we onze tent kunnen opzetten, maar er is hier geen plaats voorzien. Ze sturen ons naar de betonnen hokjes, maar we hebben geen zin om tussen de afgeknabbelde kippebeentjes en ribbetjes op de grond te gaan liggen. Eigenlijk is er hier nergens een goede kampeerplaats, want het zware vervoer en de bussen gebruiken deze plaats - die hier in het midden van nergens ligt, maar waar er handelszaken 24 uur openblijven - maar al te graag als stopplaats, en dit de hele nacht door en dat maakt een enorm kabaal. Marc’s achterband loopt steeds leeg en hij moet die om de 15 minuten bijpompen, wat het zoeken er niet gemakkelijker op maakt. Eén van de 2 hotels ligt een beetje buiten het centrum op een heuvel en we besluiten daar nog eens een kijkje te gaan nemen om te zien of we daar een rustig plekje voor de tent kunnen vinden. De receptionist die net buiten de planten staat water te geven, spreekt ons aan en zegt dat hij een kamer voor ons heeft voor de helft van de prijs, maar dat we dan wel morgen vóór 7 uur, als zijn collega hem aflost, moeten weg zijn. We aanvaarden zijn aanbod, eten vlug een boterham op onze kamer en Marc repareert ook nog zijn band. Zo kunnen we rond middernacht toch nog een rustige nacht tegemoet gaan, na een heerlijke douche.

 

30 oktober 2007 Vallecito (Difunta Correa) - Villa Media Agua (638m) 83.3 km (83 meters geklommen)

We verlaten om half zeven het hotel, na de receptionist nog eens bedankt te hebben, al steekt hij waarschijnlijk het geld gewoon in zijn eigen zak. Na nog eens een kijkje te hebben genomen in de vele huisjes vol zaken voor de Difunta Correa, kopen we in een winkeltje wat brood, salami en een koffie die echter niet te drinken is. Wat wil je, we zien de man de koffie met een pollepel uit een kookpot scheppen. Dan installeren we ons op één van de talrijke banken om te ontbijten. Een aantal kilometer buiten het dorp komen we nog een kapelletje tegen en er staan allemaal autowrakken naast. De Difunta Correa lijkt soms wel de heilige van de recyclage. Als we aan de afslag naar San Juan komen, besluiten we deze stad, waar we gedacht hadden gisteren nog te geraken, links te laten liggen. Het betekent voor ons immers een omweg van 60 km en met deze onvoorspelbare wind zouden de 60 kms wel eens heel lang kunnen worden. In het dorre landschap komen plots wijngaarden te voorschijn. We rijden nog een tijdje met links de dorre woestijn en rechts een groene zone alsof de weg de scheidingslijn is. Wanneer we na een tijd rechts afslaan en de groene zone inrijden, zien we beken vol stromend water alsof er een overvloed aan is. Landbouw is hier de hoofdbezigheid alhoewel alles op een zuiders tempo verloopt. Aan de westkant zien we een bergketen met besneeuwde toppen die het decor aan de horizon vormt. Na een tijdje komen we aan het dorpje Media Agua terug op de ruta 40 terecht. Het is ondertussen weer broeierig heet en we verkoelen even op een terrasje aan het benzinestation en profiteren ervan om zelf ook wat bij te tanken. We weten dat de volgende 100 km zéér desolaat en droog zullen zijn. We vragen aan een paar wielertoeristen die hier ook even pauze houden hoe de weg is. Ze raden ons af om nu nog te vertrekken, want door de wind op de open vlakte halen we het niet meer tot de bewoonde wereld. En onderweg kamperen is ook geen pretje volgens hen, vanwege de vele insecten. We besluiten te wachten tot morgen om het dan in één ruk te doen. We rijden terug het dorpje binnen en vinden er een goedkope slaapplaats (7 euro) met vlak ernaast een fietsenwinkel, waar we de kettingen en de tandwielen laten reinigen. Marc laat ook zijn fietsstandaard verstevigen, want de gelaste reparatie had het enkele dagen geleden al begeven onder het gewicht. Marc legt aan de technieker uit hoe hij het moet doen en die snapt het ook dadelijk. De baas die alles beter lijkt te weten, heeft een beetje meer uitleg nodig, ook al is het toch de technieker die het werk zal doen. Maar voor 3 euro alles samen zijn we gesteld. Het dorpje is klein, maar juist groot genoeg om alles te vinden wat je nodig hebt. We vinden er zelfs een meer dan behoorlijk internetcafé. En Marc koopt er ook nog een catapult. Zo kan hij zich onderweg bezighouden als hij op Christine wacht. Wij hebben immers een ontzettend verschillend fietstempo. En terwijl het normaal is dat er verschil is tussen een man en een vrouw, rijdt Marc ook nog eens heel vlug en Christine heel langzaam, wat maakt dat Marc elke fietsdag wel één à twee uur op Christine wacht. Hij rijdt een stukje en wacht dan tot Christine hem ingehaald heeft, dan rijdt hij weer en wacht dan weer, enz. 's Avonds, als de supermarkt terug open is na de siësta, doen we inkopen voor morgen. En na een boterham op onze kamer liggen we in ons bed.

 

31 oktober 2007 Villa Media Agua - Jocolí (636m) 76.0 km (44 meters geklommen)

Wanneer we ‘s morgens ontbijten op de kamer, horen we de wind flink tekeer gaan. En wat we gevreesd hadden, wordt bewaarheid: kopwind! Na een uur keihard trappen op vlak terrein, zitten we niet verder dan 10 km. We stellen ons de vraag of het niet beter is om ons gewoon te laten terugblazen en een rustdag te houden. Maar wanneer we bedenken dat het morgen misschien nog even hard waait, zijn we niet bereid onze zuurverdiende kilometers op te geven. We vervloeken ons eigen dat we gisteren niet zijn doorgereden toen er maar een lichte wind was, maar ja, daarvoor is het nu te laat. Op de tanden bijten en doorgaan is de enige optie. Hoe verder we geraken, hoe opener de vlakte en des te meer wind. Het is zo’n constante wind met daar nog eens harde windstoten bovenop. Het drukke verkeer maakt het er niet aangenamer op. Regelmatig moeten we de kant in. De vrachtwagens die uit de andere richting komen, veroorzaken nog de ergste windstoten. Het lijkt of je een harde klap in je gezicht krijgt en daarbij nog eens volledig door elkaar geschud wordt. Op één van die momenten vliegt Marc zijn klak 10 meter de lucht in en landt wel 50 meter achter ons in de berm. Na 35 km zwoegen komen we aan een controlepost van de politie. Er blijkt toch een klein winkeltje te zijn dat wordt opengehouden door een oud vrouwtje. Ze vertelt ons dat de wind hier regelmatig zo te keer gaat. We weten nu al dat Mendoza voor vandaag buiten bereik ligt, tenzij de wind zou gaan vallen. We rijden door en de wind waait nu op zijn krachtigst. Christine begint de moed te verliezen en spreekt van nu al de tent op te zetten, maar Marc haalt haar over nog even verder te gaan. Zo snel geven we ons niet gewonnen. Een vrachtwagen stopt voor Marc en een vader en zijn zoon springen eruit. Ze hebben ons zien zwoegen en hebben medelijden met ons. We kunnen de fietsen in de vrachtwagen gooien, zeggen ze. Marc zegt dat het niet hoeft, maar doet nog eens teken naar Christine die in de verte nog aankomt. Christine bijt op haar tanden en schudt neen. De vrachtwagen vertrekt zonder ons. Een beetje minder koppig, en we zaten vanavond fijn gewassen op een terrasje in Mendoza. Nu zal het wildkamperen worden, en er is hier zelfs met moeite een struik om de tent achter te verschuilen, maar van die rotstruiken met doornen zijn er genoeg. Na de volgende tientallen dorre kilometers te zijn doorgesparteld, komen we plots in een groener gebied. Het is al laat en de wind houdt het voor bekeken. Wij stoppen aan een controlepost van de politie in het zeer kleine dorpje Jocolí. We zijn doodop en willen zo snel mogelijk ons bed in. De politie stuurt ons naar een ietwat vervallen huis, waar men een kamer zou verhuren, maar die blijkt bezet. In het dorp vragen we nog eens rond waar we het best de tent kunnen plaatsen. Ze sturen ons terug naar de politiepost. Wanneer Christine in het politiekantoor vraagt of ze geen klein lokaal vrij hebben voor onze matrasjes, tonen ze ons de cel. Iets anders hebben ze niet. We kunnen ook onze tent opzetten achter het gebouw, maar de beerput weerhoudt ons ervan. Het is bijna donker, we zijn moe en hebben geen zin om nog verder te rijden om een kampeerplek te zoeken in het donker. Op zo'n moment kan een cel een aantrekkelijke plaats worden, al is deze cel op zijn minst zeer onaantrekkelijk te noemen. We vragen ons zelfs af of ze wel voldoet aan de normen die de Mensenrechten vooschrijven. Het is een donkergroen geverfd kamertje van 2 op 1,4 meter met een zware, zwarte ijzeren deur met inkijkluik. Er is geen venster en geen licht, bijgevolg is het er, mede vanwege de donker gekleurde muren en deur, pikdonker, ook overdag. Je ziet geen steek voor je hand. Op de grond liggen 2 matrasjes, meer is er niet. Het lijkt wel een isoleercel. De 2 matrassen moeten eruit wegens te veel beslapen, volgens de politie. Wij denken eerder te veel beslapen door de nachtshift. De politiechef is alleraardigst en probeert ons nog snel van licht te voorzien, maar we hebben onze hoofdlampjes en zeggen dat het niet nodig is. Maar je moet hier wel geen claustrofobie hebben! Onze fietsen zijn hetzelfde lot beschoren, ze vliegen in cel 2 die reeds gebruikt wordt als rommelhok. Voor de 2 cellen staat er nog eens een deur met zwaar traliewerk. En om het echt te maken denken we droog brood met water te eten, maar vinden dan toch nog de moed om naar een winkeltje even verder te gaan waar ze toch een droge worst voor bij ons brood hebben. De politieman die nog heel de nacht boodschappen zit door te geven over de radio kan ons niet uit onze slaap houden.

 

1 november 2007 Jocolí - Mendoza (703m) 48.7 km (203 meters geklommen)

We worden 's morgens vrijgelaten en moeten een 30-tal kilometer rijden alvorens we een pompstation tegenkomen waar we koffie kunnen drinken. Christine betaalt de koffie en Marc krijgt van een klant de opmerking dat hij Christine het geld laat beheren. De klant zegt "Dat zou bij mij niet het geval zijn. Hier in Argentinië is dat zo niet", waarop Christine hem dadelijk van antwoord dient en zegt "Maar de vrouwen in Europa gaan uit werken en verdienen hun eigen geld, dus kunnen ze ook zaken kopen", waarop een andere klant zegt "Is dat zo? Dan verhuis ik dadelijk naar Europa", waarop de macho klant beteuterd naar buiten stapt. De laatste 10 km loodsen ons het centrum van Mendoza binnen. Het is minder druk dan we verwacht hadden. Maar met slaapplaats zoeken zijn we wel een paar uurtjes zoet, want het is lang weekend in Chili en blijkbaar zitten alle hotels overvol met Chilenen die voor een paar dagen naar Argentinië overkomen. Bovendien hebben de hotels ook hun prijzen aangepast, speciaal dit weekend zijn ze duurder en daar doen ze niet beschaamd over. Als je maandag komt is het bijna de helft van de prijs van nu. Sommigen hebben nog wel plaats, maar dan slechts voor één nacht, want morgen begint dat lange weekend, maar vele zitten nu al vol. Veel onderhandelingsmogelijkheden hebben we niet, dus nemen we maar onze intrek in de slaapzaal van een backpackershostel.

 

2 - 4 november 2007 Mendoza (703m)

We houden hier een paar dagen 'rust', want Mendoza is een mooie en levendige stad. Eerst en vooral gaan we op zoek naar allerlei zaken die we hier moeten kopen, want we zijn nu in een grote stad en het zal minstens een paar weken duren eer dat nog 'ns het geval is. En terwijl we door de stad lopen, doen we wat aan sightseeing van de mooie gebouwen en de mooie pleinen. Er zijn hier verschillende brede, lange lanen aan weerszijden afgezet met ontzettend hoge bomen, een prachtig zicht. We wandelen ook naar het mooie grote park dat aan de rand van de stad ligt. We lopen de fietsenwinkels af en vinden een grote winkel aan de andere rand van de stad. Wij willen Marc zijn achterderailleur toch maar vervangen, want er zit nu al serieus veel speling op de asjes, en we weten niet of hij het tot het einde van de reis zal uithouden. Deze achterderailleur heeft ook al onze vorige reis doorstaan, maar voor alle zekerheid vervangen we hem toch maar, ook al had hij het misschien nog tot het einde van deze reis kunnen uithouden. Maar Argentinië ligt nu niet bepaald bezaaid met plaatsen waar je zulke zaken kan kopen. De volgende dag rijden we met onze fietsen naar de winkel, want voor de prijs van het onderdeel monteren ze het ook. Wij gaan dan ondertussen even het stadsaquarium dat ook in deze buurt ligt bezoeken, maar dat blijkt gesloten te zijn. Als we terug naar de winkel gaan, is de fiets al klaar. We kopen ook een nieuwe buitenband voor Marc, weer van het Braziliaanse merk Levorin, want de zijwanden van de TravelContact van zijn voorwiel zijn ook versleten en hij rijdt alweer geruime tijd met een waggelende fiets. We kopen voor alle zekerheid ook nog 2 binnenbanden en wat rustinnekes. Verder gaan we nog op zoek naar muggenmelk en zonnemelk, en naar een grote fles lenzenwater van dat bepaald merk. We moeten ons nog haasten met onze inkopen, want zaterdags gaan de meeste winkels 's middags al dicht om pas op maandag weer open te gaan. Marc maakt ook weer 2 dagen na elkaar pannekoeken in het hostel. En we koken elke avond uitgebreid, want deze keuken is redelijk goed uitgerust. Eén avond gaan we naar een all you can eat restaurant en eten er ons ziek. Het eten valt best mee, we hadden het ergste verwacht, want het restaurant ziet eruit als een heel grote refter, er staan lange tafels met in totaal zeker meer dan 200 zitplaatsen, en die zijn allemaal vol. Er staat buiten een rij te wachten op een plaatsje. De ambiënce is Argentijns. Een zanger loopt met een micro in de hand tussen het publiek door te zingen. De muziek staat oorverdovend luid en vele mensen klappen in de handen op de maat van de muziek. We eten ons buikje rond en proeven van verschillende Argentijnse vleessoorten. Als dessert eten we pannekoeken met ijs. We gaan 's avonds ook eens het nachtleven van Mendoza bekijken. In een parkje wordt er tango gedanst. Er zit een man met een muziekinstallatie en iedereen die wil mag komen dansen. Er is veel volk, dansers en kijkers. Daarna wandelen we naar de "terrassenstraat", een heel lange straat vol met trendy cafés en restaurants, de een na de ander, en alle terrassen zitten steeds bomvol, zowel op weekdagen als in het weekend. Veel rugzakreizigers uit ons hostel blijven hier nogal wat langer plakken dan wij, zoals we 's nachts horen als we in bed liggen. Per geluk valt het in onze slaapzaal redelijk mee, al worden we toch een paar keer in het midden van de nacht wakker door feestgangers die binnenkomen. Maar per geluk niet op de nacht waarna we weer verder trekken.

 

5 november 2007 Mendoza – San Carlos (884m) 110.7 km (357 meters geklommen)

In de drukke ochtendspits verlaten we Mendoza. Wanneer we de weg vragen naar ruta 40, worden we op een drukke weg gestuurd. Het heeft iets weg van een autosnelweg, de auto's razen ons voorbij. Een vrachtwagen verliest ter hoogte van Marc zijn lading, gelukkig blijken dat maar grote blokken piepschuim te zijn. De ene na de andere wijngaard waarvoor Mendoza zo bekend is duiken hier op. We zijn al 30 kilometer ver wanneer we een andere weg die parallel loopt aan onze veel te drukke weg inslaan. Het blijkt de oude ruta 40 te zijn. Deze weg is ook nog vrij druk, maar toch een pak aangenamer. Het is een dreef die voorbij wijngaarden en dorpjes loopt, volledig beschut van zon en wind door de vele hoge bomen langs de kant van de weg. Na 10 km lijkt het liedje uit wanneer de weg eindigt en samenvloeit met de nieuwe ruta 40. Maar we hebben geluk, er zijn wegenwerken en de 10 km die volgen, krijgen we twee rijstroken te onzer beschikking die nog niet opengesteld zijn voor het verkeer. De vruchtbare wijngaarden met hun soms prestigieuze gebouwen veranderen in een landschap van ritmisch draaiende machines die het zwarte goud uit de grond naar boven pompen. De besneeuwde toppen van de Andes vormen een schilderachtig landschap aan onze rechterzijde. De bergketen neemt heel de lengte van het landschap in beslag. De streek rond Mendoza bevat de hoogste bergtoppen van de Andes, tot bijna 7000 meter hoog. En de streek is dan ook populair bij skiërs en alpinisten. Onderweg zien we een vos slenterend de weg oversteken, tot hij ons plots opmerkt en er als een pijl vandoor gaat. Tussen de struiken zien we regelmatig een klein soort knaagdier, we kunnen niet duidelijk bepalen wat het is, maar het staat waarschijnlijk op het menu van de talrijke vossen die we hier in Argentinië reeds zagen. In het dorpje San Carlos staken we onze rit. Marc zit al heel de dag geplaagd met buikkrampen en we willen maar eens tijdig naar bed gaan, wat ons hier in Argentinië maar niet blijkt te lukken.

 

6 november 2007 San Carlos – 25 km before Agua del Toro (1714m) 73.9 km (863 meters geklommen)

We weten niet goed wat doen vandaag. Er zijn weer 2 wegen om naar hetzelfde punt te gaan, de ene is geasfalteerd, de andere niet. De ongeasfalteerde is korter, maar in tijd komt het waarschijnlijk op hetzelfde neer als de geasfalteerde. De meeste mensen raden ons dit ongeasfalteerde stuk van de oude ruta 40 af wegens te slecht en te verlaten, maar we hebben nog 20 km om erover na te denken. In het dorpje Pareditas waar de splitsing  is, kijkt Marc zijn pedaal na die plots hevig is beginnen te kraken. Hij besluit hem open te maken omdat er heel veel speling op zit. Het vet in de pedaal zit vol met metaalglinsters, wat een slecht teken is. We beginnen te denken dat we misschien terug moeten naar Mendoza om een pedaal te gaan kopen. Na wat proberen lijkt het Marc te lukken om de pedaal terug vlot te laten draaien met een minimum aan speling. Gelukkig had hij nog kogeltjes van een oude pedaal van thuis meegebracht. Voor alle zekerheid gaan we toch nog eens rondvragen of er een fietsenmaker is in het dorp. Die blijkt er uiteindelijk toch te zijn. Een oude man heeft achteraan zijn huisje een kleine, rommelige werkplaats waaruit hij een set pedalen van Indonesische makelijk en van niet al te hoge kwaliteit opdiept. Dit zal moeten volstaan als backup. Aan de politiepost in het dorp vragen we voor de laatste maal info over de weg. We besluiten de ongeasfalteerde te nemen, alhoewel het onduidelijk is of we de volgende 170 km aan drinkbaar water zullen kunnen geraken. Volgeladen met water rijden we de ietwat zanderige weg op. Het is ondertussen weer broeierig heet, over de 40 graden in de zon, en al na de eerste kilometers verdwijnt het groen en de laatste voor schaduw zorgende bomen. De weg is langzaam klimmend. Iedere maal we het hoogste punt aan de horizon beklommen hebben, blijkt er nog een ander, hoger punt in de verte op ons te liggen wachten. Het landschap is niet bijster mooi, behalve de nog immer naast ons liggende bergketen die ons doet denken aan een mooi schilderij. Vanwege de zanderige weg en de langzame klim boeken we maar weinig vooruitgang. Een auto met een koppel Duitse toeristen stopt bij Christine en vraagt of we iets nodig hebben. We zeggen dat we alles hebben, maar wanneer we ze verder terug tegenkomen terwijl ze de sneeuwtoppen aan het bewonderen zijn, kunnen we toch niet weerstaan aan een koele fles mineraalwater die ze ons aanbieden. Het water in onze bidons is immers meer dan 40 graden warm en smaakt lekker naar plastiek. En we krijgen er nog 2 appelsienen bovenop. De Argentijnen die voorbij rijden vinden het allemaal fantastisch wat we doen en steken hun duim omhoog of klappen in de handen, maar nog geen enkele is gestopt om te vragen of we water nodig hebben. Ze zijn allemaal heel vriendelijk, maar als je iets nodig hebt, moet je er wel zelf naar vragen, spontaan iets geven zullen ze niet vlug doen. Eén uur voor het donker wordt zoeken we een slaapplaats. Niet eenvoudig om je hier te verschuilen, de struikjes zijn nog amper 20 cm hoog. Marc stopt aan een klein brugje om te kijken of dit een goede slaapplaats zou zijn, maar de dode koe die erachter ligt doet ons besluiten nog wat verder te fietsen tot we een grote kuil tegenkomen van wegenwerken, met een paar hopen zand errond. Ideaal om ons achter te verschuilen, en met een eerste klas zicht op de besneeuwde bergen waar de zon langzaam achter verdwijnt, waarna de temperatuur heel wat killer wordt. We zitten immers al op 1700 meter hoogte. Vanuit onze tent in onze wame slaapzakken kunnen we in volledige duisternis de talrijke sterren aan het firmament zien fonkelen.

 

7 november 2007 25 km before Agua del Toro - El Sosneado (1542m) 130.4 km (587 meters geklommen)

In alle vroegte en zonder ontbijt starten we onze dag. We rijden tot aan het stuwmeer dat ongeveer 25 km verder ligt en onderdeel uitmaakt van een prachtdecor. Veel leven is er niet te bespeuren, maar de politieman had wel gelijk, er is een kleine kiosko (winkeltje) verscholen in de diepte en bereikbaar via een klein weggetje. Marc gaat snel te voet een kijkje nemen en komt met een buit van ijskoude drank terug. We dalen verder langs de weg tot aan de dam zelf en ontbijten er. Oud brood, bezwete salami, koude cola en een prachtzicht over het meer. Via een tunnel door een berg verlaten we het stuwmeer en wacht er ons een steile klim. Na de klim lopen er paarden in het wild rond. Een hengst die zijn kudde wil beschermen, komt dreigend op Marc toegelopen. Marc stopt, doet zijn zonnebril af en roept, waarna de hengst en zijn kudde het hazenpad kiezen. We hebben nogal gemerkt dat dieren niet goed kunnen definiëren wat we zijn als we rijdend op een fiets vol baggage en met een zonnebril aankomen. Verder komen we een hond tegen die op sterven na dood in een put in de schaduw van een struik ligt. Hij is graatmager en Marc probeert hem wat water en brood te geven, maar de hond is zo zwak dat zelfs  dat hem niet meer interesseert en reeds gekozen heeft voor de dood. In de afdaling die verder volgt, krijgen we een zicht op de "Salinas del Diamante", een zoutvlakte die spierwit in het landschap prijkt. Na nog enkele kilometers dalen, komen we weer op de geasfalteerde weg die ons naar het 62 km verder liggende dorpje El Sosneado brengt, waar we de nacht doorbrengen in een klein hotelletje waar ook wegenwerkers een paar kamers hebben. Sleutels zijn er niet op de kamers. Volgens de eigenares geen enkel probleem, er gebeurt hier nooit wat. We laten onze kamer dus maar gewoon open staan, met de fietsen en al erin, terwijl we gaan winkelen voor ons avondeten, spaghetti die we op het fornuis van de vriendelijke eigenares mogen klaarmaken.

 

8 november 2007 El Sosneado - Malargüe (1400m) 51.7 km (100 meters geklommen)

Het dorpje waar we overnacht hebben ligt aan de voet van de bergketen, in een groene oase en door de overvolle beekjes vloeit helder klaar water. Een paar kilometer buiten het dorp is de vruchtbare grond alweer snel verdwenen. Rechts de bergen, links desolaat dor landschap, dat is het zowat. Alhoewel je hier toch enkele rivieren tegenkomt die vers water uit de bergen brengen. We rijden voorbij de afslag naar "Los Molles" en "Las Leñas", twee bekende skioorden in deze streek. De weg is vrij vlak, om over de lichte stijging of daling niet te spreken. In de horizon verschijnt een bebost gebied dat het naderen van Malargüe aangeeft. Malargüe staat vol hotelletjes en cabañas voor de vele Argentijnse toeristen die dit groter uitgevallen dorpje gebruiken als uitvalbasis om te skieën, als alternatief voor het duurdere "Las Leñas". Bij het binnenrijden stoppen we nog even bij de toeristinfo met de vraag hoe we het natuurreservaat Payunia kunnen bezoeken. Dit park bevat de hoogste concentratie aan vulkanen van waar ook ter wereld. En zoals altijd in Argentinië blijkt het weer zo georganiseerd dat je ofwel je eigen wagen moet hebben ofwel heel duur moet betalen. Het dorpje zelf is een oase van rust, zelfs een weekdag lijkt hier een zondag. In de namiddag gaat hier zo goed als alles potdicht voor de siësta en zie je nog amper een levende ziel op straat.

 

9 november 2007 Malargüe

We proberen wat aan de website te werken, maar vinden nergens een internetcafé met goede PCs. We verliezen ook veel werk, omdat de PC waar we op zitten te werken ineens uitvalt. De eigenaar van het internetcafé zegt "Maar jullie hebben de PC bewogen, natuurlijk valt die dan uit". Het is hier altijd de klant zijn fout. Wij hadden trouwens helemaal niks bewogen, en dan nog. Maar wij zijn wel een paar uren werk kwijt, want als de PC terug opstart, veegt hij alles uit wat er van de vorige keer nog opstond. 's Avonds maken we van de keuken van ons hostel gebruik om spaghetti te koken.

 

10 november 2007 Malargüe - Bardas Blancas (1391m) 69.0 km (732 meters geklommen)

Er is veel wind vanmorgen en het is koud, zoveel wind dat we zelfs twijfelen om te vertrekken. Maar het zuiden roept en dus vertrekken we maar. Na enkele kilometers beginnen we al te twijfelen of het wel een een goed idee was om te vertrekken. De wind blaast met een enorme kracht frontaal op ons. Elke meter is een strijd. Gelukkig draait de weg na enkele kilometers en worden we een beetje uit de wind gezet door de bergen die we nu moeten beklimmen. Zodra we echter iets hoger zijn, is de wind ook weer van de partij. De andere uit de wind zetten door er naast te rijden is er ook niet bij. Het is een constante harde wind met daarboven nog eens hardere windstoten. Het is al moeilijk genoeg om op één lijn te rijden. Wanneer Marc wat hoger in de beklimming Christine zit op te wachten, ziet hij een oud beroest wagentje uit de bocht komen met een slakkengangetje. Er zitten twee mannen in die ieder aan een rietje thee zitten te slurpen. In het zog van het wagentje volgt Christine. Als ze bij Marc zijn, zeggen de mannen dat hij ook moet volgen zodanig dat hij ook uit de wind zit. Wanneer we bijna boven zijn, zeggen we hen dat ze bedankt zijn. "Geen probleem", zeggen ze en slurpen verder aan hun rietje. In de afdaling wordt het serieus bijtrappen om boven de 10 km per uur te geraken want de wind zit ons weer op de neus. Over het mooie zicht dat we zien spreken we niet, we hebben amper tijd om er van te genieten, de wind eist al onze concentratie op. Na vele uren zwoegen, komen we aan een camping die ook cabañas verhuurt. Het is de enige plaats waar wat bomen staan en waar we in de luwte wat kunnen eten. Luwte is veel gezegd, er is geen hoekje of kantje waar er geen wind is. De wind lijkt wel overal achter te kruipen. De uitbater van het domein zegt dat het in de namiddag nog zal verergeren. En aan de andere kant van de berg, eens we de beklimming achter de rug hebben, zou het nog erger zijn dan hier. Zijn cabañas zijn veel te duur voor wat ze waard zijn en de tent opzetten in deze wind zien we ook niet zitten. We rijden door en even later verdwijnt het asfalt. We klimmen tot de pas van 1940 meter. De windstoten worden feller en feller, en nu de asfalt verdwenen is, wordt het des te moeilijker. Wanneer Marc even achteruit kijkt om te kijken of Christine nog volgt, wordt hij door een hevige windstoot pardoes tegen de vlakte gesmeten en bezeerd zich aan de schouder. Christine krijgt nog met moeite de pedalen rondgetrapt. De sneeuwgrens is laag in Argentinië, we zijn op nog geen 2000 meter hoog en we zien iets hoger al witte plekken op de flanken van de bergen. In de afdaling halen we topsnelheden van 10 km per uur. Frustrerend is het. Om de haverklap krijgen we ook nog eens een zandstorm over ons heen die plots uit het dorre landschap opduikt. We stoppen dan en houden onze fietsen goedvast en duwen ons hoofd bijna in onze stuurtas gedurende 30 seconden of zo, tot het ergste voorbij is. Marc hoort een geluid bij het schakelen en kijkt zijn kettin na. Een schakel van de ketting is het aan het begeven. Ra, ra, hoe zou dat komen? Toen hij een nieuwe achterderailleur heeft laten steken, heeft de mechanieker waarschijnlijk het oude pinnetje opnieuw gebruikt om de ketting te monteren, en dan krijg je zo'n problemen, in plaats van gebruik te maken van de hyperlink (soort snelkoppeling) die ertussen zat. Het ergert Marc vooral dat hij tijdens het monteren er niet bij is gebleven, maar andere zaken is gaan doen om tijd te sparen. Hij vervangt snel de ketting tussen 2 zandvlagen door, de kapotte schakel zal hij later wel herstellen. Iets voor zonsondergang halen we nog net het dorpje Bardas Blancas. Er is een klein hotelletje met een camping ernaast. De camping stelt niets voor, je kan beter wild gaan kamperen, dan heb je dezelfde luxe. Christine onderhandelt voor een goedkope kamer en die kunnen we krijgen in de vorm van een aftandse, vuile kamer die volgens ons gebruikt wordt door het personeel of zo. De echte kamers, die ook niet veel voorstellen, wil de eigenaar ons niet aan een goedkopere prijs laten, er moest maar eens nog veel volk langskomen deze avond. Maar behalve misschien iemand met autopech, denken wij dat er hier niemand stopt. Maar al goed, we moeten er niet veel voor betalen en we zitten uit de wind, en Marc kan zijn schouder wat laten rusten, want de pijn is tot zijn nek doorgetrokken, hij kan nog nauwelijks zijn hoofd draaien. Ook hier weer hebben de hotelkamers geen sleutel. Deze dorpjes liggen hier dan ook echt in de middle of nowhere en zijn zo rustig als wat, met geen ander dorp in de omtrek, kilometers ver in alle richtingen. Christine gaat kijken voor brood in het naastgelegen winkeltje van dezelfde eigenaar. De man zegt dat er geen brood te verkrijgen is, alles is op, pas na het weekend is er opnieuw brood. Maar hij wil ons wel een belegd broodje van het restaurant bij zijn hotel verkopen voor 4 euro. Dat lijkt ons een erg hoge prijs voor Argentinië. Dan maar even in het dorp rondvragen of er niemand brood gebakken heeft. Meestal is er in zo'n klein dorp altijd wel iemand die brood heeft gebakken en een deel doorverkoopt aan de anderen. En doorgaans is dat brood lekkerder dan dat van de bakkerij. Christine keert terug met een rijke buit, 2 grote broden. Wanneer ze snel naar het winkeltje loopt om wat salami te kopen, ziet ze dat de eigenaar brood verkoopt aan een man uit het dorp. Ze vraagt luid aan de klant waar hij dat brood kocht. "Hier" zegt de man, waarop de eigenaar zegt "Ja, maar hij is een bekende van het huis". Christine schiet uit haar kram (daar heb je niet veel voor nodig als je uitgehongerd en stikkapot bent van heel de dag tegen de wind in te beuken) en confronteert de eigenaar en de andere klanten met hun zogezegde gastvrijheid waar ze zo prat op gaan. Want de eigenaar weet helemaal niet dat Christine ondertussen toch aan brood is geraakt, hij heeft de enige winkel van uren in de rondte (letterlijk "uren" als je met de fiets reist) en vertikt het toch ons wat brood te verkopen omdat hij ons liever een dure sandwich wil aansmeren, alsof hij daar op slag rijk gaat van worden.

 

11 november 2007 Bardas Blancas - 10 km ten zuiden van El Zampal (1278m) 98.6 km (496 meters geklommen)

We staan klaar om te vertrekken en de eigenaar gunt ons met moeite een blik, waarschijnlijk nog wat op zijn teen getrapt van gisteren. Het kan ons niet deren. Het is vrijwel windstil, er is terug asfalt en het landschap is prachtig. De weg loopt door een brede vallei met prachtige bergen erom heen en het landschap is vrij groen. De witte wolken vertonen zich in de mooiste vormen vanwege de felle wind van gisteren, en de sneeuwtoppen liggen er weeral glinsterend bij. Hier en daar wordt het mooie landschap verstoord door machines die olie uit de grond oppompen. Het is nog geen middag of de wind laat zich al terug voelen. Het groene in het landschap is verdwenen en het asfalt ook. Alhoewel, het is een soort kiezelweg geworden met tussendoor flarden oude asfalt waardoor je soms nog wat snelheid kunt maken. De omgeving verandert plots in een ruwer landschap van vulkanisch gesteente. Alsof de weg dwars door een verharde lavastroom is getrokken. De rivier die daarstraks nog een hele vallei ter beschikking had, is nu verbannen naar een smalle kloof die ze door het vulkanisch gesteente heeft uitgesleten. Na nog wat geklommen en gedaald te hebben, komen we aan een dorp dat op onze kaart staat aangegeven als "El Zampal". Het bestaat uit welgeteld één huis en er is op het eerste zicht niemand thuis. De wind is weer in volle kracht beginnen blazen en er wacht ons een strakke beklimming. Met nog één resterend uur zonlicht en een top die maar uitblijft, zoeken we langzaam voortrijdend naar een slaapplaats. De omgeving nodigt niet echt uit om je tent op te zetten, omdat er nergens een vlakke en beschutte plek valt te bespeuren. Aan een kleine brug waar drie grote pijpen onderdoor lopen, nemen we een kijkje. We kunnen met de fietsen gewoon door de buizen rijden en zo onder de weg door een droge rivierbedding in. In de buizen slapen is geen optie, aangezien het een populair plekje blijkt te zijn waar mensen hun behoefte komen doen. In een inham van de droge rivier vinden we een beschut en voor het voorbijkomend verkeer verscholen plekje voor de tent.

 

12 november 2007 10 km ten zuiden van El Zampal - Buta Ranquil (1127m) 89.3 km (1150 meters geklommen)

We vertrekken zonder ontbijt, maar eten wel vlug wat koekjes. Het dorp waar we gisteren nog wilden geraken, ligt normaal gezien op 25 km van hier. Maar eerst nog even de klim afwerken waar we gisteren aan begonnen waren. De weg klimt nog aardig verder en na een kleine afdaling ligt er terug asfalt onder onze banden. We rijden voorbij 3 mooie lagunas (= meren) die in een soort van diepe krater liggen. Ze zijn omgeven door groen, maar behalve 2 huisjes, wat vee en een paar watervogels is er weinig leven te bekennen. Er volgt en pittige beklimming uit de krater tot we ons op een hoogte bevinden van iets onder de 1700 meter. Je hebt hier een fantastisch zicht over de besneeuwde toppen en in de verte zien we de vulkaan die ons gisteren ook gezelschap hield. In het dorp Ranquil Norte gaan we op zoek naar brood en frisdrank maar het povere winkeltje heeft niet veel te bieden. In de plaats van brood stellen ze voor dat we zoutkoekjes eten, iets wat de Argentijnen zelf dikwijls in de plaats van brood eten, omdat er hier zo moeilijk aan brood te komen is, vooral aan vers brood. Maar onze maag kan wel iets beter gebruiken, dus gaan we op zoek naar "pan casero" (= huisgebakken brood). Een vrouw heeft er zopas gebakken het is nog warm en we zetten ons op straat op een brugje om te ontbijten. We vragen de vrouw of ze soms warm water heeft en vijf minuten later staat ze met de moor in de hand naast ons. Een koffie en lekker vers brood, dat is waat we aan dachten toen we naar het dorp reden. We rijden verder en steken kort na de middag de provinciegrens over. We rijden de provincie Neuquén binnen en bevinden ons nu officieel in Patagonia, maar spijtig genoeg kent de Patagonische wind geen grenzen, zodat wij er al dagenlang last van hebben. Ook nu weer is de wind hevig komen opzetten en de 4 km lange klim die ons wacht, wordt daardoor loodzwaar. In het dorpje Barrancas dat op de klim volgt gaan we even beschutting zoeken van de ijskoude wind in een kleine "comedor" (= restaurantje). De wind houdt weer lelijk huis, het lijkt wel een kleine storm die over het dorp raast. De weg die nadien volgt is weer prachtig, met fantastisch gevormde bergen in allerhande kleuren en de ons immer volgende sneeuwtoppen. Langs de kant van de weg ligt de kop van een koe zonder het lijf. Bizar... Hoe komt dat hier terecht? Je ziet hier wel meer karkassen of beenderen van dode runderen in de berm liggen, maar enkel de kop vinden we wel wat raar. Een motorrijder met passagier rijdt ons voorbij en wuift naar ons. Nog maar 5 kilometer te gaan naar het dorp Buta Ranquil, maar het worden nog 5 lange kilometers. De wind zit immers weer pal op kop en de meters rollen maar traag voorbij. Wanneer we eindelijk in het dorp aankomen, zijn we bevroren van heel de dag in die koude wind gezeten te hebben. In het dorp komen we de motorrijder tegen die ons eerder voorbijgereden was. Zijn vrouw is op zoek naar een kamer, maar alles blijkt te duur. Maar ook zij hebben te koud om nog verder te rijden. Christine doet nog een onderhandelingspoging en krijgt de prijs met bijna de helft naar beneden. Iedereen blij dat er hem een warme douche te wachten staat.

 

13 november 2007 Buta Ranquil - Chos Malal (789m) 92.2 km (1119 meters geklommen)

's Morgens blijven we nog wat kletsen met Ken en Carol, de 2 Australiërs, met de motor op weg voor 2 jaar. We verliezen het uur wat uit het oog en het wordt laat, of misschien hebben we gewoon geen zin om te vertrekken, want het is weer zeer winderig vandaag. Uiteindelijk vertrekken we dan toch en Ken roept ons nog na "Goede reis en geen platte banden". We zijn de straat nog niet uit of het is al zover, Christine's achterband loopt leeg. Dus eerst nog de band herstellen. Het blijkt geen gat te zijn, maar een scheurtje in de naad van de binnenband. De binnenbanden die je hier meestal vindt zijn van Chinese of Taiwanese makelij en die trekken echt op niets. De enige die wat degelijk zijn, zijn de Braziliaanse, maar die zijn hier moeilijker te vinden. De wind is weer verschrikkelijk vandaag. Soms ben je iets of wat beschermd door de berg die je opfietst, maar wanneer je rechtstreeks geconfronteerd wordt met de wind, raak je nog amper vooruit. Na 4 uur tegen de wind inboksen, zijn we amper 25 kilometer ver. Er is geen enkele plaats om te schuilen, dus eten we ons middagmaal maar tussen de bepakte fietsen op de grond. Dat geeft toch enige bescherming al blijft het moeilijk. Alles wat we even lossen, is dadelijk vertrokken met de wind. De afdalingen kunnen we amper onderscheiden van de beklimmingen, zo traag geraken we vooruit. Uit een ongeasfalteerd zijpad komen tankwagens met propaan- en butaangas gereden. De weg waar ze vandaan komen, verdwijnt in het niets. De chauffeurs groeten ons vriendelijk zoals altijd de gewoonte is hier. Er wacht ons nog een steile klim en de hoop om vandaag nog in het stadje Chos Malal te geraken is stilaan ook vervlogen. De afdaling die erop volgt, brengt ons in een soort krater met een meer en beekjes met fris water dat rechtstreeks van de besneeuwde toppen wordt aangevoerd. Het is hier daardoor ook veel groener. Er zijn wegenwerken aan de gang en Marc maakt grapjes met de wegenwerkers, "De weg ligt goed, maar kunnen jullie de wind niet draaien?". De mannen lachen. Net voor we aan de beklimming uit de krater beginnen, stopt een vrachtwagen met wegenwerkers bij Marc en ze zeggen "Smijt jullie fietsen op de vrachtwagen, we rijden naar Chos Malal". Marc bedankt hen en zegt dat we zullen verder fietsen. "Maar er wacht jullie nog een serieuze beklimming", zeggen ze en wijzen naar de steile weg voor ons. "Neen, bedankt" zegt Marc. Een beetje onbegrijpend maar met volle bewondering nemen ze afscheid van ons. Het is al laat, maar we willen toch nog graag de pas over. Onverwacht krijgen we in sommige bochten de wind in de rug en waar hij van voor moet komen, wordt hij afgeblokt door een bergwand. Zo zijn we sneller boven dan verwacht. Aan de andere kant van de top waait het veel minder en plots krijgen we hoop om er toch nog te geraken vandaag. Als we nu alles geven en er niet teveel beklimmingen meer komen, zouden we het nog voor zonsondergang moeten halen. We zijn wel al moe, maar als je conditie goed zit, heb je nog altijd meerdere cartouchen op zak zitten, zoals ze in de koers zeggen. Het landschap is nog verbijsterend mooi op dit stuk, waardoor we af en toe toch nog eens stoppen. In een roes van overwinning op de wind, genieten we met volle teugen van de laatste kilometers. In Chos Malal vinden we vlug een goede kamer bij een vriendelijke mevrouw, waarna we op weg naar de winkel voor ons avondeten nog vlug een ijsje naar binnen werken.

 

14 november 2007 Chos Malal - 12 km ten noorden van de afslag naar Bajada del Agrio (678m) 114.2 km (891 meters geklommen)

Met de meeste zaken voorhanden in de winkels sinds lange tijd en met zijn relaxte sfeer is dit dorp eigenlijk een ideale plaats voor een rustdag, maar we maken weer maar eens voort. Bij het buitenrijden van het dorp worden onze paspoorten nog maar eens gecontroleerd. We vragen aan de politie naar de weg, maar er is onenigheid. Ze geraken het er niet over eens of we nu 20, 30 of 50 km moeten klimmen. Het maakt niet uit, we moeten klimmen, zoveel is zeker. We voelen ons een beetje een gevangene van de weg, want je krijgt hier maar een paar meter berm en dan staat er steevast prikkeldraad, honderden kilometers prikkeldraad, over berg en dal, en door rivieren heen. We vragen ons af waar we de tent gaan zetten deze avond, ruimte zover je kan zien, maar alles is afgesloten met prikkeldraad. Onderweg in een klein dorp van amper 4 huizen probeert Christine koude frisdrank vast te krijgen. Er blijkt geen winkeltje te zijn op de weg zelf, het echte dorp ligt immers 2 km verder in een zijstraat, maar het winkeltje daar zou toch dicht zijn. We willen weer vertrekken en de vrouw aan wie Christine het vroeg, komt naar buiten gelopen met een fles frisdrank. "Als je wil mag je deze kopen, jullie hebben nog een lange weg zonder enige winkel af te leggen" zegt ze. We zijn dolblij en geven de vrouw de iets hogere prijs die ze ervoor vraagt. Bij gebrek aan beter zetten we ons op een vangrail en eten ons brood met salami, en spoelen het door met de ijskoude drank die we van de vriendelijke mevrouw kochten. Wanneer we de rivier Agrio oversteken, wordt het stilaan tijd om uit te kijken naar een plaats voor de tent. Niet makkelijk in dit dorre, met lage struiken en prikkeldraad gevulde land. Net voor een beklimming denken we de ideale plaats gevonden te hebben. Een ongeasfalteerde weg loopt naar beneden naar de rivier, en er staat een boom en enkele grote struiken. Wanneer we er aankomen, blijkt het niet zo ideaal. Het ligt er vol met uitwerpselen van dieren en 30 meter verder ligt een dood kalf. We hebben geen zin om terug te vertrekken, want dit was de enige plaats sinds kilometers waar we een beetje verscholen zitten van de weg. Na een wedstrijdje droltrappen (gelukkig zijn ze droog) en met een dood kalf in de achtertuin, kruipen we moe in onze warme slaapzakken.

 

15 november 2007 12 km ten noorden van de afslag naar Bajada del Agrio - Las Lajas (801m) 51.1 km (450 meters geklommen)

Het is een koude nacht geweest en de lucht voelt nog zeer kil aan. We ruimen ons boeltje op en beginnen aan de beklimming die langer is dan we dachten. De plaats waar we gisteren de tent hebben opgezet, bleek nog niet zo slecht, want in de kilometers die volgen valt er geen enkele betere plek te bespeuren. Grote condors overvliegen de omgeving op zoek naar een geschikte prooi. Indrukwekkend! Bij het binnenrijden van Las Lajas zien we flamingo's in de rivier buiten het dorp. We geven er vandaag vroeg de brui aan, een half dagje rust zal ons goed doen. De wind vreet gewoonweg al je energie op. We zijn nog net op tijd om inkopen te doen, vóór de siësta, anders konden we de hele middag op ons kin kloppen, want de winkels gaan pas laat terug open. We vinden een cabaña (= een soort heel klein appartementje, met slaapkamer, keukentje en badkamer) tegen een heel schappelijke prijs waar we een aangename namiddag doorbrengen en 's avonds spaghetti koken.

 

16 november 2007 Las Lajas - 2.5 km ten oosten van de grenspost Pino Hachado (1490m) 39.3 km (991 meters geklommen) + 6 km in pick-up

De wind doet weer erg zijn best vandaag. We moeten een stuk noord-west fietsen, op weg naar de pas aan de Chileense grens, en het is weer duwen om vooruit te geraken. De wind maakt het berekoud. We volgen een rivier maar straks moeten we links afslaan en trekken we de bergen in. We hopen dat de wind ons dan wat gunstiger gezind zal zijn. Maar niets is minder waar, de wind sterkt nog aan en we geraken nog amper vooruit. Eten doen we al zittend naast de fietsen die we zijwaarts hebben opgesteld als beschutting tegen de wind. Hoe later in de dag het wordt, hoe krachtiger de wind. Het wordt zelfs moeilijk om rechtop te blijven. Nog maar 8 kilometers van de grenspost verwijderd en na reeds het grootste deel geklommen te hebben, is het zover: Christine wordt door de wind tegen de vlakte gesmeten, niets ergs, maar door de kracht van de wind krijgt ze de fiets niet meer recht en hij ligt in het midden van de weg waarop er gelukkig weinig verkeer is, maar toch... Na wat wachten tot er een kleine luwte in de windstoten is, krijgt ze de fiets toch rechtgezet. Haar pet is afgevlogen en even verder in de struiken blijven hangen. Wanneer Marc die te voet gaat halen, geraakt hij slechts met heel veel moeite tegen de krachtige wind in terug bij Christine. Zo kunnen we niet blijven doorgaan, maar er is niets om te schuilen. Even denken we om terug af te dalen, maar zelfs dat is met dit weer gevaarlijk, en er was daar ook nergens een beschutte plek. De wind is moeilijk te omschrijven. Het is een keiharde wind met daar bovenop zéér hevige windstoten. En soms lijkt de wind uit alle richtingen tegelijk te komen en word je danig door elkaar geschud. Het is een soort turbulentie van de lucht waar je in terecht komt. We besluiten langzaam en voorzichtig verder te gaan tot we een geschikte schuilplaats vinden. We fietsen 10 meter en wanneer we een windstoot voelen stoppen we dadelijk en duiken met ons hoofd naar beneden en met de fiets in de richting van de windstoot om te vermijden dat we omwaaien. Als we de wind langs de zijkant hebben, duwt hij ons gewoon omver vanwege de kracht die hij dan kan zetten op de fietstassen. We moeten zelfs de remmen inhouden en beide voeten plat op de grond houden of we worden achteruitgeblazen. Zo'n windstoot duurt 20 à 30 seconden en valt dan plots weg. Wanneer we niet op het asfalt staan met zo'n windstoot maar op het grind naast de weg, dan duwt de wind ons gewoon terug naar beneden, bergaf, terwijl we de remmen ingetrokken houden. En soms staan we wel degelijk op het grind, want de 10 meter die we kunnen rijden is niet altijd in de richting die wij willen. De windstoten volgen elkaar sneller en sneller op en na bijna een uur zijn we amper 200 meter gevorderd. En wat er ons te wachten staat in de verte ziet er niet goed uit, nl. een onbeschutte weg met een steile afgrond. Een oude pick-up truck met 2 mannen stopt en zegt dat we de fietsen best inladen. Eigenlijk zeggen ze niet veel, maar gebaren, we verstaan enkel het woord "peligroso" (= gevaarlijk), want vanwege de wind kunnen we elkaar gewoonweg niet meer verstaan, het is zo goed als onmogelijk om te spreken. We twijfelen even, maar gaan dan samen met de fietsen in de achterbak zitten. De situatie is veel te gevaarlijk geworden en het is tijd dat we onze koppigheid opbergen en plaats maken voor gezond verstand. De pick-up heeft het ook zwaar te verduren en een paar keer lijkt het zelfs dat de wind heel het boeltje de weg wil afblazen. We rijden verderop nog door een heel mooi landschap met grillige maar prachtige rotsformaties in een omgeving vol met sierlijke araucarias. We proberen ervan te genieten in de hevig heen en weer schuddende houten bak achterin de pick-up terwijl we compleet bevroren en ineengetrokken beschutting zoeken tegen de koude wind. Iets verder stopt de man aan een cabaña. "Als je wil, kan je deze huren. Hij is van mij." zegt hij. We bekijken elkaar en vragen ons af of dit nu Argentijnse vriendelijkheid is of Argentijnse commercie. De man vraagt al niet te veel voor zijn prachtig gelegen cabaña, maar we krijgen de prijs nog wat lager en betalen uiteindelijk 12,50 euro. Het alternatief zou zijn 2 km verder te fietsen naar de Argentijnse grenspost en daar onze tent op te zetten, maar met deze wind is dat onbegonnen werk. En hier weten we tenminste wat we hebben. Trouwens, de lucht kleurt heel donker. We warmen ons op aan de houtstoof van de cabaña terwijl de wind er met volle kracht op inbeukt. Nu pas voelen we hoe koud we het hebben. De eigenaar keert terug naar Las Lajas en we hebben het rijk voor ons alleen. Wanneer we 's avonds aan het koken zijn, komt buurman Juan, aan wie de eigenaar ons had voorgesteld, een bezoekje brengen. We praten met de man terwijl de regen tegen de ramen klettert.

 

17 november 2007 2.5 km ten oosten van grenspost Pino Hachado - Paso Pino Hachado (1864m) - Lonquimay (1040m) (Chili) 77.7 km (714 meters geklommen)

Wanneer we wakker worden, regent het nog lichtjes en de wind heeft het grootste deel van zijn kracht verloren, maar het is wel koud, slechts 8 graden. We treuzelen een beetje bij het ontbijt in de hoop dat de regen stopt. Wanneer het enkel nog miezert, trekken we onze regenpakken aan om te vertrekken. We gaan de sleutel van de cabaña ernaast bij Juan afgeven, maar het duurt een half uur eer hij opendoet. Hij was volgens ons bezig aan zijn pre-siësta. Na nog wat klimwerk komen we na 2,5 km bij de grenspost. Er is weinig volk, maar het gaat hier tergend langzaam alsof ze het voor de eerste maal doen. We moeten ook nog langs de douane, zegt de immigratiebeambte ons. Na 15 minuten wachten, vragen we aan de man die doet of we er niet zijn "Wat moeten wij hier komen doen?". We zeggen dat we met de fiets zijn en de man zegt "Dan kunnen jullie gaan. Of toch niet, wacht, even vragen". Ze twijfelen of we iets moeten doen, waarop Marc zegt "We hadden geen papier nodig om binnen te komen, dan hebben we er waarschijnlijk ook geen nodig om buiten te gaan". "OK" zegt de man en we mogen eindelijk gaan. Aan een vrachtwagenchauffeur vragen we hoe de weg is. "Nog 2 km asfalt, daarna is het gedaan tot Chili". Het is ondertussen terug beginnen te regenen en op een modderachtig parcours proberen we de resterende kilometers tegen de wind in af te leggen naar de pas Pino Hachado, die de natuurlijke grens vormt met Chili. Ook hier staat het vol met enorme araucariabomen die het landschap sieren. We zitten aan de sneeuwgrens en het is hier ijskoud, we meten 3 graden. De wind is nu ook weer heviger komen aanzetten en daar bovenop krijgen we nog een ferme hagelbui over ons heen. De hagel is ijskoud en striemt pijnlijk in ons gezicht. Na enkele kilometers afzien, bereiken we de top en het asfalt dat ons verwelkomt in Chili. Aan de horizon in de diepte van het dal zien we dat het daar veel beter weer is en we haasten er ons naartoe. We belanden in een overvloed aan groene natuurpracht zoals we er lang geen meer gezien hebben in Argentinië. Na zo'n 20 km hoofdzakelijk afdaling komen we in het dorpje Liucura waar de Chileense grenspost zich bevindt. De grensovergang verloopt vlot, maar de douane wil toch nog eens snel Marc's bagage doorzoeken. Je mag immers geen groenten of fruit in Chili binnenbrengen, maar ze kijken over de bananen die we bijhebben heen. Even verder eten we in een bushokje ons middagmaal, beschut tegen de wind. Er is hier inderdaad ook wind, maar het is een veel lichtere versie. Marc heeft een barstende hoofdpijn van die ijskoude hagel op zijn voorhoofd. Zijn hersens lijken bevroren, voor zover dat mogelijk is. De weg die volgt gaat constant op en neer als golven door het landschap, soms zelfs vrij pittige golfjes. En overal zien we rivieren en beekjes van het helderste bronwater. En vogels zijn hier ook massaal aanwezig. De meest opvallende is de bandurria, een vogel die op een kruising tussen een ooievaar en een eend lijkt. Hij heeft een lange, dunne, kromme snavel en maakt een kenmerkend geluid wanneer hij elegant door de lucht vliegt, het geluid van een kleine toeter. De eerste keren dat we het geluid horen, kijken we rond ons om dan te beseffen dat het de vogel is die dit geluid maakt. De mensen wonen hier in houten chalets, soms niet groter dan een tuinhuisje, niet één huis is in steen opgebouwd. Zoals in Argentinië zijn de velden hier eveneens hermetisch afgesloten met prikkeldraad. En ook hier sieren besneeuwde toppen het landschap. Het blijft een bewolkte, kille dag en tegen de avond krijgen we af en toe een regenbui over ons heen. We zoeken een slaapplaats in het dorpje Lonquimay. Het dorpje ziet er wat onecht uit omdat het ook compleet bestaat uit houten chalets. Met moeite vinden we een winkel met eten, want in tegenstelling tot het buurland, gaan de winkels hier wel vroeg dicht.

 

18 november 2007 Lonquimay - Curacautin (684m) 75.1 km (618 meters geklommen) + 4,5 km in pick-up door tunnel

Het personeel van ons hotelletje zit in de keuken achter een warme kachel, terwijl wij ons ontbijt nuttigen naast de werkloze kachel in de koude ontbijtzaal. We meten er 8 graden. Het is al na 9 uur eer we vertrekken en het is buiten nog steeds slechts 8 graden. We gaan op zoek naar nog wat eten voor onderweg, maar de meeste winkels gaan pas open rond 10 uur. Er hangt heel de morgen een lage bewolking, maar de zon lijkt er stilaan gaten in te branden. Wanneer de zon nog toeneemt on kracht, worden in korte tijd de bergen om ons heen ontsluierd. Nu we het gehele plaatje te zien krijgen, wordt alles nog mooier. De weg gaat op en neer, kronkelend doorheen het landschap, juist genoeg om ons iedere maal een andere kijk op de omgeving te bieden. Een condor komt zeer laag over ons heen cirkelen. We zijn zo onder de indruk dat we vergeten een foto te nemen. Van overal uit de bergen komt er vers water naar omlaag gevloeid om de snelstromende rivieren te bevoorraden. De weg stopt aan een slagboom voor een tunnel die 4,5 km lang is. We worden tegengehouden door een bediende die zegt dat we er met de fiets niet door mogen rijden. De tunnel bestaat slechts uit één rijstrook, en met behulp van de bareel en een verkeerslicht wordt er aan iedere kant beurtelings verkeer doorgelaten. We moeten wachten op een vriendelijke chauffeur die ons wil meenemen. We vrezen even dat dat wel eens lang zou kunnen duren, want tot nu toe zagen we zeer weinig verkeer op deze weg, waarschijnlijk temeer omdat het zondagvoormiddag is. Maar mede met de hulp van de tunnelbediende staat er al gauw een pick-up truck die ons mee wil nemen. We laden snel de fietsen in de bak en kruipen er bij. De pick-up raast tegen hoge snelheid door de erg smalle tunnel op de voet gevolgd door een grote tankwagen met gas. De tankwagen neemt bijna de hele breedte van de tunnel in, er is nauwelijks 50 cm aan iedere kant over. Als onze chauffeur nu een noodstop moet maken, ziet het er echt niet goed uit met die tankwagen zo dicht op onze hielen, echt onverantwoord. Met de fiets er doorgaan is onmogelijk, als het al zou toegelaten zijn. De enige manier zou zijn de tunnel aan beide kanten af te sluiten en wachten tot de fietsers er door zijn, maar dat doen ze begrijpelijkerwijze niet, want dan zouden de wachttijden voor het gemotoriseerde verkeer nog oplopen. Halfbevroren van de koude wind in de tunnel rijden we terug het warme zonlicht in. Vanaf hier kunnen we weer per fiets verder. We stoppen aan een politiepost en vragen hoe we naar het Conguillio-pak kunnen geraken en ze leggen ons een klein, korter onverhard weggetje uit. Een beetje verder komen we twee pauzerende fietsers tegen. Het zijn Tom en Emily, een Canadees koppel dat hier voor een maand komt rondtoeren. Na even met hen gebabbeld te hebben, rijden we van de geasfalteerde weg af een hangbrug over en krijgen een zeer steile klim te verwerken. Per geluk ligt de ongeasfalteerde weg er prima bij en hij is goed berijdbaar. Ongelooflijk dat er nog zo'n mooie en rustige plekjes op de wereld bestaan. Op het geluid van de vogels na is het muisstil. Aan een splitsing twijfelen we even. We zien een hond lopen en zoeken even of er een man bijhoort. We hebben geluk en hij stuurt ons op het juiste pad voor het Conguillio-park. Plots zien we de enorme spitse vulkaan waarrond het park ligt verschijnen. De vulkaan is volledig wit besneeuwd. We komen via ons kleine weggetje op de ongeasfalteerde hoofdweg naar het park en vragen hoe ver de meren in het park nog zijn. Nog 22 km en heel veel klimmen, zeggen ze ons. Even later worden we gestopt door een Zwitsers toeristenkoppel in een huurauto die ons vertellen dat we niet door het park kunnen rijden. Er zou daarboven nog steeds 2 meter sneeuw, zelfs de mooie lagunas zijn onbereikbaar. De Zwitsers André en Brigitt vertellen ons dat we nog meer dan 15 km verder zouden kunnen, maar dan stopt de weg abrupt voor één grote sneeuwmuur. We bedanken hen hartelijk voor de info, maar vragen toch nog even rond bij de lokale mensen. En inderdaad, het park is daadwerkelijk gesloten. Normaal zou het toegankelijk moeten zijn in deze tijd van het jaar, maar vanwege de erg strenge winter met veel sneeuwval die ze hier dit jaar hadden, is nog niet alles gesmolten. Een geluk dat we die toeristen tegenkwamen. Anders was het een lange klim voor niet geweest. Bovendien hadden we dan tegen het donker worden bovengestaan en zouden we geen tijd meer gehad hebben om nog af te dalen. Onbegrijpelijk dat noch de politie noch de lokale bevolking ons hierover niets gezegd hebben. Maa dit wil wel zeggen dat we nu in plaats van door het park zuidwaarts te gaan, helemaal zullen moeten omrijden via de grote stad Temuco. Er zit niets anders op. Een beetje teleurgesteld fietsen we terug en rijden naar het stadje Curacautin, waar we een goedkope slaapplaats vinden bij een oude mevrouw die kamers verhuurt.

 

19 november 2007 Curacautin - Temuco (107m) 88.5 km (396 meters geklommen)

Wanneer we 's morgens willen vertrekken, zegt de mevrouw ons dat we niet mogen zeggen dat we hier geslapen hebben, moesten we een inspecteur tegenkomen. In Chili is er immers erge controle van de belastingsdienst. Voor alles wat je hier koopt, hoe klein ook, krijg je een bonnetje en er lopen blijkbaar controleurs rond om na te gaan of je het hebt gekregen. De weg loopt nog altijd door een mooi gebied en de besneeuwde toppen blijven steeds zichtbaar. Dat is het enige dat verraadt dat we in Chili zijn, want soms doet het ons erg aan de Ardennen in België denken. Maar die verdomde prikkeldraad laat je amper toe een rustig plekje te vinden om je behoefte te doen. Verkoop van prikkeldraad is volgens ons een bloeiende handel zowel in Argentinië als in Chili. Je vindt er honderden, zoniet duizenden kilometers van. In het noorden viel het nog mee, maar hoe meer zuidwaarts we trekken, hoe meer afgesloten alles is. In het stadje Lautaro zijn we verplicht om de autosnelweg op te rijden en die volgen we tot aan de afrit voor de stad Temuco. Per geluk is er een pechstrook waar we op kunnen rijden. Na nog eens 8 km over een drukke weg met nauwelijks plaats voor fietsers komen we op het centrale plein van Temuco aan. Wanneer we een slaapplaats aan het zoeken zijn, komt er plots een cameraploeg op ons af en vraagt ons of we voor een promotiespotje voor de stad Temuco iets voor de camera willen zeggen. We moeten allebei uitbundig met onze handen in de lucht roepen "Diviertete" wat wil zeggen "Amuseer je". Ze blijken tevreden met onze acteerprestatie. Na de fietsen in de garage van de familie waar we een kamer vonden geparkeerd te hebben, gaan we nog vlug op zoek naar een band alvorens de winkels sluiten, want Marc zijn achterband te swingen. Misschien heeft het land van oorsprong er iets mee te maken? De band is immers "Made in Brasil". Het is die band van 3 euro die we in Bolivia kochten. En het is misschien normaal dat hij het stilaan begeeft omdat we hem eigenlijk iets te hard oppompen om goed te kunnen rijden. Maar het is echt pover wat ze hier in Chili aan banden verkopen en uiteindelijk kopen we er geen. En Temuco is dan nog de grootste stad in de verre omstreken.

 

20 november 2007 Temuco - Villarrica (227m) 84.6 km (410 meters geklommen)

We rijden via een andere drukke weg 7 km terug naar de autosnelweg. Als we daar aankomen, zien we dat er een weg naast de autosnelweg loopt, maar niemand blijkt ons te kunnen zeggen hoe lang die parallel loopt, dus nemen we maar weer de pechstrook tot we ongeveer 25 km verder in het dorpje Freire aankomen, waar de afslag voor Villarrica is. We gaan ons snel bevoorraden in de lokale supermarkt. Er is een lawaai van jewelste in de straat. Een man en 2 grote luidsprekers produceren het geluid. Hij staat er luidkeels de waren van de supermarkt aan te prijzen alsof het een kermiskraam is. Tussendoor klinkt er luide hoempapamuziek. En dit in een dorp van een paar duizend inwoners. Alsof alle inwoners het moeten geweten hebben. De mensen die buiten aan de winkel zitten, laten alles met een verveeld gezicht aan zich voorbij gaan. Maar plots verschijnt er een brede glimlach op hun gezicht wanneer Christine op de maat van de muziek de winkel binnendanst. De kleinere weg die ons naar Villarrica leidt is nog vrij druk qua verkeer. De eerste tientallen kilometers komen we om de haverklap een kaasfabriekje tegen. De weg stevent recht op de besneeuwde vulkaan Villarrica af die kleine rookpluimpjes produceert. We hebben het allebei zwaar te verduren en weten niet goed waarom, het parcours is nochtans niet zwaar. Misschien hebben we beide een slechte dag, of hebben we gisteren iets slecht gegeten, of misschien hebben we gewoonweg nood aan een rustdag. De hitte zal ook wel een rol spelen. Het is vandaag 35 graden. Je lichaam heeft amper de tijd om zich aan te passen. Uiteindelijk komen we aan in het toeristische dorpje Villarrica. De gelijknamige 2840 meter hoge vulkaan en het gelijknamige 17300 ha grote meer glinsteren in de stralende zon.

 

21 november 2007 Villarrica (227m)

We besluiten hier een rustdag te houden, want we hebben hier een goedkope cabaña met keuken kunnen vinden. We kunnen hier lekker "bij-eten", want er is hier een grote supermarkt, een goede bakkerij en een ijssalon. Op weg naar de supermarkt eten we dan een ijsje en op de terugweg koeken van bij de bakker. En dan koken we in onze cabaña grote porties eten. Het is ongelooflijk hoeveel je kan (en moet) eten als je fietst, en ondanks dit verlies je nog steeds gewicht als je niet oppast. Behalve met koken houden we ons ook nog bezig met het, trouwens tevergeefs, zoeken naar een goede buitenband in de paar fietswinkels die Villarica rijk is, met kleren wassen, ketting en tandwielen schoonmaken, zadels invetten, aan de website werken, foto's op CD kopiëren en proviand inslaan voor de verdere tocht. Marc zet ook de Indonesische pedalen die we in Pareditas kochten op zijn fiets, want zijn rechterpedaal maakt weer een geluid. We gaan ook wat internetten. En zo wordt het weer een goedgevulde "rust"-dag.

 

22 november 2007 Villarrica - ten zuiden van Coihueco (235m) 73.1 km (742 meters geklommen)

Het is regenachtig vandaag. We doen onze regenpakken aan, maar tegen dat we buiten zijn, is het alweer gestopt. En wanneer we de regenpakken terug uitdoen begint het terug te regenen. We wachten tot het nog slechts een beetje miezert en besluiten dan toch maar zonder onze regenpakken aan te vertrekken. Van de vulkaan die het meer overschouwt valt niets te bespeuren, hij is volledig verscholen achter een wolkenmassa. We moeten toch nog een paar keer schuilen voor een korte bui. Bij de beklimming van een heuvel komt er uit de tegenovergestelde richting een grote Unimog-vrachtwagen voorbij gereden. Christine doet de naar woonwagen omgebouwde vrachtwagen met Belgische nummerplaten stoppen. Het zijn de franstalige Belgen Richard en Catherine die ondertussen al 14 jaar onderweg zijn en al een heel deel van de wereld met hun vrachtwagen hebben doorkruist. Ze gaan zelfs niet meer naar huis, ze hebben een lap grond gekocht ten zuiden van Mendoza in Argentinië. Catherine en Richard vertellen ons dat de grote autoferry die we van plan waren te nemen over het Pirihueico-meer om zo terug Argentinië binnen te gaan, defect is en dus niet rijdt maar er zou wel een kleine passagiersboot rijden. En terwijl we daar zo staan te babbelen, krijgen we het gezelschap van het met mobilhome reizende Duitse koppel Kris en Britta met hun vierkoppige kroost Talaja, Ithana, Marnas en Sivian. Ze maken een reis van 6 maanden. Na wat reisverhalen en info aan elkaar te hebben doorgegeven, vertrekken we. De tijd is weer voorbijgevlogen en het is al laat. We rijden voorbij een kleine puppy die ons begint te volgen. Na een kilometer loopt hij nog steeds achter ons aan. Marc kan hem afschudden, maar Christine klimt te traag en het hondje kan het tempo bijhouden. Wanneer we stoppen om het te proberen terug te sturen, komt het gewoon aan ons voeten liggen. We rijden snel weg, maar hij volgt. We gaan zelfs links op de pechstrook rijden, want anders loopt hij gewoon in het midden van de straat. Wanneer we bijna aan de heuveltop zijn, zien we onze kans schoon. We snellen de top over en maken snelheid zodanig dat hij ons niet meer kan volgen. Hopelijk loopt het hondje de boerderij binnen aan de top. In het dorpje Lican Ray proberen we ons te informeren of er een boot is in Puerto Fuy om ons over het Pirihueico-meer te zetten. In Villarrica hadden we al op de website gekeken voor info en de ferry bleek te varen, maar we hebben van Richard en Catherine met de Unimog vernomen dat de boot niet uitvaart omdat hij defect is, en zij waren daar 2 dagen geleden. Er zou wel een kleine passagiersboot zijn, maar we weten niet of die fietsen meeneemt. Aan de toeristinfo staan er luidsprekers buiten en klinkt er heel luide muziek, zo luid dat je op straat elkaar niet meer verstaat. We zijn al snel wijzer dat we niet veel wijzer zullen worden van de jonge snaak die het kantoor bemant en gaan dan maar eerst onze boterhammen opeten aan het prachtige meer dat er nu wat verlaten bijligt. In het seizoen (= januari en februari) is dit heel kleine dorpje de tweede favoriete toeristische bestemming van Chili, maar nu is het hier doodkalm. We proberen nu dan maar naar het infonummer van de ferry dat op de website stond te telefoneren, maar dat blijkt niet meer aangesloten te zijn. We hebben geen zin om door te rijden zonder dat we het weten want dat zou kunnen betekenen dat we langs dezelfde weg moeten terugkeren. We vragen het aan de politie die net voorbijkomt. We leggen heel het geval uit van de grote ferry die tijdelijk niet vaart en dat er een kleine passagiersboot zou zijn, maar wanneer en is dat mogelijk met fietsen, enz. "OK, ik zal het aan mijn collega's vragen via de radio, wacht 5 minuten" zegt de agent. Na een half uur komt de man bij ons en zegt "De grote ferry is defect en vaart niet" met een air alsof hij ons een grote dienst heeft bewezen. We moeten er op aandringen of hij toch nog eens wil informeren naar de kleine boot. "OK, geef me 15 minuten". Hij kruipt als passagier in de patrouillewagen. Er start aan het toeristinfokantoor met de luide muziek een koers met een paar schoolkinderen die op fietsen rijden waarvan sommigen met moeite aan de pedalen kunnen en anderen helemaal niet op hun zadel kunnen zitten. De patrouillewagen zet zich er voor en begint samen met de kinderen de hoofdstraat op en af te rijden, zo'n 2 km, heen en weer. Na een half uur doen we teken naar de agent in de wagen. Nog een paar minuten gebaart hij terug. Even later hetzelfde scenario en dit blijft zich maar herhalen, terwijl wij daar maar staan te staan als schuppen zot. Na een uur ontploft Marc bijna van woede wanneer de patrouillewagen voor de zoveelste maal komt voorbijgereden. We kijken nog eens rond of er niemand anders ons kan helpen, maar dat blijkt niet eenvoudig. Het lijkt ons meer dat ze eens een bal met mensen uit verder gelegen dorpen mogen organiseren. Uiteindelijk krijgen we info van de politie: "Ja, er is elke dag een kleine passagiersboot, en ja, ze nemen fietsen mee" en we besluiten het erop te wagen. Alhoewel we niet weten hoe betrouwbaar de info is, maar ze konden ons toch het vertrekuur zeggen, nl. om 12.30 uur, dat betekent toch al iets. Na bijna vier uren in dit verlaten dorpje te hebben doorgebracht, reppen we ons in zeven haasten om er nog zoveel mogelijk kilometers uit te halen vandaag voor het donker wordt. De weg loopt op en neer langs het mooie meer en via een kiezelweg snijden we binnendoor naar een volgend meer. En opnieuw krijgen we een op Zwitserland gelijkend landschap te zien. Het wordt laat en met bijna geen optie langs de kant van de weg vanwege de nooit stoppende prikkeldraad vagen we aan een dame die met haar dochtertje langs de kant van de weg zit of er ergens een plaats is waar we onze tent kunnen zetten. Ze zegt dat ze wel een plaatsje in haar tuin heeft. Haar dochtertje toont ons een plek op een hogergelegen perceel dat het meer overschouwt. De mevrouw en het meisje wonen in een armzalig huisje op een nog hoger gelegen perceel. Wanneer we voor onze tent het fantastische landschap zitten te bewonderen, komt het meisje langs en brengt ons een thermos met warm water en een bord vol met sopaipillas (= gefrituurde broodjes). En wij die dachten dat we moesten rantsoeneren voor morgen. En zo één simpele, vriendelijke geste laat je snel de frustraties van voordien vergeten.

 

23 november 2007 ten zuiden van Coihueco - Puerto Fuy (665m) 46.6 km (926 meters geklommen) + 36 km in zodiac over Lago Pirihueico naar Puerto Pirihueico

We staan om 5.30u op omdat we vóór 12.30u in Puerto Fuy willen zijn voor de passagiersboot. Het is maar 45 km, maar het asfalt eindigt al na een paar kilometer en we kennen het terrein niet. Het is koud, amper 6 graden, en alles in de tent voelt klam aan. Het mooie zicht op het meer warmt ons toch wat op. Om 7 uur zijn we eindelijk op de baan. De eerste 5 km zijn nog asfalt, daarna is het ermee gedaan. We moeten naar de kleinste versnelling schakelen om sommige van de klimmetjes te verwerken. Het landschap blijft mooi, het meer, de besneeuwde vulkaan, de eilandjes in het meer, af en toe een rivier, enz. Er komt toevallig een politiepatrouile langs van het vóór Puerto Fuy gelegen dorpje Choshuenco. We doen hen stoppen en ze bevestigen ons dat er elke dag een passagiersboot is. Oef, we zijn al wat geruster. De weg wordt vlakker en het lijkt dat we het zullen halen, maar je weet nooit. We komen onverwacht toch nog een winkeltje tegen waar we snel wat frisdrank en koekjes kopen. Volgens de mevrouw van het winkeltje is het nog een beetje klimmen en daarna vlak, maar wanneer we iets verder een groep toeristen op mountainbikes een helling zien komen afstuiven, weten we hoe laat het is. En inderdaad, de begeleider vertelt ons dat we de volgende 10 kilometer zullen moeten klimmen. Het ziet er plots moeilijker haalbaar uit. Onderweg zien we overvolle rivieren, sommige zo glashelder dat je de bodem klaar ziet. Het Zwitserse koppel dat we aan het Conguillio-park tegenkwamen en ons waarschuwde dat we niet door het park konden fietsen vanwege de sneeuw op de weg, komt toevallig voorbijgereden. Ze stoppen en we leggen hen de situatie uit. We vragen hen of ze in Puerto Fuy aan de kapitein kunnen zeggen dat er 2 fietsers op komst zijn, zodat we de boot niet voor onze neus zien vertrekken. We denken immers dat we, als we het niet halen, slechts 5 á 10 minuten te laat zullen zijn. We krijgen nog een lange steile klim te verwerken, maar komen uiteindelijk goed op tijd aan. Het is nog maar 12 uur. De Zwitsers komen ons tegemoet gereden, maar zeggen ons dat ze nog geen kleine boot gezien hebben, enkel de grote ferry met de defecte motor ligt aangemeerd. We bedanken de Zwitsers André en Brigitt, en nemen afscheid van hen. We vragen eens rond, maar de ene zegt dat er een passagiersboot is en de andere zegt van niet. We worden bijna gek, al die mensen wonen hier in een dorpje van 2 keer niks en zelfs hier geraken we nog niet aan info. Bij de marine worden we ook niet wijzer. Iedere keer opnieuw moeten we er zelf op wijzen dat er een kleine passagiersboot zou zijn alvorens ze het beamen. Ze beginnen allemaal met te zeggen dat er geen boot is. In een klein restaurantje vlak aan de aanlegsteiger zien we uiteindelijk een bordje hangen "Info en reservaties ferry". Maar ze vallen precies allemaal uit de lucht als je over een kleine passagiersboot begint, tot we van de kokkin horen dat de boot van 12.30u vandaag uitzonderlijk vertrokken is om 9.00u met een voorname delegatie. Om 16.00u zou hij opnieuw varen. We vragen of de fietsen mee kunnen, maar dat weet ze niet. Er zit dus niks anders op dan hier te wachten, maar het blijft onzeker of de boot vaart, om hoe laat hij vaart en of de fietsen mee kunnen. Als we niet meekunnen, moeten we dezelfde weg van de laatste dagen helemaal terugfietsen. Dus we hopen echt dat we overgezet worden naar de andere kant van het meer. Na vier uur wachten horen we dat de Chileense marine de paar mensen die hier aan het wachten zijn zal overzetten met een zodiac, omdat de boot te laat terug zal zijn. Maar de fietsen kunnen niet mee. Teleurgesteld luchten we eens goed ons hart en vertellen hen dat je met Chilenen niets kan aanvangen, dat we al drie dagen info proberen vast te krijgen over de boot, enz. De man van de marine zegt dat hij een tweede zodiac voor ons zal inleggen, maar hij wil ons een beetje schuldig doen voelen door te zeggen dat de gemeenschap voor de kosten opdraait. We antwoorden hem dat wij er niets mee te zien hebben dat de passagiersboot er vandaag uitzonderlijk niet is en dat we gerust tot morgen willen wachten als hij ons kan garanderen dat we morgen dan wél mee kunnen, want dat we geen zin hebben om hier dagen aan een stuk te zitten wachten. De man gaat de zaken regelen en we zijn blij dat we toch kunnen vertrekken. Of toch niet, ze kunnen toch maar één boot laten vertrekken. Weer teleurgesteld laten we de man in aanwezigheid van de paar mensen in het restaurant beloven dat we de passagiersboot van morgen zullen kunnen nemen, want voor de kleine passagiersboot is geen reservatie mogelijk. Met veel moeite krijgen we een mondelinge bevestiging. Niet goed wetende wat te doen, blijven we nog wat in het restaurant rondhangen en we denken eens na waar we de tent gaan opzetten, wanneer plots één van de passagiers komt binnengelopen om te vragen waar we blijven. We lopen met de fiets in de hand naar de marine, waar er 2 zodiacs klaarliggen. Er zijn nog twee extra mensen opgedaagd en we kunnen mee. We vertrekken met de 2 zodiacs, maar onderweg moeten wij overstappen naar de andere zodiac, terwijl we de fietsen in de ene zodiac moeten laten staan, kwestie van gewichtsverdeling. We scheuren in volle snelheid over het prachtige meer met zijn buitengewoon mooie omgeving. Door de wind zijn er golven en gaat het er soms hard aan toe. De marinier aan het roer neemt even de tijd om op een plaats te gaan kijken waar ze gisteren een poema aan de oever zagen. In deze streek zitten er immers veel poema's. Na 36 km en bijna anderhalf uur later komen we aan in Puerto Pirihueico, laden de fietsen uit en bedanken de 2 bestuurders van de zodiacs. De omgeving is zo onbeschrijfelijk mooi dat we dadelijk besluiten onze tent hier op te zetten. We hebben het strand voor ons alleen, er wonen enkel een paar mensen verderop. Dit is één van de mooiste plekken waar we ooit kampeerden, zo rustig en zo mooi.

 

24 november 2007 Puerto Pirihueico - Hua Hum grenspas (660m) 14.5 km (206 meters geklommen) + 35 km in zeilboot naar San Martin de los Andes (645m)

We worden wakker om 7.00u en het is nog ijskoud, slechts 2 graden. Marc maakt een kampvuur op het strand met het vele hout dat er ligt. We ontbijten al zittend op een boomstam die vlak voor het water ligt terwijl we ons nu al wat oude brood roosteren aan het vuur. Er is geen enkel golfje op het water en de besneeuwde bergtoppen weerspiegelen in het meer. Het enige dat we kunnen horen zijn de vogels, die fluiten er lustig op los. We hebben moeite om deze mooie plek te verlaten en het is al 10.00u voor we van start gaan. We rijden door een bos en steken rivieren over met kleine houten bruggetjes. Het water is zo klaar dat een visser zijn vis zou zien bijten. De weg ligt er goed bij en na enkele kleine klimmetjes en minder dan 10 km staan we aan de Chileense grenspost in het kleine dorpje Pirihueico. Ze zijn zeer vriendelijk, openen speciaal voor ons het loket en in korte tijd zijn we uitgestempeld. Ze kijken wel op als we zeggen dat we met de zodiac werden overgezet. Wanneer we vertrekken, doet de man de lichten terug uit in de levensloze douanepost. Het dorpje is niet meer dan een grote houtzagerij en een paar huisjes. Nog eens een paar kilometer verder ligt de Argentijnse grenspost. Een groot modern gebouw in het midden van het bos. Aan de omvang van dit gebouw te zien zou je denken dat er hier honderden mensen per dag langskomen, maar het gebouw is volledig verlaten. De douaniers zijn zelfs hun routine kwijt. Wanneer we onze paspoorten controleren, merken we dat ze het vergeten zijn af te stempelen. We waren bijna illegaal in Argentinië. Over een vrij goede kiezelweg rijden we tot aan een "hostería" (= hotel + restaurant) die aan het Nonthué-meer gelegen is. Het kleine Nonthué-meer is via een smalle doorgang verbonden met het grote Lacar-meer. We gaan wat brood kopen aan een huisje er tegenover om nadien op de steiger aan het water wat te gaan eten. Aan de steiger ligt een zeilbootje aangemeerd. De eigenaar komt wat met ons praten en wanneer hij hoort dat we van België zijn, zegt hij "Grote problemen in jullie land". We vallen even uit de lucht en denken dat er iets gebeurd is. Hij heeft op het nieuws vernomen dat we nog steeds geen regering hebben en dat er een grote strijd is tussen Walen en Vlamingen, maar dat wisten we dus wel al. Na een poosje gaat hij terug naar zijn boot, maar een paar minuten later staat hij er al terug "Als jullie willen, kunnen jullie mee met de zeilboot naar San Martin de los Andes". We zijn dadelijk akkoord om een zeiltripje te maken over dit fantastisch mooie meer. Bernardo en Inés zijn zeer gastvrij en vertellen ons dat er op het grote Lacar-meer amper 10 zeilbootjes zijn. Het water is zo glashelder in dit meer dat je tot 10 meter diep de bodem kunt zien. De met loofbomen begroeide bergen met witte toppen en het heldere blauwe water om ons heen maken van dit alles een unieke ervaring. In deze relaxe sfeer praten we met Bernardo en Inés en leren veel bij over het land en zijn bewoners. Zo komen we meer te weten over de vele dode koeien onderweg. Wanneer het kadaver volledig is, dan is de doodsoorzaak meestal een verkeersongeval of de extreme koude van de laatste winter, die uitzonderlijk streng was in Argentinië en Chili. Maar soms zagen we ook enkel een kop en poten liggen, en dan gaat het blijkbaar over diefstal. De koe wordt door de dieven ter plaatse doodgemaakt, ontdaan van kop en poten, en enkel de romp wordt meegenomen. Dat is amper twintig minuten werk en brengt duizend dollar op, een winstgevend zaakje. We horen ook dat het waterniveau twee meter hoger is dan normaal door het vele sneeuwwater uit de bergen dat op zijn beurt weer te wijten is aan de vele sneeuw van de afgelopen winter. Na een wondermooie tocht van 4 uur om het 35 km lange meer over te steken, komen we aan in San Martin de los Andes. Het dorp is vrij groot, mooi en verzorgd, maar het heeft iets artificieels, en het heeft ook iets weg van een skiresort. We gaan nog snel op zoek naar een achterband voor Marc en vinden een band waarvan we denken dat hij de laatste duizenden kilometers zou moeten doorstaan. Daarna gaan we op zoek naar onderdak en vinden een kamer in een mooi en verzorgd hostel met keuken. Het is vandaag een perfecte dag geweest.

 

25 november 2007 San Martin de los Andes (645m)

We houden een rustdag in dit mooie dorpje. We kuieren wat rond, maar het is heel kalm want de meeste winkels zijn dicht omdat het zondag is. We komen nog het Duits koppel Matthias en Ulrike (www.umdiewelt.de / Südamerika 2007) tegen die met de motor reizen. We wassen onze kleren en koken lekker eten in de keuken van ons hostel. Marc zet de nieuwe achterband op zijn fiets. We internetten wat en proberen onze foto's op DVD te branden, wat niet lukt, want opeens blijkt de DVD-brander in het internetcafé niet meer te werken. Gelukkig hebben we nog genoeg plaats op onze geheugenkaartjes. 's Avonds doen we nog vlug inkopen voor de rit van de volgende dag en daarna kruipen we vroeg in bed.

 

26 november 2007 San Martin de los Andes - Lajo Espejo Chico (846m) 92.4 km (1344 meters geklommen)

We zijn pas om 10.00u op de baan. Er staat al dadelijk een klim van 30 km op het programma, maar het mooie landschap brengt verlichting. Tijdens de beklimming merkt Marc dat de gaine van de versnellingskabel het begeven heeft. Misschien van het transport op de zeilboot? Maar hij kan nog schakelen door aan de kabel te trekken, dus rijden we door. Net over de top komen we een zeer volumineuze Deense fietser tegen die z'n fiets de laatste meters van de klim al duwend aan 't voortbewegen is. We praten een beetje en wisselen wat info uit. De weg waar we nu op rijden wordt de "Route van de 7 meren" genoemd. En bij het uitkijkpunt over het eerste meer houden we al een pauze om wat te eten. We maken er een wedstrijdje van en denken de helft van onze salami te geven aan de toerist die hier met de wagen stopt en het langst blijft genieten van het mooie landschap. De winnaar heeft een recordtijd van 2 minuten, maar spijtig genoeg is onze salami ondertussen al op. De kortste tijd behoort toe aan de wagen met toeristen waar het raampje omlaag ging, een arm en een fototoestel naar buiten kwam om nadien dadelijk door te rijden. We rijden voorbij het mooie Falkner-meer en zien er prachtig gevormde bergtoppen. Het landschap is zeer idyllisch. Het asfalt stopt en we rijden over een goed te berijden aardeweg. De Deense fietser zei ons nochtans dat de weg er slecht bij lag, het is maar wat je gewoon bent zeker. De weg is een opeenvolging van zeer steile klimmetjes en afdalingen. We komen er nog 2 bepakte Argentijnse fietsers uit Buenos Aires tegen, ééntje spreekt zelfs vlot Engels en na een klein gesprekje vervolgen we ieder weer onze weg van meer tot meer. Het is ondertussen bewolkt en er is een ijskoude wind komen opzetten. Wanneer we aan een bordje van een camping komen, besluiten we het voor bekeken te houden. Het is laat, het is koud en we weten niet wat er nog volgt. We moeten wel een zijpad nemen, want het ligt 2 km van de weg, aan het kleinere meer Espejo Chico. wat betekent "Kleine Spiegel". Het pad is zo zanderig dat we de fietsen moeten duwen, en gaat bovendien constant op en neer. We denken nog even om onze tent hier neer te planten, wat volgens de regels van dit natuurpark "Nahuel Huapi" eigenlijk niet mag. De camping is vrij duur voor wat we krijgen. Er is namelijk niets, geen water en geen licht. "Allemaal afgesloten" zeg de norse eigenaar, "omdat er op dit moment toch geen klanten zijn". We willen nog zeggen dat wij nu toch betalende klanten zijn, maar we zijn te moe om te beginnen discussiëren, het parcours was zwaar vandaag, en het is al laat genoeg. We willen zo vlug mogelijk eten en de tent in. We kunnen wel water van de kraan in de eigenaar zijn huis krijgen en vullen er onze waterzak. We hadden toch beter wild gekampeerd. Christine vraagt of we onze matrasjes in een leegstaand houten hok mogen leggen, dan hoeven we de tent niet op te zetten, het zal wat warmer zijn en dan kunnen we ook vroeger weg 's morgens. Geen probleem, maar het kost ons dan wel 10 euro, wat hier een redelijk hoog bedrag is. De ouwe geldwolf wil er nog wat munt uit slaan. Voor iets meer heb je hier soms al een kamer met bed en lakens, en met eigen badkamer. We zetten dan maar de tent op onder een afdak, een beetje beschut tegen de dauw en de kou. We meten nog slechts 6 graden op ons thermometertje.

 

27 november 2007 Lajo Espejo Chico - Bariloche (770m) 111.5 km (1114 meters geklommen)

De koude wind is verdwenen en onze tent staat in een ochtendzonnetje. De ijskoude ochtend die we verwacht hadden blijft uit. In het kleine meer weerspiegelen de besneeuwde toppen, zoals de naam van het meer aangeeft. We plooien alles snel op en Marc steekt nog snel een nieuwe versnellingskabel op z'n fiets. Toch iets handiger met die talrijke kleine klimmetjes. En het is nodig, want de klimmetjes die volgen zijn kort maar best pittig. En de vele wegenwerken op dit laatste stukje ongeasfalteerde weg maken het er niet gemakkelijker op. Maar het blijft al bij al een redelijk goede weg. En de opeenvolgende meren maken het zeker de moeite waard. Na 15 km bereiken we het asfalt en zijn we verlost van alle stofwolken van het vrij druk toeristisch verkeer op deze weg. Na enkele kilometers staan we aan het immens grote Nahuel Huapi-meer, waar ook het nationaal park naar vernoemd is. Vooral de grootte van het meer en de besneeuwde bergtoppen die heel de horizon bestrijken maken het onbeschrijfelijk mooi. Enkel een fractie van de schoonheid is vast te leggen op foto en dan doe je de totaliteit nog steeds oneer aan. De overweldigend geel bloeiende struiken langs de kant van de weg in combinatie met andere kleurige bloemen maken van dit alles een kleurrijk geheel. In het dorp Villa La Angostura bevoorraden we ons om verderop aan het meer te piknikken. De weg loopt tientallen kilometers langs het meer en de besneeuwde bergketen achter het meer lijkt eindeloos lang. En dan gebeurt er iets dat ons nog niet vaak overkwam in Argentinië we hebben rugwind. De weg verwijdert zich even van het meer en met enkele langere klimmetjes trekken we een paar heuvels over. In een afdaling komen we 3 jonge enthousiaste Canadese meisjes per fiets tegen. Lynda, Christina en Sarah zijn in de hoofdstad vertrokken, maar hebben ondertussen al redelijk wat rondgebust, om dan hier en daar een stukje te fietsen. Ze lijken ons redelijk onervaren, en na een lang gesprek en wat info te hebben doorgegeven, zeggen we hen dat ze beter kunnen doormaken als ze niet in deze dorre heuvels willen slapen. Maar toch bewonderenswaardig dat ze het op deze soms wel harde manier willen proberen. We komen terug op de ruta 40 trecht en met een grote U-bocht rond het meer en de wind teug op de neus, belanden we over een vrij drukke weg in Bariloche. We moeten nog wat rondrijden eer we een geschikt onderkomen hebben gevonden, en met de steile straten in deze stad is dat geen pretje. Uiteindelijk komen we in een hotelletje terecht bij een vriendelijke man van wie we onze fietsen in onze kamer mogen parkeren.

 

28 - 30 november 2007 Bariloche (770m)

We blijven hier een paar dagen. We hebben een goede kamer en we hebben hier winkels boordevol eten binnen handbereik om eens goed bij te eten. Wat wil je nog meer als fietser? Bovendien is Bariloche een redelijk aangename stad, en ze ligt in een prachtige omgeving. In de winter komt men hier ook skiën. Wij doen hier weer de gebruikelijke klusjes, zoals kleren wassen, mailen, aan websiteverslag werken, foto's selecteren voor website, foto's kopiëren, verdere route plannen, bevoorraden voor verdere ritten, enz. We gaan ook een lekkere Argentijnse steak eten. Het vlees ligt mooi uitgestald en wordt ter plaatse in het restaurant aan een open vuur, met schouw uiteraard, gegrild. Allemaal best gezellig, maar bij ons zou het nooit goedgekeurd worden, vooral het niet-gekoeld uitstallen van het vlees zou een doorn in het oog zijn van de gezondheidsinspectie. Wij liggen er niet van wakker en laten het ons smaken. Bariloche is ook gekend voor zijn chocolade. Je vindt hier dan ook ontzettend veel chocolawinkels, sommigen zo groot als een supermarkt. Spijtig genoeg is de chocola hier vrij duur, zodat we er niet al te veel kunnen van proeven. We doen wat sightseeing en bekijken het Centro Civico, ontworpen door architect Bustillo in een stijl die Europees (Zwitsers) is maar uitgevoerd met Patagonisch hout en stenen. Op 10 km van hier, aan het meer, ligt trouwens de Colonia Suiza, een dorp dat gesticht werd door Zwitserse kolonisten. We doen een uitstapje naar Cerro Campanario, een heuvel waar we op gaan met een teleferiek en vanaf waar we een machtig zicht hebben op de meren en de bergen erom heen. Het grootste meer is Nahuel Huapi dat meer dan 100 km lang is. In het westen zien we hoge besneeuwde bergtoppen die de grens vormen tussen Argentinië en Chili. De hoogste top is de berg Tronador, een uitgedoofde vulkaan, met zijn 3554 meter. In de verte zien we aan de oevers van het meer ook het Llao Llao Hotel liggen, Argentinië's meest bekende hotel. En ook de Colonia Suiza is goed te zien. Verder zien we nog een aantal kleinere meren, zoals Lago Trebol, in de vorm van een klavertje vier. We brengen een paar aangename dagen door in Bariloche, waarna we weer verder fietsen.

 

1 december 2007 Bariloche - El Bolson (300m) 126.8 km (1245 meters geklommen)

Er is redelijk wat wind vanmorgen. Om Bariloche uit te rijden, krijgen we dadelijk een steile klim om u tegen te zeggen te verwerken. De bergtoppen verschuilen zich een beetje achter een wolkenmassa. En als de zon dit ook doet, is het bar koud. Wanneer de wind nog wat aantrekt, zijn we even bang dat het weer een harde dag gaat worden, maar na een tiental kilometer krijgen we bescherming van de bergen en valt de wind zelfs compleet weg. Af en toe vallen er druppels uit de lucht, maar deze zijn sneller opgedroogd dan dat ze ons echt nat kunnen maken. Het landschap bestaat weer uit verschillende meren en besneeuwde toppen die elkaar beconcurreren in hun schoonheid. En het verloop van de weg bestaat uit lange klims en afdalingen. De bermen staan bezaaid met bloemen in allerlei kleuren en dit in combinatie met de gele struiken maakt van het geheel een kleurig boeket dat menig tuinier zou doen dromen. De landschappen zijn weer fenomenaal, maar toch hebben we een beetje spijt dat we vanwege de wolken niet het hele spektakel te zien krijgen. Sommige van de mooi gevormde toppen blijven voor ons verscholen. Na 123 km komen we aan in het toeristische dorpje El Bolson. Bij het binnenrijden komen we voorbij de artisanale brouwerij van het bier "El Bolson" annex camping, originele combinatie.

 

2 december 2007 El Bolson (300m)

We hebben hier een goedkoop appartamentje met keukentje gevonden en blijven hier een dag. Het is een zonnige dag en we kuieren wat rond. In El Bolson wonen nogal wat artiesten die hun kunstwerken en artesania uitstallen op een marktje waar ook allerlei eet- en drinkkraampjes staan. Er worden zelfs Belgische wafels verkocht.

 

3 december 2007 El Bolson - Villa Lago Rivadavia (528m) 92.4 km (937 meters geklommen)

Het is maar fris vanmorgen. De lucht is bewolkt en er is veel wind. We vertrekken laat vandaag, want we willen snel nog enkele zaken afhandelen die we gisteren niet konden doen omdat het zondag was. Zo gaan we snel naar het postkantoor om een pakje met overtollig gewicht naar huis te sturen. De eerste 50 km zijn nog geasfalteerd, maar nadien wordt het weer afzien over een slechte ongeasfalteerde weg. Door wegenwerken die lijken stilgevallen te zijn, ligt de weg vol met een dikke laag keien wat het fietsen zeer moeilijk maakt. We zien dat sommige wagens het zanderig aardebaantje ernaast volgen en we proberen het ook. Het rijdt beter, maar nu krijgen we bij ieder voertuig dat langskomt een stofwolk over ons heen. En doordat de wind pal in het aangezicht blaast, hebben we er lang last van. Zelfs als de wagen al tientallen meters voor ons rijdt, komt het stof nog onze richting uit. Het is een keuze tussen slecht of slechter, maar op dit zijbaantje vorderen we tenminste, alhoewel de staat ervan ook aanzienlijk slecht is. Na 30 km ploeteren, stoppen de wegenwerken en is er toch enige verbetering in het wegdek. We rijden voorbij het dorpje Cholila waarvan men denkt dat Butch Cassidy en de Sundance Kid er in de buurt gewoond zouden hebben. Ze zouden hier een ranch begonnen zijn nadat ze hun vrijbuitersbestaan vaarwel hadden gezegd. Maar na al dan niet valselijk beschuldigd te zijn van een bankoverval in de buurt, hebben ze de biezen moeten nemen en zijn naar Bolivia gevlucht waar ze na een treinoverval werden gedood. Alhoewel het al laat is, besluiten we nog door te rijden. De koude wind neemt toe in kracht en wij verspelen onze laatste krachten over het heuvelig parcours. Verkleumd van de kou komen we aan in het levenloos lijkende dorpje Villa Lago Rivadavia. Aan een domein met cabañas vragen we hoeveel ze kosten, maar ze blijken veel te duur (50 euro) en de man is weinig behulpzaam. We mogen zelfs onze tent niet opzetten op zijn ontzettend grote pelouse, en dat terwijl er geen andere gasten zijn. En hij voegt er nog aan toe "En hier zomaar ergens in het veld mag het ook niet want dat is allemaal privé bezit". We gaan dan maar naar het kleine politiekantoor van het dorpje en vragen of ze een plek weten voor ons om te overnachten. Ze vinden het zelf te koud om te kamperen, "dit is geen weer om buiten op de grond te liggen", en we mogen onze matrasjes in hun keukentje leggen. Perfect voor ons, in het kantoor is verwarming en in het armzalige keukentje staat een kookvuurtje. Het keukentje is zo klein dat Christine onder de tafel moet slapen, maar ons hoor je niet klagen. 's Nachts horen we de hevige wind op het kantoortje inbeuken en zijn we maar wat blij dat we binnen liggen.

 

4 december 2007 Villa Lago Rivadavia - Trevelin (343m) 91.8 km (1159 meters geklommen) + 5 km in Trevelin

Om 8.30u staan we klaar om te vertrekken en bedanken de vriendelijke man nog eens hartelijk. Na enkele kilometers rijden we het natuurpark "Los Alerces" binnen. De weg door het park is zéér heuvelachtig en zit vol met steile klimmetjes, en nog steeds ongeasfalteerd, maar het is genieten van het mooie landschap. Het is een mooi recept van besneeuwde toppen, grote meren, grote bomen, bloemen, vogels en nog veel meer. Het park ligt er verlaten bij, op een zeldzaam voertuig dat ons voorbijrijdt na. Het is warm in het zonnetje, maar zodra er een wolk voor komt, wordt het kil. Na het park krijgen we even asfalt en de omgeving blijft geweldig mooi, maar de laatste 10 km naar het dorp Trevelin krijgen we weer een slechte aardeweg vol met dikke stenen te verwerken. Het is al laat wanneer we er aankomen en gaan een kijkje nemen in het Hostel Casa Verde dat op een steil heuveltje ligt. De zelfgenoegzame eigenaar is alles behalve behulpzaam. Onze fietsen moeten achter in de tuin in een hok, maar kunnen pas binnen gezet worden als hij gedaan heeft met eten samen met zijn vrienden in het hok. Hij wil niet zeggen om hoe laat dat ongeveer zal zijn, hij zal ze wel zelf binnen zetten als ze gedaan hebben met eten, zegt hij. We nemen een kijkje in het hok en zien dat er alles klaar staat voor een feestje, er staat een gedekte tafel en een barbecue, op een kast staan veel flessen, er staat een muziekinstallatie en er ligt een gitaar. Geen haar op ons hoofd die eraan denkt om onze fietsen buiten te laten staan tot hij ze wil binnen zetten. We willen ze nog liever buiten in een open stalletje op slot zetten en vragen hem of dat veilig is, maar hij zegt beter van niet, want er is geen omheining rond zijn tuin, ze moeten binnen. Maar ze daar los buiten laten staan tot hij gedaan heeft met feesten kan dan wel. Christine wil ondertusen de tassen in de slaapzaal zetten, maar dit kan ook weer niet, ze moeten op de gang blijven staan. Weer een discussie met argumenten dat het hier betrouwbaar is, enz., maar na wat gepraat mogen ze dan toch in de slaapzaal naast en onder ons bed. Ondertussen hebben we nog altijd geen goede oplossing voor de fietsen. Christine doet nogmaals een onderhandelingspoging om onze fietsen alsnog in de ruimte in het huis te kunnen zetten waar ze nog aan het werken zijn. Wanneer de man tegen Christine zegt dat hij hier de baas is en dat wij naar hem moeten luisteren, schiet Marc het huis binnen en zegt dat hij een beetje meer respect moet hebben voor zijn klanten. Hij antwoordt dat het zijn huis is en dat we ons moeten schikken naar zijn regels, en als dat ons niet aanstaat, kunnen we nog altijd vertrekken. Marc pakt ons boeltje op en zegt dat hij aan ons geen cent zal verdienen. De man doet wat onverschillig, tot Marc hem zegt dat hij één ding vergeet en dat is dat we ondertussen in het internettijdperk zitten en dat informatie tussen reizigers zich pijlsnel verspreidt. De man probeert de situatie nog wat te redden, maar het komt erop neer dat wij moeilijke klanten zijn. We zeggen dat hij nog veel te leren heeft, terwijl we in het donker onze fietsen bepakken. In de kou en in het donker rijden we de steile heuvel af op zoek naar een slaapplaats. We komen een hotel tegen dat duurder is, maar het kan ons niet schelen. We hebben kou en zijn moe. De vriendelijke mevrouw van het hotel zegt dadelijk dat we de fietsen kunnen binnenzetten, zonder dat we ernaar vragen, en nog wel in hun chique eetzaal. Ze is zo aardig dat we het nare voorval van daarnet snel vergeten zijn. De kamers zijn hun geld ook meer dan waard, met centrale verwarming en een lekker warme douche. Na nog vlug een boterham en een douche liggen we snel te ronken.

 

5 december 2007 Trevelin (Argentinië) - Futaleufu (Chili) (350) 52.6 km (357 meters geklommen)

Na een lekker ontbijt en een leuke babbel met de vrouw van het hotel die eigenlijk uit Buenos Aires komt, vertrekken we richting Chileense grens. Er staat weer een hevige wind en alhoewel het zonnig is, verschijnen er dreigende wolken aan de lucht. We komen net aan een winkeltje wanneer de eerste druppels uit de lucht beginnen te vallen. Het rustieke winkeltje lijkt al decennia lang onaangeroerd. Een elektricien is een elektriciteitskast aan het plaatsen en doet dit op een zeer amateuristische wijze. We bestellen "tortas fritas" (=gefrituurd brood, in Chili wordt dit sopaipilla genoemd) die het oud vrouwtje van de winkel eerst voor ons warm maakt. De vrouw vertelt ons dat het te koud is voor de tijd van het jaar en dat er teveel wind is, terwijl anderen dan soms weer beweren dat dit normaal is. Na de vlaag rijden we over een mooi parcours naar de grens waar we vlot worden uitgestempeld. We ontmoeten er een Australische vader en zoon die een korte motortocht maken door Argentinië en Chili. De vader, die voor zijn werk soms in Andahuaylas in Peru komt, is verbaasd als we hem vertellen dat we daar door de bergen zijn gefietst. De Chileense grens gaat al even vlot en we komen nog voor een leuke verrassing te staan. De 12 km die volgen zijn geasfalteerd! En dat helpt ons toch wat vlotter over een paar steile klimmetjes heen. Futaleufu is zo een dorpje met een naam waarvan je denkt dat je dat eens moet gezien hebben, maar het is een alledaags Chileens dorpje bestaande uit houten bungalows en weinig winkeltjes. Hier zijn wel enkele hotelletjes voor de toeristen die van hieruit op één van de nabijgelegen woeste rivieren gaan raften. Maar in deze periode is het hier doods en valt er geen toerist te bespeuren. We nemen in één van de hospedajes een kamer, want het begint weer te regenen. De kamers zijn eigenlijk vrij goedkoop hier, maar wat je ervoor krijgt is dan ook naar verhouding. Meestal verhuren de mensen in hun eigen houten huisje een gammele kamer net iets groter dan de 2 enkele bedjes die erin staan en met een schuinaflopend plafond. Je kunt je er niet draaien of keren. Je stoot constant ergens tegen. En je gebruikt gewoon de badkamer van die zij gebruiken. De badkamers lijken meestal door een klungelaar te zijn ineen geflanst met recuperatiemateriaal. Maar voor ons meer dan goed genoeg, we liggen droog, kunnen ons warm douchen, en in de woonkamer staat een houtkachel te branden waaraan we ons kunnen opwarmen, en er is elektriciteit om de batterijen van het fototoestel op te laden, meer vragen we niet. Maar dat Chili een welvarend land is, vinden we fel overroepen. Rond de hoofdstad is dat misschien zo, maar hier in het zuiden gaat het er vrij armzalig aan toe.

 

6 december 2007 Futaleufu - Villa Santa Lucia (211m) 78.2 km (943 meters geklommen)

Honderd meter buiten het dorp rijden we weer een ongeasfalteerde weg op. De steilheid van de opeenvolgende klimmetjes en het oneffen wegdek maken van het fietsen hier een loodzware karwei. Wetende dat er nog honderden kilometers van dit soort weg voor ons liggen, helpt niet echt voor de moraal. Zulke ritten moet je gewoon van dag tot dag bekijken, anders wordt het te zwaar. Maar zoals altijd maakt het landschap hier veel goed. Er lopen een paar sterk stromende rivieren die hun bevoorrading krijgen uit de talrijke kleinere stroompjes en watervallen die uit de bergen komen. Het kost ons veel tijd en krachten om de eerste 45 km te overbruggen. We komen de Australische motorrijders van gisteren weer tegen die een daguitstap naar het stadje Chaitén maakten en nu op de terugweg zijn. Volgens hen zijn de 30 kilometers die volgen vrij vlak tot aan de Carretera Austral (= "Zuidelijke weg", bekende baan die van Puerto Montt naar Villa O'Higgins loopt, 1.200 km). Op het kruispunt zou een dorp moeten zijn, maar dat kunnen ze zich al niet meer herinneren, terwijl dit voor ons het hoogtepunt van de dag is. Ja, met de moto vlieg je er soms door zonder de details te zien. Met een beperkt aantal uren zonlicht vervolgen we onze weg die voorbij het mooie en grote meer Yelcho loopt. Alles verloopt vlot tot we plots voor enkele hellingen staan en het op de koop toe begint te regenen. We zetten door maar moeten op sommige van de beklimmingen aardig op de tanden bijten. Doorweekt en net voor het donker komen we aan in het dorpje Villa Santa Lucia. Een vrouw van een hospedaje heeft compassie en geeft ons een cabaña aan een spotprijs. Ze zegt dat ze dit enkel kan doen omdat haar man er momenteel niet is, want die zou dat nooit willen. De cabaña is volledig ingericht met keuken en al, en alles is nog vrij nieuw. Marc steekt de houtkachel aan. Nu kunnen we ons warmen en onze natte kleren drogen.

 

7 december 2007 Villa Santa Lucia - La Junta (15m) 71.3 km (797 meters geklommen)

Vanaf hier rijden we onze eerste meters op de Carretera Austral en hij ligt er beter bij dan we dachten. Er ligt wel veel kiezel en grotere keien, maar het is te doen. Het is een dag van dalen en klimmen. De steilheid van de klimmetjes is weer niet te onderschatten. Een paar motorrijders komen uit tegengstelde richting voorbijgereden en steken hun hand op, met in hun zog nog een hele troep motorrijders gevolgd door een bezemwagen van een reisbureau dat motorreizen organiseert. We zien een paar keer mensen bezig met een groot zaagmachine planken te verzagen uit gevelde bomen. Je kan hier mensen inhuren die dit ter plaatse komen doen. Je ziet ze hier soms rijden met een zaagmachine op wieltjes als een aanhangwagen bevestigd aan hun pick-up. Het is een groot zaagblad met daarnaast rails waarop de boomstam wordt om zo de planken in de gewenste dikte te zagen. Een mobiele houtzagerij zeg maar. In La Junta zoeken we weer een kamer, want het is weer regenachtig en koud, en maar goed ook want we zijn nog maar net binnen of het begint hevig te regenen. Een man die er ook een kamer heeft en op de Carretera werkt, vertelt ons dat er verderop wegenwerken aan de gang zijn en dat de weg tijdens de week tussen 10.00u en 14.00u afgesloten is omdat er met explosieven gewerkt wordt. Gelukkig staat het weekend voor de deur en hoeven we er geen rekening mee te houden.

 

8 december 2007 La Junta - Camping Las Toninas (= Puyuhuapi +18km) (14m) 63.0 km (781 meters geklommen)

Het is koud en regenachtig vandaag. De weg loopt weer door prachtige gebieden, maar veel blijft verscholen door de lage bewolking. Eten doen we snel onder een zeil dat gespannen staat over een mobiel zagerijtje. Er is niemand te zien, maar het zou vandaag een feestdag zijn, hoorden we gisteren. Vandaar misschien. Wanneer we een machine zien langskomen om de weg af te schrapen, haasten we ons op de fiets. Zo'n machine maakt de weg mooi gelijk, maar daarna is hij met de fiets slechter berijdbaar omdat alles wat zachter is en de regen maakt er helemaal een modderboeltje van. Hij doet nu één zijde van de weg en komt nadien terug langs de andere zijde. Het is een kwestie van hem voor te blijven. De vrij smalle weg geeft een tropische indruk met de overwoekerende plantengroei met enorm grote bladeren tot aan de rand van de weg. Hier staan zelfs bamboestruiken. We rijden weer voorbij een mooi meer om dan af te dalen naar zeeniveau waar het dorpje Puyuhuapi aan de kust van de Stille Oceaan ligt. De zee heeft hier meer weg van een meer, omdat het water bijna volledig afgescheiden is van de oceaan door een doolhof van eilandjes. Het is af en toe aan het regenen en we doen snel nog even inkopen, want na dit dorpje is er voor lange tijd niets meer te verkrijgen. We kopen ook "empanadas", dat zijn met vlees of kip gevulde broodjes, met ajuin, olijf en ei, gebakken in de oven, en eten ze op onder een afdak. Wanneer de regen stopt, vertrekken we opnieuw. De weg loopt langs de kust, maar een grijze wolkenmassa houdt veel van de bergtoppen verscholen. In de zee zien we viskwekerijen, allemaal grote cirkelvormige netten waar je de vis uit het water ziet springen. Grote vogels zitten bovenop de netten hun kansje af te wachten, of is het gewoon kijken naar een vitrine met lekker eten? We rijden voorbij een superdeluxe hotel, een soort spa. De voorkant die we op brochures zien die buiten hangen lijkt mooi en is naar de zee gericht. De achterkant die naar de weg is gericht lijkt meer op een chemische fabriek met allerlei grote pompen, buizen en motoren. Wanneer we aan een hospedaje camping komen, besluiten we de handdoek in de ring te gooien voor vandaag, want de lucht kleurt weer donker en de wind is hevig komen aanzetten. We hebben pech, in het hospedaje is geen plaats, het zit er vol met arbeiders die aan de weg verderop aan het werken zijn. We kunnen onze tent in een soort hutje zetten dat er staat om te piknikken. Zo blijven we tenminste droog. De wind die nu blaast is ijskoud en de regen wordt feller. We eten snel wat brood onder ons afdakje, terwijl de wegenwerkers ons door de ramen van achter de lekker warme kachel begapen. Na het eten, kruipen we snel in onze warme slaapzak.

 

9 december 2007 Camping Las Toninas - Villa Amengual (302m) 74.6 km (1361 meters geklommen)

Het weer heeft hard huisgehouden vannacht. Een ware storm is over ons heen getrokken. Marc is vannacht nog moeten opstaan om de kleren binnen te pakken die onder het afdak hingen te drogen. Ze dreigden weg te waaien. Het is maar 6 graden vanmorgen en het regent, eigenlijk meer een weertje om in je warme slaapzak te blijven liggen. Met onze regenpakken aan vertrekken we in de regen. De vrouw van de camping zegt ons dat we veel moed hebben, wij denken eerder dat we zot zijn. We rijden voorbij de afslag naar de "Ventisquero Colgante", de hangende gletsjer. Het is slechts 2 km de weg in, maar de regen ontneemt ons de moed, ook omdat we denken dat er vanwege de bewolking weinig te zien zal zijn. Maar als we even verder terugkijken, zien we de gletsjer toch nog in zijn volle pracht liggen. De weg is fantastisch mooi ondanks de regen en is niet meer dan een auto en half breed. Hij kronkelt zich hier weer doorheen een landschap van groen, rotsen en meren. We komen aan de strook met wegenwerken en de weg wordt meer modderig. Het is wel zondag, maar ze werken verder. We worden af en toe tot een halt geroepen wanneer grote bulldozers vrachtwagens vullen met puin van de opgeblazen rotsen. Wij kunnen dan niets anders doen dan werkloos staan toekijken in de regen tot we weer door mogen. Ze gaan de weg over heel de lengte verbreden. Een spijtige zaak denken we, want het zal veel van de charme wegnemen. We komen een paar Duitse fietsers tegen die zich in de struiken hebben verscholen om hun regenkledij aan te trekken, rijkelijk laat zeggen ze zelf. De weg is hier al verbreed en is door de vele keien die ze er pas over gestrooid hebben moeilijker berijdbaar. Wanneer we een nationaal park binnenrijden versmalt de weg terug en krijgen we de "Cuesta de Queulat", een bochtige klim, te verwerken die ons 500 meter hoger moet brengen. Ondertussen valt de regen nog steeds met bakken uit de hemel. En overal zie je watervallen uit de bergen komen die de rivier bevoorraden die zich met een donderend geraas een weg baant door de vele rotsen. Het lijkt de zondvloed wel. We voelen ons als een natte spons door het zweet van de klim en de vele regen. Vanwege de regen hadden we het ergste gevreesd, maar de klim verloopt redelijk goed. Eens aan de top krijgen we een prachtig zicht op een heel pak gletsjers die zich proberen te verschuilen in de mist. Door al dat ijs in de buurt is de temperatuur gedaald naar 4 graden. Er volgt een afdaling en wanneer we beneden komen, houdt de regen op en komt de zon er heel eventjes, gedurende exact 15 minuten, door en meten we 8 graden, terwijl we staan te klappertanden van de kou. Al snel begint het terug te stortregenen en geen plaatsje om even te schuilen. De temperatuur zakt ook weer dadelijk naar 5 graden. Compleet doorweekt maken we de laatste 30 km af. Nog even komt de zon erdoor en tovert een mooie regenboog over de weg. Naar het dorpje Villa Amengual krijgen we nog een ontzettend steile klim van een paar kilometer te verwerken, maar tot onze grote blijdschap is die geasfalteerd. We vinden er een kamer bij een behulpzame dame waar we al onze natte kleren rond de stoof kunnen drogen en een lekkere warme douche kunnen nemen. Zeer welkom na zo'n koude dag. Het heeft slechts 15 minuten opgehouden met regenen gedurende de hele dag. We trakteren onszelf op een "cena" (=avondmaal) dat de vrouw ons bereidt. De 2 houtkachels in het huis draaien op volle toeren en in een mum van tijd zijn we weer warm. De enige andere gast die er is, eet samen met ons. We praten over Chili en over onze reis. De man werkt als landmeter op de Carretera Austral en vertelt ons dat die, als alles volgens plan verloopt, tegen 2015 volledig geasfalteerd zou moeten zijn. De bedoeling is om Zuid-Chili toegankelijker te maken. Zo zou men ook een weg gaan maken waar er nu ferries moeten genomen worden of men via Argentinië moet gaan voor het transport van goederen. Wanneer de man vraagt waarom we naar Ushuaia fietsen, antwoordt de vrouw "Alle fietsers gaan naar Ushuaia, daar zijn veel musea en zo".

 

10 december 2007 Villa Amengual - Villa Mañihuales (133m) 60.4 km (519 meters geklommen)

De meeste van onze kleren zijn zo goed als droog. Dit was ons nooit gelukt hadden we in de tent moeten slapen. Het is minder bewolkt dan gisteren, maar er valt nog af en toe een druppel. We zitten terug in droge kleren en de zon probeert er zelfs door te komen. De eerste kilometers profiteren we van asfalt, maar al snel wordt het een brede weg vol keien. De zon schijnt ondertussen, maar de wind maakt het koud. Rivieren stromen hier rijkelijk door het landschap. Na enkele tientallen kilometers slechte weg hebben we terug asfalt en Marc heeft een geluid aan zijn ketting, en het schakelen verloopt ook al niet vlot. Het blijkt dat het grootste tandwiel vooraan is losgekomen van de trillingen, een euvel dat snel kan worden verholpen. We zagen het al veel, maar hier is het zeer opvallend. Overal liggen dikke omgevallen bomen alsof er hier lang geleden een orkaan heeft gewoed. Ze liggen verspreid over de velden, kriskras door elkaar. Hier ligt brandhout voor een eeuw. Blijkbaar hebben er hier in Patagonië in het begin van de 20ste eeuw bosbranden gewoed gedurende een paar decades. Deze bosbranden werden veroorzaakt door de eerste bewoners, hier kolonisten genoemd, die gewoon een bos in brand staken om er open veld van te maken. De bermen zijn bezaaid met kleurige bloemen, en het water en de lucht is hier zuiver, op de rookpluim van een met hout volgeladen, oude vrachtwagen na. In het dorp Mañihuales zoeken we een slaapplaats en doen aan herbevoorrading van onze stock, maar het aanbod in de winkels is pover. Ze dragen dan wel de naam "supermercado", maar laat die 'super' er maar vanaf. Sommige van de winkels lijken wel uit het communistisch tijdperk te zijn geplukt, met bijna allemaal lege rekken. De 'super' staat dan misschien ook voor superbeperkte keuze. We vinden altijd wel het nodige om verder te trekken, maar het is niet dat je hier zegt "Hmmm, wat gaan we vandaag weer eens eten". Het is meer van "Wat gaan we hier kunnen kopen". Bij de bakker kopen we broodjes en we hebben geluk, er is juist een lading empanadas uit de oven gekomen, en de sopaipillas con queso smaken ons ook. De wind blijft stevig te keer gaan. Het is mooi om te zien dat het paard de strijd nog niet heeft verloren tegen de wagen waardoor je hier nog regelmatig ware cowboys ziet voorbijrijden, steeds vergezeld door een paar honden.

 

11 december 2007 Villa Mañihuales - Coyhaique (470m) 90.4 km (1020 meters geklommen)

De wind is wat getemperd, maar de wolken zijn weer prominent aanwezig. Golvend glijdt de weg door het landschap dat ons niet kan vervelen, met nog steeds in de hoofdrol besneeuwde toppen, groene valleien, sterk stromende rivieren, watervallen, meren, bloemen, vogels en nog veel meer. Enkel de regen komt ons wat plagen. We komen op een kruispunt, links is naar Coyhaique, de grootste stad uit de omgeving, en rechts is naar Puerto Aysen, één van de belangrijkste havens uit de buurt. Het verkeer is hier dan ook iets drukker, vooral vanwege de vele vrachtwagens die tussen beide steden heen en weer rijden. In een bushokje schuilen we voor de regen om ons middagmaal te verorberen. Een wagen stopt en de passagier stelt zich voo als Miguel en vraagt of hij ons mag interviewen voor een bekende fietswebsite www.bikemontt.com. Hij wil graag deze weg promoten als fietsroute bij de Chilenen, want je ziet hier buitenlanders die er speciaal voor naar hier komen, maar Chilenen zie je hier nooit fietsen. Hij wil in 2009 een grote groep fietsers bij elkaar krijgen om samen de Carretera Austral af te fietsen. Na het interview vertrekken we opnieuw, maar dan gehuld in onze regenpakken om de laatste 30 km af te werken. Er zijn nog enkele spectaculaire watervallen te zien, waarna de weg weer steiler de bergen intrekt. Met even een paar minuten het verstand op nul rijden we door een smalle, donkere tunnel, terwijl er ons voertuigen voorbijzoeven. Op de top proberen we nog even te genieten van het zicht op het in de diepte liggende Coyhaique, maar de zeer sterke en ijskoude wind maken er maar kort genot van. Schuilend achter een muurtje voor de wind trekken we warmere kleren aan alvorens de afdaling aan te vatten. Coyhaique heeft meer weg van een groot dorp dan van een grote stad, maar hier zijn wel grote supermarkten met uitgebreide keuze, een goede plaats voor een rustdag.

 

12 december 2007 Coyhaique (470m)

We kijken onze ogen uit op de vele waren in de grote supermarkt. We gaan ook op zoek naar pedalen voor Marc. Sinds een paar dagen is er alweer getik in één van de pedalen van Indonesische makelij die hij in Pareditas kocht op 6 november. Na wat zoeken komen we in de beste fietsenwinkel van Coyhaique terecht, maar zelfs daar zijn geen kwaliteitspedalen te vinden. De enige pedalen die kogellagers van een beetje kwaliteit bevatten zijn downhill-pedalen uit Taiwan, en die kopen we dan maar in de hoop dat ze het lang genoeg zullen uithouden. We kopen ook stuurlint en nieuwe handschoenen voor Christine. Ze heeft vanwege al het gedaver op de ongeasfalteerde wegen ontzettende pijn in haar handen, ook als ze niet op de fiets zit, en ze kan zelfs sommige van haar vingers niet meer goed bewegen. We gaan daarna nog op zoek naar een plastieken dekzeil, want er is hier langs de weg nergens iets om te schuilen en we hebben al dagen gehad dat het nauwelijks ophoudt met regenen. En zo’n dag als degene toen we de Cuesta van Queulat beklommen en heel de dag niet konden stoppen om te eten vanwege de regen willen we niet meer meemaken. We hebben tot nu toe nog geluk gehad dat we ’s avonds redelijk goed terecht zijn gekomen en droog hebben kunnen slapen. Marc zet de pedalen op zijn fiets en het stuurlint op Christine’s fiets, terwijl Christine wat typt aan het dagboek. Tussendoor proberen we zoveel mogelijk bij te eten nu we toegang hebben tot de grote voorraad van de supermarkt. ’s Avonds kopen we een nieuwe voorraad in voor de volgende fietsdagen. We waren eerst van plan hier meerdere rustdagen te houden, maar we dienen in Villa O’Higgins de boot naar Argentinië te nemen en die vaart slechts eenmaal per week in december. We hebben de keuze tussen 22 of 29 december, maar weten niet zeker of die van 29 december ook echt gaat uitvaren, gezien het zo kort bij Nieuwjaar is. Dus moeten we proberen op tijd in Villa O’Higgins te zijn voor de boot van 22 december. We ontmoeten in een internetcafé nog het Schots fietskoppel Nick en Vicky, reeds meer dan een jaar onderweg en nog een jaar te gaan. Ook zij gaan proberen de 22 december-boot te halen.

 

13 december 2007 Coyhaique - Villa Cerro Castillo (481m) 98.2 km (1488 meters geklommen)

Na dagen van regen, wind en kou is er vanmorgen een lekker warm zonnetje en niet al te veel wind. De weg klimt langzaam uit het dal en we laten even de besneeuwde toppen achter ons. Het landschap verandert in een meer open, heuvelachtig terrein met rondere bergen: Al een paar keer hebben we nattigheid gevoeld, maar door de wind drogen we sneller dan we nat worden. Wanneer de weg splitst, trekken we terug de hogere bergen in. Een condor houdt alles in de gaten vanuit de hoogte. We zijn nog steeds onder de indruk bij het zien van de spanwijdte van de vleugels van zo’n vogel. We hebben al een paar keer gescholen voor de regen, maar na een paar minuten is de vlaag voorbij. Gelukkig hebben we nu ons nieuw dekzeil om onder te gaan staan. Wanneer we over de 1000 meter hoogte trekken, slaat het weer om. Het is weer tijd voor de regenpakken. We krijgen de volle laag over ons heen. De bergtoppen worden weer grilliger en de sneeuw ligt op wandelafstand. Wanneer we de pas Portezuelo Ibañez (1.120m) bereiken, is het nog slechts 4 graden. Gelukkig is de regen gestopt. Ondanks de koude, nemen we toch nog even de tijd om een krachtige waterval te bekijken die zich rechtstreeks met smeltende sneeuw bevoorraadt. Het is rillen als we afdalen via de zigzaggende Cuesta del Diablo, maar we krijgen een prachtzicht op de mooie vallei van de Ibañez-rivier die we tegemoet rijden. In een hospedaje familiar vinden we een goedkope kamer en kunnen er ons verwarmen aan en koken op de houtstoof in de keuken. Bij de mensen in de huizen hier staat er steeds een houtstoof (in de trend van een Leuvense stoof) op volle kracht te branden, en dit meestal dag en nacht, en soms zelfs met de ramen open omdat het te warm is. Aan droog hout is er hier immers geen gebrek. Toen de eerste kolonisten in het begin van de 20ste eeuw naar Patagonie kwamen, staken ze hele bossen in brand om plaats te maken voor hun huizen en weiden. Niemand had er blijkbaar aan gedacht hoe ze die vuren moesten doven en dus brandde Patagonie gedurende minstens 10 jaar, misschien zelfs veel langer, daar bestaat geen consensus over. Overal langs de weg zie je hier massaal veel dode, kurkdroge bomen staan of liggen, en die kunnen nu allemaal gebruikt worden als brandhout. De plaats in het huis waar de kachel staat is dan ook het centrale punt waarrond iedereen verzamelt, temeer omdat er de hele dag door een ketel warm water op staat voor het drinken van “mate”. Een raar zicht is om in de grotere steden nog winkels vol zulke ouderwetse stoven te zien staan in het vooruitstrevende Chili. Maar van die vooruitstrevendheid is er hier in het zuiden bitter weinig te merken. Zo is er hier in de winkels in de kleinere plaatsen (en grotere plaatsen zijn er nauwelijks op de Carretera Austral) erbarmelijk weinig te verkrijgen. Dit is weeral eens het geval in Villa Cerro Castillo, terwijl dit toch enige omvang heeft (zo’n 2.000 mensen) en toch enigszins toeristisch is wegens de nabijheid van het Nationaal Park Cerro Castillo (al komen we in het dorp slechts 4 Israelische rugzakreizigers tegen). We komen na het winkelen dan ook van een kale reis thuis en eten hetzelfde als altijd: spaghetti met saus uit een pakje en oud brood. Gelukkig kunnen we hier in Chili wel meestal een lekker (maar duur) stukje chocola op de kop tikken, en dus kruipen we tevreden in bed.

 

14 december 2007 Villa Cerro Castillo - afslag naar Bahia Murta (318m) 100.2 km (1082 meters geklommen)

Er zijn niet veel wolken en daardoor kunnen we de bergen rondom het dorp bewonderen in hun volle pracht. En we zien ook dadelijk waar het dorpje zijn naam vandaan heeft: een grote besneeuwde berg ogend als een kasteel. De klim uit het dorp is zwaar wegens het barslechte wegdek (‘t is weer gedaan met de asfalt), de felle kopwind en de typische Chileense steilheid. Christine is zelfs genoodzaakt haar fiets te duwen, want de harde wind brengt haar uit evenwicht omdat ze erg langzaam omhoog gaat, en op de steilere stukken is het met de losliggende kiezels moeilijk om terug te vertrekken, temeer daar de Braziliaanse achterband die ze in Bolivia kocht niet geschikt is voor dit terrein en dus doorslipt telkens ze wil vertrekken of telkens het te steil is. En een fiets met baggage omhoog duwen is geen pretje, dat is zelfs zwaarder dan omhoog fietsen. Via de Laguna Verde dalen we naar de brede vallei van de rivier Ibañez. De landschappen zijn weer oogstrelend mooi. We profiteren van een soort bushokje om ons even tegen de wind te beschutten en snel iets te eten. Schuilplaatsen vind je hier amper, maar op een kruispunt, hoe afgelegen ook, vind je meestal een of ander soort schuilhokje, en dat is soms welkom. We kijken nog eens op de kaart en zien dat het nog een poosje tegen de wind inrijden zal zijn, daarna draait de weg in een voor ons gunstigere richting. We twijfelen of we de gehoopte kilometers zullen halen vandaag, want de snelheid ligt laag. Maar zoals altijd is het gewoon afwachten wat we nog gaan voorgeschoteld krijgen. We blijven de rivier volgen en rijden voorbij het “dode bos”, een bos van dode bomen die in de rivier staan, een apart zicht. Maar wanneer de weg wegdraait van de rivier valt de wind weg en kunnen we de snelheid wat opdrijven. Zelfs de klim hebben we vlot achter de kiezen. We krijgen nog de mooie Laguna Cofre te zien, waarna de weg afdaalt naar een nieuwe vallei met opnieuw een brede, snelstromende rivier waarlangs de weg loopt. Aan een brug langs deze Murta-rivier stoppen we. We zien een klein paadje naar beneden lopen, misschien is dit een goede plaats voor de tent. Neen, toch nog maar een beetje doorrijden en hopen op iets beter, al zal het ons misschien nog spijten. De volgende kilometers vinden we geen geschikte plek en het wordt laat. Uiteindelijk komen we dan toch een huis tegen met ernaast een min of meer vlak stuk. De geschikte plek, denken we, maar enkel 2 kleine kindjes zijn thuis. Ze zeggen dat hun ouders pas later thuis komen. We besluiten toch maar de tent hier niet op te zetten, misschien zijn de ouders er niet mee opgezet en kunnen we alsnog de boel inpakken en vertrekken. Het wordt laat en we hebben dringend een plaatsje nodig voor de tent, want in het donker wordt het nog moeilijker. Al de terreinen rondom zijn afgezet met prikkeldraad en er valt geen egaal stukje te bespeuren. Bovendien is het hier overal zompig en nat. Wanneer we op het kruispunt naar het 6 km verder liggende dorpje Bahia Murta aankomen, zien we een bordje staan “hospedaje 100 metros”. We gaan vlug eens kijken en het blijkt een goed en goedkoop hospedaje te zijn. Oef, we hebben onderdak. We eten vlug een boterham op onze kamer en kruipen na een min of meer warme douche in bed.

 

15 december 2007 afslag naar Bahia Murta - Puerto Bertrand (367m) 94.0 km (1507 meters geklommen)

Het dorpje Bahia Murta ligt aan de rand van het meer General Carrera, het grootste meer van Chili. Maar ook vanaf de weg zijn de zichten over het meer wondermooi, al zit de weg hier weer vol steile klimmetjes die het bijzonder hard maken. We komen onderweg het Duits fietskoppel Thomas en Nicole tegen, en de Amerikaanse fietser Brian, allen op weg naar het zuiden, maar voor een kortere reis. Terwijl Thomas en Nicole vertrekken, blijven we nog wat babbelen met Brian, die daarna even met ons mee rijdt. Hij moet het echter al snel laten afweten, want hij rijdt slechts met een dubbel tandwiel vooraan, terwijl wij met een triple rijden. Op iedere steile klim staat hij er te voet voor. Ondertussen is de zon er doorgekomen en is het een stralend weertje waardoor de schoonheid van het landschap tot zijn volle recht komt. Ook het zicht op een van de gletsjers van het Campo de Hielo Norte (= noordelijk ijsveld) is indrukwekkend. Het is een enorm ijsveld dat zich hoog in de bergen bevindt. Een onmenselijk steile klim verwijdert ons van het grote meer en brengt ons naar een steile afdaling die ons bij het meer Bertrand doet belanden, met nog meer fantastische zichten op het Campo de Hielo Norte. We bevoorraden ons hier vlug met water uit een van de snelstromende riviertjes. We zijn telkens opnieuw verbaasd over de helderheid en de lekkere smaak van het water hier. Er ligt nog maar eens een steile klim in het verschiet die we met onze laatste krachten van de dag nog afhaspelen. En de afdaling die erop volgt vergt zoals altijd veel concentratie op deze ogeasfalteerde en soms slechte wegen. We zijn blij als we eindelijk, na bijna 100 km, Puerto Bertrand in het dal zien liggen. Bij het binnenrijden zien we een toerist lopen. Hij stelt zich voor als Thomas en reist ook met de fiets. Hij is onder de indruk van de afstand die we vandaag hebben afgelegd over dit zware terrein. Hij heeft zijn tent opgezet bij een hospedaje, maar Christine onderhandelt met de mevrouw en voor amper 1,5 euro meer dan Thomas krijgen we een kamer en mogen haar keuken gebruiken. We blijven nog veel te laat met thomas babbelen en zijn pas na twaalven in bed.

 

16 december 2007 Puerto Bertrand - Cochrane (257m) 50.5 km (902 meters geklommen)

Wanneer we zitten te ontbijten, komt Thomas afscheid nemen. Hij is normaal vroeg op de baan, maar het late uur van gisteren heeft de stipte Duitser uit evenwicht gebracht. Voor we vertrekken maken we nog een praatje met de lieve mevrouw van het hospedaje. Ze is in de keuken bezig met een half lam klaar te maken. Ze zegt dat het is voor 8 personen die het besteld hebben en hier deze middag komen opeten. Het is een zonnige dag en we verlaten het dorpje Puerto Bertrand waarvan de rondom liggende bergtoppen die deel uitmaken van het Campo de Hielo Norte het landschap overweldigen. Er staat maar een 50-tal km op het programma vandaag en de eerste ervan lopen licht golvend naast de machtige rivier Baker. Een pick-up met een Chileens paar uit Santiago stopt om een praatje te maken. Een bus vol kinderen met het dak vol fietsen volgt. Ze hebben met deze groep schoolkinderen een deel van het traject gefietst en zijn nu op weg naar huis. De man vertelt ons dat we een langzame klim krijgen en nadien alles naar beneden tot het stadje Cochrane, ons eindpunt voor vandaag. Alhoewel we hem niets gevraagd hadden, bedanken we hem voor de route-info. We hebben immers al afgeleerd dit soort info te vragen, want nadien volgt toch steeds een teleurstelling. En ja, ook nu weer zijn de verschillende hellingen die volgen supersteil. We zijn het er zelfs met alle ontmoete fietsers over eens dat het de steilste van de hele Carretera Austral zijn. Marc tast zijn grenzen af en Christine moet soms passen, en daar zit haar te gladde achterband soms ook voor iets tussen, want eens je hier stilvalt is het gedaan met fietsen en kan je duwen tot je op minder steil terrein komt. En duwen is een hele klus. Vanwege de steilheid en de kiezel schuif je met je schoenen omlaag. Nog iets steiler en het is geen fietsen meer, maar alpinisme. We vragen ons echt af of die Chilenen dit wel gefietst hebben met die bus vol schoolkinderen, we zien er hen niet toe in staat. Maar zelfs als de man het per wagen heeft gedaan, moet het hem toch zijn opgevallen dat hij met zijn neus tegen de voorruit plakte. We rijden door een gebied van wilde stromen die zich in volle kracht een weg banen door een soort van canyons met spectaculaire watervallen. De Chileense regering wil hier en ook op andere plaatsen een stuwmeer bouwen en dat lokt hevig protest uit bij Chileense groene actiegroepen en bij de schaarse bevolking. De protestslogans zijn dan ook over heel de Carretera Austral te zien, van grote borden tot graffiti en zelfs een heus boek met prachtige natuurfoto’s van de streek met daarnaast getrukeerde foto’s van hoe het zou zijn na de dammen in de rivieren. Ook de regering heeft grote borden geplaatst ter promotie van de dammen. Tot in Cochrane krijgen we de een na de andere klim te verwerken die met elkaar concurreren in steilheid. Dit is echt wel het zwaarste stuk van de Carretera Austral. Bij de eerste winkel die we tegenkomen bij het binnenrijden van Cochrane stoppen we en drinken met ons beiden een 2 liter fles bijna in een teug leeg. Cochrane is een doorsnee dorp met de immer aftandse en slecht onderhouden houten bungalows waar de mensen hier in wonen. Een dorp waarvan je nooit weet of het nu een zondag of een weekdag is, al is het vandaag wel toevallig zondag. Sommigen vinden het pituresk, wij noemen het echter “kroten”, een samenvoeging van krot en kot. De huizen hier in Chili lijken op van die aftandse chalets die je bij ons vroeger zag in de jaren ’70, waar de noeste arbeider zijn hardverdiende vakantie in doorbracht. Een totaal ander beeld dan dat we soms op TV te zien krijgen van het noorden van Chili. In het restaurant van het hotelletje waar we verblijven, verwachten ze vanavond 40 man die komen kijken naar de belangrijke voetbalmatch van de ploegen Colo Colo en Universidad de Chile, beiden uit de hoofdstad Santiago en de 2 belangrijkste ploegen van het land. Ze hebben de hond alvast in de kleuren van hun favoriete ploeg geverfd inclusief opschrift Colo Colo. We lopen wat door het dorp en proberen in een telefoonwinkel de boot naar Argentinië over het meer Villa O’Higgins te reserveren. De stem aan de andere kant verzekert ons dat de reservatie in orde is. Laat ons hopen dat dat ook zo is. Wanneer we na het dorp te verkennen ‘s avonds terug aan het hotelletje komen, zien we Brian’s fiets tegen de voorgevel staan. Hij zit binnen doodop met een tas koffie tussen de enthousiaste supporters naar de voetbalmatch te kijken. We blijven nog wat met hem praten en het is weer middernacht voor we gaan slapen.

 

17 december 2007 Cochrane - Lago Vargas (125m) 76.0 km (984 meters geklommen)

We staan moe op. We gingen eigenlijk een rustdag houden vandaag, maar het weerbericht heeft ons doen beslissen om toch maar te vertrekken. We hebben hier een ding geleerd: je moet rijden als het weer goed is, want het kan hier zeer snel veranderen. En niet alleen moet je ervan profiteren om niet in de regen te moeten rijden, maar ook omdat je het landschap pas in al zijn glorie kan bewonderen wanneer het zonnig is, omdat de bergtoppen dan niet in de wolken hangen. Als we de baggage uit onze kamer dragen, zien we de hoteleigenares in pyjama en al gapend uit haar kamer komen, terwijl Brian beneden in het restaurant al bijna een uur zat te wachten op koffie. Als we de baggage op de fietsen hebben geladen en terug naar binnen gaan om te betalen, heeft Brian zijn koffie gekregen en zit de eigenares een tafeltje verder ook koffie te drinken, nog steeds in haar pyjama. Ze vraagt over onze reis en zegt dat het altijd buitenlanders zijn die hier met de fiets komen. We vertellen haar dan over de Chileen Miguel die ons interviewde en die in 2009 een fietstocht over de Carretera Austral gaat organiseren met allemaal Chilenen. Daar moet de hoteleigenares hartelijk om lachen. “Maar wij Chilenen zijn immers veel te lui om dat te doen!” zegt ze, en als ze uitgelachen is “Nee, serieus, we zijn wel zeer erg op onze rust en ons gemak gesteld” voegt ze er in haar pyjama temidden van haar hotelgasten aan toe. Zou er misschien wat waarheid schuilen in wat ze zegt? Brian beslist met ons mee te rijden en we gaan snel nog samen wat inkopen doen. We moeten 240 km overbruggen waar er onderweg niets te verkrijgen is, dus moeten we zeker voor 3 dagen eten bij hebben. Maar wanneer Brian zegt dat hij ook nog langs het internet moet, zeggen we hem dat we vertrekken, het is immers al laat. We zien elkaar dan misschien wel onderweg. We klimmen van Cochrane weg en de klimmetjes zijn nu terug vervallen in hun normale syeilheid, wat nog steeds steil genoeg is, maar gelukkig dus niet meer zo steil als gisteren. Onderweg rijden we weer voorbij enkele laguna’s. Een brede rivier duwt zijn water door een smalle kloof tussen de rotsen en toont ons tot welke krachten de natuur in staat is. Met zicht op een van de meren stoppen we en eten ons middagmaal, maar na een lange pauze is er nog steeds niets te bespeuren van Brian. Al ons klimwerk wordt teniet gedaan door een steile afdaling van 6 km lang die al onze aandacht opeist door de vele kuilen en stenen op het wegdek. Af en toe stoppen we om te genieten van het beeld dat we te zien krijgen. Beneden komen we in een vallei die de loop van de Rio de los Nadis bepaalt. Zoals bijna altijd op de Carretera Austral kom je zelden of nooit een levende ziel tegen. Je kan hier 100 km fietsen zonder iemand te zien, op de paar voertuigen na die ons voorbij rijden. Heel soms zie je al eens iemand te paard, steeds gevolgd door zijn trouwe honden. En de zeldzame mensen die hier wonen, leiden een afgezonderd, haast verborgen bestaan. En ook al bezitten ze dan soms gronden wel zo groot als een provincie, toch leven ze zeer sober. En van de zeldzame houten “kroten” die je tegenkomt, vraag je je af of er iemand woont. Enkel de rook uit de schouw verraadt het. De uitzonderlijk mooie en pure natuur met zijn vele besneeuwde toppen, gletsjers, woeste rivieren, krachtige watervallen, het vele groen, enz., maken van dit alles een mooie plek om te leven, maar het is naar onze mening een keihard bestaan. We zijn weer laat op de baan en het wordt weer eens tijd om uit te kijken naar een slaapplaatsje. We zouden graag nog tot aan Lago Vargas geraken, zo’n 15 km van hier, om een mooi kampeerplekje te vinden, maar het probleem is dat je nooit weet wat er nog volgt. Vijftien kilometer kan kort zijn, maar ook heel lang. Het landschap heeft je in zijn macht. Ondertussen zijn we weer aan het klimmen geslagen. De goede kampeerplaatsen zijn op deze strook beperkt, dus als we het niet denken te halen, mogen we niet kieskeurig zijn. Verderop komen we drie Spanjaarden tegen die net hun tenten hebben opgesteld naast een huisje. Het zijn 2 kranige en superenthousiaste gepensioneerde mannen en 1 jongeman die een deel van de Carretera Austral komen befietsen. We vragen of er verder nog geschikte kampeerplekken zijn en er blijkt zelfs een camping aan het meer te zijn en de weg die volgt loopt grotendeels naar beneden. De camping is wel gesloten, maar dat is hier geen probleem, je mag er toch op. Na nog snel wat info te hebben uitgewisseld met de 2 overenthousiaste oudere mannen en de rustigere jongeman vervolgen we in zeven haasten onze weg. Aan de camping zien we dat deze helemaal beneden aan het meer ligt, maar hier boven, aan de overkant van de weg, zien we nog een gebouw staan met een groot afdak. Marc gaat eens kijken en het lijkt of er al een tijdje niemand meer langsgeweest is. En bovenal, de poort is niet op slot, een echte zeldzaamheid hier. Het afdak is ideaal om de tent onder te zetten, zo blijft die droog indien het regent. Onze tent staat nog maar pas op of de eerste regenvlaag komt al overgewaaid.

 

18 december 2007 Lago Vargas - huis van Señor Eliaño Reyes (145m) 71.2 km (834 meters geklommen)

‘s Morgens kunnen we onze nog droge tent dadelijk inpakken, ondanks de regen van vannacht. Zelfs nu komt er nu en dan nog een vlaag over, maar we zitten droog onder het afdak om te ontbijten. We beslissen dan maar onze regenkledij aan te doen, maar t dat we ze aan hebben, is het ondertussen alweer gestopt met regenen, zo blijf je bezig. Het Lago Vargas ligt verscholen achter bomen. Wanneer we een glimp opvangen van het meer zien we de besneeuwde toppen weerspiegelen in het doodkalme meer. Wanneer we een rivier met waterval staan te bewonderen, zien we plots achter ons in de verte Brian opduiken. Hij heeft zo’n 15 km voor ons zijn achtervolging meten staken. En even later komt het Duitse koppel Thomas en Nicole er ook aan zij. Zij hadden zo’n 5 km voor ons de tent opgeslagen. We vervolgen onze weg met Brian in het zog en komen onderweg nog enkele andere fietsers tegen die uit de andere richting komen. Dit is dan ook een geliefde route voor fietsreizigers. Andere reizigers zie je hier minder, maar dit komt omdat de weg voor andere voertuigen op een dood punt loopt. Wanneer de zon erdoor komt, stopt Brian om zijn tent te laten drogen die vannacht wat nat werd. We nemen terug afscheid, want hij gaat nog een omweg maken langs het mooie dorpje Caleta Tortel. Dit dorpje ligt aan de kust van de Stille Oceaan en is volledig opgebouwd uit hout, zelfs de straten en de paadjes in het dorp, sommige zelfs met trapjes. Je dient je fiets dan ook buiten het dorp te laten staan, want voertuigen, zelfs fietsen, kunnen er niet in. Héél mooi, zegt iedereen, maar op dit moment zien onze 2 rustdagen die we gaan nemen in Villa O’Higgins er nog veel mooier uit. We zijn allebei een beetje moe en zijn toe aan de noodzakelijke rustdagen die we steeds maar uitstelden. Bovendien geven ze morgen nog een mooie dag, maar nadien zou het slechter worden. Aan de afslag naar het dorp dat 25 km verder ligt, schiet de weg met een paar setile haarspeldbochten de hoogte in. We nemen even de tijd om ons middagmaal te nuttigen, maar we worden al snel belaagd door een bende rotvliegen, van een soort dikke paardenvlieg die je hard kan bijten als je niet oppast, en zeer opdringerig. We zien ons genoodzaakt ons boeltje weer bijeen te pakken en om toch al maar aan de klim te beginnen. Even verder stoppen we opnieuw om ons maal te hervatten. We merken dat onze honger groter is dan het aantal broodjes dat we bij hebben en als we zo verder eten niet zullen toekomen. We hebben wel nog ander eten bij, maar dan moeten we ons kookvuurtje bovenhalen, niet zo handig. Caleta Tortel is het enige dorp waar je je kan bevoorraden, maar dat, zoals gezegd, een omweg van 50 km. We zullen wat zuiniger moeten zijn met het brood en ’s avonds dan maar koken. De weg blijft steil omhoog gaan en even denken we dat we de ferry van vandaag over het meer Fjord Mitchell nog zullen missen. Alleen een vlakkere weg of een afdaling kan ons redden. De afdaling volgt, maat het is er eentje met stuiptrekkingen, want de weg gaat toch nog altijd weer even de hoogte in tot we de definitieve verlossende afdaling voorgeschoteld krijgen en we toch nog ruimschoots op tijd Puerto Yungay binnenrijden. Men had ons verteld dat er hier niets was op een paar verlaten legerbarakken na, maar er blijken toch een paar militairen aanwezig te zijn. We spreken de chef aan en vragen hem of we hier iets kunnen kopen. Normaal is er een kleine “kiosko” (= winkeltje) aan de boot, maar de vrouw is er niet. De chef kan ons wel wat brood geven, zegt hij, en eventueel een fles frisdrank verkopen. We gaan met hem mee naar binnen en hij nodigt ons uit aan tafel. Hij geeft een dienstplichtige orders om ons koffie en thee te geven, en voor we het weten staan er ook nog broodjes en confituur op tafel. Hier hadden we niet op gehoopt, maar het is zeer welkom. De man legt ons uit dat zij een soort van genietroepen zijn die de weg voorbereiden vóór de privéfirma’s hem verder afwerken (vlakker maken, verbreden en asfalteren). Hij toont ons op een kaart alle wegen die ze nog gaan aanleggen. Zo zal de Carretera Austral in de toekomst doorlopen tot helemaal in Puerto Natales, een reuzeproject. Ook zal er een kortere, rechtstreekse weg worden aangelegd tussen Coyhaique en Villa O’Higgins. Hij vertelt ons ook dat het de bedoeling is dat tegen 2015 de hele Carretera Austral geasfalteerd zal zijn. We praten nog wat over Chili en onze reis. De man moet ook noteren hoeveel fietsers er hier langskomen voor de statistieken van toerisme, en weet ons te zeggen dat wij nummer 79 en 80 zijn die hier zijn doorgekomen sinds oktober 2007. De gastvrije en heel vriendelijke manheeft ondertussen ergens een fles Coca-Cola opgediept en zegt dat we die krijgen. We kunnen vandaag beter hier blijven slapen, zegt de man, en morgen de boot van 10.00 uur nemen, dat is beter. Hij lijkt ons hier te willen houden, maar we vertellen hem dat we straks nog een eindje willen doorrijden om de afstand van morgen, de 120 km die ons resten naar Villa O’Higgins, te verkorten. Er komt een collega van hem binnen die net met de 4x4 is aangekomen. Hij vertelt dat er daarstraks een fietser tegen z’n wagen is aangereden in één van de vele steile afdalingen, maar niks ergs en niemand gewond. Het blijkt één van de oudere Spanjaarden te zijn. Wanneer het tijd is voor de boot, geeft de chef ons nog een zak met broodjes. We vragen hem nog maar eens wat we verschuldigd zijn. “Niets, ik ben blij dat jullie me gezelschap hielden” zegt hij alsof we hem een plezier deden. Hij vertelt ons dat 20 km na het meer een oude man woont die hij kent en dat we eventueel daar kunnen kamperen, want er zijn weinig vlakke stukken en bovendien is de grond bijna overal nogal moerassig . “Zeg hem maar dat je mij kent”, zegt hij. Met de gratis ferryboot steken we het meer Fjord Mitchell over, een tocht die 50 minuten duurt. Aan de andere kant van het meer rijden we over een vrij vlakke weg. We houden enkel halt om een groep spechten aan het werk te zien. Al vlug zijn we aan km 20 waar we een huisje zien staan. Een oude man staat buiten z’n kettingzaag na te kijken. We vragen hem of hij Señor Reyes is. “Ja” knikt de man. We vragen hem of we onze tent hier mogen opzetten en dat blijkt geen probleem, maar wanneer we een rommelig hok zien staan, vragen we hem of we de matrasjes daar kunnen leggen. Ook geen probleem. Er is net genoeg plaats voor onze matrasjes en de fietsen. Het hok is eigenlijk niet meer dan een paar planken met een dak op, en het ligt er vol met rommel, schapenvellen, balken, houtschaafsel, machineonderdelen, enz. De man begint snel het hok op te ruimen. We zeggen dat het niet hoeft, maar hij staat er op. Daarna moeten we mee naar zijn huisje, ook niet meer dan een klein houten hok. De kachel staat er volop te branden terwijl de deur open staat, er is hier immers meer dan hout genoeg. Snel frist de man zich wat op, kamt zijn haar en legt de paar spullen die hij bezit een beetje op orde. Hij biedt ons koffie en warme melk aan, en “sopaipillas” (= gefrituurde broodjes). Hij ploft zich in zijn zeteltje, terwijl wij op een bankje achter zijn aftandse houtkachel zitten. De man is reeds 78 jaar oud en woont hier al zo’n 30 jaar alleen. Sinds hij 3 jaar geleden zijn beide benen brak, kan hij echter niet meer zo goed uit de voeten en is hij van plan heel de boel hier te verkopen, ruim 1.000 ha zegt hij. Hij lijkt wel een schooier, maar hij bezit zoveel land als een koning. Een foto van hem maken, heeft hij liever niet, zegt hij eerst, of misschien toch, maar dan moeten z’n honden erbij. Hij laat ons allerlei kunstjes met z’n honden zien, een echt circustalent. Wanneer Marc hem vraagt of hij op de gitaar die aan de muur hangt speelt, haalt hij ze erbij en laat ons enkele mooie melodietjes horen terwijl hij erbij zingt. De avond vliegt om en het is al laat als we in onze slaapzakken kruipen.

 

19 december 2007 huis van Señor Eliaño Reyes - Villa O'Higgins (390m) 83.8 km (1307 meters geklommen)

Het heeft vannacht wat geregend, maar nu staat er een stralend zonnetje. We krijgen van Señor Reyes nog wat sopaipillas die hij net heeft gemaakt en dus nog lekker warm. Terwijl wij onze fietsen bepakken, bepakt hij zijn paard met een zadel dat overtrokken is met schapenvel. Marc herstelt nog snel de achterband van Christine haar fiets. We hadden hem gisteren zonder het te merken op een plank met een nagel gezet in het hok. We geven onze dikke lekkere tablet chocolade die we bij hadden voor moeilijke tijden aan señor Reyes om hem te bedanken. Je kan zien dat hij er heel gelukkig mee is, en wanneer Marc hem zegt “Muy rico, con un pequeño café” (Heel lekker, met een koffietje) zie je in zijn blik dat hij er al van aan het genieten is. En de paar batterijtjes die hem geven voor zijn transistorradiootje zijn ook welkom. We nemen afscheid en vertrekken. Na een paar kilometer worden we weer de hoogte ingejaagd via een paar steile S-bochten. En de weg die daarna volgt is er een eentje naar goede Chileense gewoonte, steil op en neer. Vanaf boven dalen we af naar een nieuwe vallei met fantastische zichten. Uiteindelijk komen we in de brede vallei terecht waar de weg vlakker is. Een paar keer moeten we schuilen onder onze plastiek voor een regenvlaag die amper 10 minuten duurt. Het weer in deze streek is zéér veranderlijk en op een kwartier tijd kan je zon, regen, warm en koud hebben. De sterke wind jaagt in een razend tempo de wolken door de hemel en door de hoge bergen is het steeds een verrassing wat er op je afkomt. We mogen niet klagen vandaag, want het is vrij warm en zonnig, en daardoor zijn de zichten ook overweldigend. En door de vele gletsjers op de bergen zijn er weer massaal veel watervallen te zien. Sommige watervallen storten zich met grote kracht neer vlak naast de weg. Drie Duitse fietsers komen ons tegemoet gereden, ze zijn gisteren vanuit Argentinië de grens overgestoken en kunnen nog wat nuttige info kwijt. Na een kleine babbel rijden we verder en aan het einde van Lago Cisnes zien we Villa O’Higgins al in de verte liggen. We hebben 1.000 km over zwaar parcours afgelegd in 12 dagen. Moe maar voldaan haspelen we de laatste 15 kilometers af op een heuvelig parcours. De Carretera Austral zit erop en we rijden Villa O’Higgins binnen, een haast in slaap verzonken dorpje omgeven door besneeuwde toppen. Hier denken we wat bij te eten, maar de keuze in de winkels doet je soms denken aan communistische landen. Zo zijn alle rekken bij de bakker leeg en in een plastieken waskom met doek over liggen de enkele broodjes die te koop zijn. Voor een nieuwe lading moeten we een uurtje wachten.

 

20-21 december 2007 Villa O'Higgins (390m)

In het kleine familiepensionnetje waar we een kamer huren, hebben we kunnen bekomen dat we de keuken mogen gebruiken, maar de vrouw des huizes waakt erover als een arend. Ze blijft constant langs ons staan en geeft ons alles aan in plaats van ons het zelf te laten pakken. Na ons ontbijt doet Christine de afwas en kijkt de vrouw toe of ze alles wel netjes op exact dezelfde plaats terug weg zet. We lopen wat rond in het kleine Villa O’Higgins. Het is bitter koud en er staat een stevige wind. Er is dan ook bijna niemand op straat, het dorp is zo goed als dood. Het enige internet dat er te vinden is, is in de openbare bibliotheek en enkel te gebruiken gedurende max. 30 minuten per gebruiker tijdens de schaarse openingsuren. Je moet dan eerst ook nog eens als gebruiker registreren. Sommige van de paar andere reizigers die er zitten, maken er grapjes over dat je die 30 minuten al nodig hebt enkel en alleen om de vele vragen te beantwoorden om je te registreren als gebruiker. We gaan wat rondlopen, bezoeken de paar kruidenierswinkels maar de keuze is zeer beperkt. We gaan ook naar de man van de boot, maar zijn vrouw zegt dat hij weg is met de boot om de omringende dorpjes te gaan bevoorraden voor de komende feestdagen. Hij heeft haar opdracht gegeven de naam te noteren van degenen die langskomen. Daarna gaan we terug naar ons pensionnetje waar we wat bijtypen aan ons dagboek in de warme living. Zo houden we ons bezig met eten, slapen, typen, rusten afgewisseld met rondlopen op zoek naar eten. Op de laatste avond als we nogmaals naar de man van de boot gaan, ontmoeten we daar Brian, Thomas en Nicole die deze namiddag zijn aangekomen en in het hostel zitten. Voor iedereen blijkt de reservatie voor de boot van morgen in orde te zijn, dus gaan we allen vroeg slapen, want morgen wacht ons een lange dag.

 

22 december 2007 Villa O'Higgins - Bahía Balmaceda (390m) 7.7 km + Bahía Balmaceda - Cancelario Mancilla (390m) per boot in 3 uren over Lago O'Higgins + Cancelario Mancilla - Lago del Desierto Norte (556m) 28.8 km (607 meters geklommen) + Lago del Desierto Norte - Lago del Desierto Sur (556m) per boot in 50 minuten over meer

We hadden gisteren gezegd dat we vandaag om 7.00 uur zouden vertrekken. Veel te vroeg om zelf ook op te staan, vond de hoteleigenaar, dan slaapt hij nog, maar hij wil wel de waterkoker voor ons klaarzetten zodat we zelf ontbijt kunnen maken. We voelen ons beiden een beetje ziek en het rommelt in onze maag. Uiteindelijk staan we om 7.30 uur klaar om te vertrekken, ruimschoots op tijd om de kleine 8 km naar de boot af te leggen. In het dorp is nog geen leven te bespeuren. De weg naar het Villa O’Higgins-meer is mooi, met zicht op een gletsjer. We zijn bij de eersten die aankomen, maar al snel volgen de andere passagiers en collega-fietsers die we de voorbije weken tegenkwamen. Alle fietsen en bagage worden op de moderne boot gezet en wanneer iedereen zich heeft geïnstalleerd in de comfortabele zetels, zijn we klaar om de overtocht van het grote meer aan te vatten. Sommige passagiers gaan nog verder met de boot om gletsjers te gaan bekijken, maar wij zullen eerst worden afgezet, in het dorpje Cancelario Mancilla. De boot vaart het eerste uur nog rustig, maar wanneer de wind komt opsteken, gaat de boot flink te keer. Ook van op het voordek of het dak van de boot kan je het landschap gaan bewonderen, maar door het ruwe weer komen er soms hele golven ijskoud water over de boot heen. Verschillende passagiers komen dan ook kletsnat en bibberend van de kou vlug terug binnen in de boot zitten. Soms zien we kleine ijsbergen in het water drijven. Klein? Slechts 10 % van de ijsberg is zichtbaar boven water, letterlijk het topje van de ijsberg, de rest zit onder water. We zien ook Thomas weer, de Duitse fietser die we in Puerto Bertrand reeds ontmoetten. Hij heeft het opgegeven en zal met de bus verder trekken. Zijn fiets heeft hij alvast met de post vooruitgestuurd. Spijtig! Nochtans kwam Thomas als heel energiek en enthousiast op ons over, maar zo’n fietsreis vergt soms meer van je dan je denkt, en als je alleen reist is het nog zwaarder om jezelf te motiveren op moeilijke momenten. De boot komt na drie uur varen aan in de nederzetting Cancelario Mancilla, waar een deel van de passagiers, waaronder wijzelf, de boot verlaten. De tocht die volgt is moeilijk. We hebben besloten om onze fietstassen met een paard mee te geven, om zo Christine haar schouder wat te ontlasten, want de fiets zal misschien moeten gedragen worden. Onze bagage en die van de andere reizigers die voor deze optie hebben gekozen, worden met een soort van net van lederen riemen en een dekzeil aan de paarden gebonden. Wij kunnen alvast vertrekken, de paarden volgen en zullen tegen het vertrekuur van de boot aan de Argentijnse kant aan het Lago del Desierto zijn. We laten ons uitstempelen bij de douane van Chili en onze 22 km lange tocht naar de Argentijnse douanepost kan beginnen. Deze tocht is enkel te voet of per fiets mogelijk, omdat er eigenlijk geen weg is. Motor- en autoreizigers dienen reeds kilometers voordien, aan Villa Cerro Castillo weer over te steken naar de Argentijnse kant, voor hen loopt de weg anders dood in Villa O’Higgins. Vandaar dat er niet zoveel reizigers zijn die langs hier weer Argentinië binnengaan. De eerste 5 km gaan steil omhoog over een heel ruwe weg, vol dikke keien, daarna over een beter berijdbaar parcours, maar nog steeds met zeer steile hellingen. We moeten drie kleine bruggen over waarvan de middelste het begeven heeft. We hadden al wilde verhalen over deze kapotte brug gehoord, we zouden door een zeer sterk stromende rivier met ijskoud water tot boven de knieën moeten waden met de fiets op de schouder en oppassen dat we niet meegesleurd zouden worden. Maar het valt best mee. De rivier is vrij ondiep en een slimme persoon heeft enkele van de losliggende planken van de kapotte brug gebruikt om een min of meer begaanbaar smal paadje over de rivier te maken. Marc balanceert er tweemaal met een fiets op de schouder overheen en geraakt beide keren met droge voeten aan de overkant. Wanneer de weg na 15 km plots stopt, staan er 2 grenspalen die de eigenlijke grens Chili-Argentinië aangeven. Hier begint het voetpad aan de Argentijnse kant. Het is een 6 km lang paadje vol met hindernissen zoals modderpoelen, kleine stroompjes, omgevallen dikke boomstronken, enz, en dit op een erg heuvelig, modderig en bemost parcours temidden van een bos. We doen het op ons gemak en wandelen deze laatste 6 km met de fiets aan de hand en op de schouder, wat voor Christine al zwaar genoeg is, want onze fiets weegt 18 kg. De laatste kilometer duikt de weg steil naar beneden, naar het Lago del Desierto, over een paadje dat soms wel een halve meter diep is uitgesleten door de paarden, een beetje zoals lage loopgraven. We zijn blij eindelijk het gebouwtje van de Argentijnse douane te zien staan. Terwijl de douane ons uitstempelt, vertellen ze ons dat het nog niet zeker is dat het bootje ons naar de andere zijde zal brengen, want er is misschien teveel wind. Ondertussen komen één voor één de andere reizigers toe. Eerst komen de 2 Israëlische jongens aan, zij deden het te voet maar gaven hun rugzak met een paard mee. Dan komen Thomas en Nicole, het Duitse koppel, die het met de bagage op de fiets deden. Zij zijn vrij snel geweest. Dan komt het Schotse paar Nick en Vicky met fiets maar zonder bagage. Maar van het oudere Duitse koppel dat het ook met de bagage op de fiets doet en dat we onderweg allemaal zijn voorbijgestoken, is er nog geen spoor. Zij zullen de nacht hier moeten doorbrengen, want de boot zal blijkbaar toch op het uur zoals voorzien vertrekken. Net voor de boot vertrekt, komen ook de paarden met de bagage aan. Van onze fietstassen is er onderweg een haak afgebroken. De paarden moeten dan ook volle bak galopperen met de bagage op hun rug om de boot te kunnen halen. In totaal zijn we met 3 fietskoppels en nog wat andere passagiers die de korte overtocht over het kleine, maar met dit weer ruwe meer zullen doen. Nadat alle fietsen en de bagage opgeladen en goed vastgemaakt zijn, vertrekt de boot. Er zijn hoge golven die het kleine bootje hevig op en neer doen deinzen. De wolken ontsluieren gedeeltelijk de spitse top van de berg Fitz Roy die aan de andere kant van het meer ligt, en dat is indrukwekkend. Even wordt het stil onderweg wanneer het bootje bijna kapseist door een erg hevige golf. Iedereen is blij wanneer we na een klein uur aan de zuidpunt van het meer aankomen. De 2 andere fietskoppels besluiten hun tent dadelijk op te slaan en wij doen dan maar hetzelfde. Iedereen kookt zijn eigen potje en we kruipen allen vroeg de tent in wanneer het lichtjes begint te regenen. Iedereen is trouwens moe genoeg van deze afmattende dag.

 

23 december 2007 Lago del Desierto Sur - El Chaltén (438m) 36.2 km (190 meters geklommen)

We staan allen vroeg op en ontbijten samen. Snel gaan we nog eens een blik werpen op de bergtoppen die aan de andere kant van de heuveltjes waar we achter overnachtten liggen. Ieder koppel vertrekt apart om de 37 km naar El Chaltén, een toeristisch dorpje, af te leggen. We doen het weer op het gemak, want het landschap is adembenemend. Maar de Fitz Roy wil zich nooit volledig laten zien, maar zit gedeeltelijk verborgen achter wolken. Het laatste stuk van de weg ligt er nog vrij slecht bij en de weg ligt vol met dikke kiezel. El Chaltén is klein, zéér toeristisch en redelijk duur. Het is een vrij recent dorpje, gesticht in 1985. Vele toeristen komen naar hier om lange wandelingen te maken omdat de zichten hier gewoonweg fantastisch zijn. Sommige noemen het trekkings, ook al zijn de meeste routes slechts een paar kilometer lang. We vinden toch een vrij goedkope plaats om te slapen, maar die moeten we later verlaten omdat er een misverstand in het spel blijkt te zijn. Toen het meisje de prijs zei, had Christine drie keer opnieuw gevraagd of dat de prijs was, want het leek ons heel goedkoop, maar het meisje had het bevestigd. Na gedoucht en gekookt te hebben in de keuken, vernemen we toevallig de prijs van een bed in de slaapzaal dat duurder blijkt te zijn dan de prijs die wij betalen voor een dubbele kamer. We gaan het nog maar eens vragen en een ander meisje van de receptie zegt ons een prijs die het dubbele is van wat het ene meisje tegen ons had gezegd. We roepen er het ene meisje bij en die bevestigt dat ze ons inderdaad de veel lagere prijs tot driemaal toe had geconfirmeerd. Ze zegt tegen het andere meisje dat ze echt dacht dat dat de prijs was. Het andere meisje zegt tegen ons dat het de eerste werkdag is van het ene meisje en dat ze de prijzen nog niet goed kent, maar dat we dus het dubbele moeten betalen. Er ontstaat een discussie, want wij willen helemaal niet het dubbele betalen. We vragen dat ze de baas erbij roepen, maar dit kan nu niet, zeggen ze, want hij doet zijn middagdutje. Het is inderdaad juist siësta. We moeten wachten tot 6 uur, zeggen ze. Zo gezegd, zo gedaan. Als om 6 uur de baas naar beneden komt van zijn middagdut, zegt hij doodleuk dat we het dubbele moeten betalen want dat dat de normale prijs is, ook al heeft het personeel zich vergist. Als hij voet bij stuk blijft houden, zeggen we dat we dan spijtig genoeg de kamer zullen moeten verlaten, en dat we minstens een toegeving van hem hadden verwacht, een prijs ergens tussen de twee in. Wij pakken dus alles weer in, laden de fietsen weer op en rijden in El Chaltén rond op zoek naar een bed. Bijna alles is vol, maar we vinden toch 2 bedden vrij in een slaapzaal van een hostel. Eigenlijk is het er overbevolkt. Er zijn 2 slaapzalen van ieder 12 bedden, de bedden zijn drie hoog gestapeld en de keuken is piepklein. Behalve een Frans koppel zijn alle andere gasten Israëli’s. Ze maken tot na middernacht lawaai in de slaapzaal door er te babbelen, heel veel in en uit te lopen, licht aan en uit te doen, rumoerig te rommelen in hun rugzakken, enz., terwijl wij en de Fransen trachten te slapen.

 

24 december 2007 El Chaltén - Estancia Luz Divina (295m) 122.6 km (384 meters geklommen)

Toppunt, ‘s morgens, nog voor 6 uur, begint al dat lawaai opnieuw. We hebben weinig zin om weer naar een andere kamer op zoek te gaan. Dat allemaal, samen met de dure prijzen in de kleine, slecht bevoorrade winkels in El Chaltén doet ons besluiten niet te blijven en vandaag door te fietsen, temeer omdat het een stralend zonnige dag zonder een greintje wind is. Na nog wat inkopen voor de rit verlaten we het dorp met een kleine klim die ons een fantastisch zicht geeft op de Fitz Roy en de omliggende bergen. Het lijkt wel een stad met wolkenkrabbers vanwege de steile pieken van de bergen. We stoppen voortdurend om achterom te kijken naar de nu volledig ontsluierde bergtoppen, waar je uren zou kunnen naar blijven kijken vanwege hun schoonheid. Er komen twee grote condors vlak naast ons door de lucht gegleden, we horen zelfs het gesuis van hun vleugels in de wind. Ze volgen de rivier die in een diepere kloof naast ons ligt. Een beetje later komen we 2 Nederlandse fietsers tegen. Het zijn Marc en Jolanda, en ze zijn op weg van Rio Gallegos naar zover als ze kunnen komen, tot in Bolivia, of misschien tot in Peru. We hebben een lange babbel met hen. Een tiental kilometer verder, weer 2 fietsers en deze keer Zwitsers op weg naar Quito. We praten veel te lang met Pascal en Rebecca. Het is ondertussen al na tweeën en we hebben nog maar 20 km afgelegd. Het zicht op de bergen wordt nog aangevuld met een magnifiek zicht op de Viedma-gletsjer die we over het meer kunnen zien. Normaal zouden we hier volop de wind in de rug moeten hebben, maar geen geluk vandaag, nog steeds geen wind, ook niet nu het al namiddag is. Gelukkig rijdt het asfalt vlot. De weg draait rond het meer, en het vlotte asfalt verandert in een minder vlotte kiezelweg. Na 122 km stoppen we aan een paar huizen. De 2 fietskoppels waren dolenthousiast over de taartjes die ze hier zouden verkopen, elke dag vers gebakken door de vrouw des huizes. We hebben geen geluk, want de vrouw des huizes is niet thuis, ze is naar een kerstfeestje in El Chaltén vertelt haar man, een oude brompot. De paar taartjes die hij nog te koop heeft zijn misschien wel lekker, voor de normen van hier dan toch, maar wel prijzig. Wanneer we vragen of we de tent kunnen opzetten is dat geen probleem als we 10 pesos per persoon betalen. We kijken naar elkaar alsof de man zot is. En hij doet dadelijk zijn prijs omlaag naar 5 pesos per persoon. In ruil daarvoor krijgen we een scheef aflopend stukje grond vol paardenuitwerpselen naast de rivier en verder niets. Wel, dan kunnen we beter wildkamperen. Maar Christine gaat snel nog eens vragen aan het nabijgelegen restaurantje. De mensen blijken zeer vriendelijk te zijn. Zij hebben ook een lapje grond aan de rivier en het is tenminste vlak en proper. Ze willen er geen geld voor, terwijl ze aanbieden dat we het heel nieuwe en propere sanitair van het restaurant mogen gebruiken en in het restaurant mogen gaan zitten. De familie die het restaurant openhoudt gaat een klein kerstfeestje houden. De man des huizes is bezig een half lam te barbecueën. Ze doen dat hier in Argentinië door het lam op een ijzeren staaf te spannen en naast het lam een kampvuur met hout te maken. Op grotere feesten worden verschillende lammetjes in een cirkel gezet en midden in de cirkel wordt vuur gemaakt. Wij trakteren onszelf op een biefsteak in het restaurant. Het is tenslotte kerstavond. En alsof het halve lam niet genoeg is voor een familie van 5 personen, wordt er nog flink op los gebraden met allerhande soorten vlees. Ongelooflijk hoeveel vlees Argentijnen kunnen verorberen. De familie lijkt ons een beetje anders dan andere Argentijnen. De bediening in het restaurant is heel vriendelijk en professioneel, het restaurant zelf is mooi ingericht en proper. Als we wat met hen praten, ontdekken we waarom. Ze komen uit Buenos Aires. Na een lekker en gezellig diner kruipen we onder een heldere sterrenhemel in ons tentje naast de rivier.

 

25 december 2007 Estancia Luz Divina - El Calafate (206m) 97.3 km (608 meters geklommen)

De familie is heel vriendelijk en ‘s morgens krijgen we een thermos met warm water om onze koffie te maken. We nemen afscheid van de familie en werken de laatste 15 km kiezelweg af om nadien via de goed geasfalteerde weg aan het Lago Argentino te belanden dat ons opnieuw trakteert op mooie zichten. Af en toe moeten we een riviertje over en zien dan hoe Argentijnen hun zonnige kerstdag doorbrengen naast het water. Bij een familie zien we hoe de moeder op de achterbank van de auto ligt te slapen met de voeten naar buiten, terwijl de vader in de kofferbak zijn dutje doet. De kinderen amuseren zich door het deksel van de koffer af en toe te sluiten en daarna weer open te doen, een grappig zicht. Aan het kruispunt met ruta 11 slaan we af naar rechts, richting El Calafate. Zelfs van hier prijkt de Fitz Roy op een heldere dag als vandaag aan de horizon, 170 km van hier (over de weg, niet in vogelvlucht). De wind is in de namiddag komen opzetten en dat betekent dat wij de laatste 32 km naar El Calafate tegen die wind mogen inbeuken. De laatste 17 km zijn onaangenaam rijden door het drukke verkeer. Sommige van de bussen rijden in volle vaart vlak naast je door. In het kleine stadje vinden we snel slaapplaats in een goed en goedkoop hotelletje. En ‘s avonds verwennen we onszelf met een “tenedor libre”, een restaurant waar je zoveel mag eten als je wil voor een vaste prijs. Zo’n plaats zou verlieslatend zijn als er alleen fietsers zouden komen.

 

26 - 28 december 2007 El Calafate (206m)

We maken kennis met het jonge koppel waarmee we de badkamer en de keuken delen. José is een Spaanse ingenieur die aan een project in Mexico meewerkt en Dora is een Argentijnse onderwijzeres uit Buenos Aires. We maken van onze keuken gebruik om eens uitgebreid te ontbijten. Daarna gaan we wat rondlopen en onderzoeken ondertussen de beste mogelijkheden om de hier 80 km verder gelegen, reuzengrote gletsjer Perito Moreno te bezoeken. ‘s Middags komen we Brian tegen in de supermarkt. Hij is net aangekomen en we nodigen hem uit om bij ons in onze keuken te komen lunchen. Brian zal vandaag nog verder fietsen richting gletsjer. Wij twijfelen of we per fiets zullen gaan ofwel een zij-uitstap per bus zullen maken. Het is tenslotte 80 km heen en weer over dezelfde weg. Bovendien mag er toch niet meer gekampeerd worden in het natuurpark zelf. En José en Dora hadden ons voorgesteld om eventueel de kosten van een huurauto te delen om er naartoe te gaan. Marc houdt zich bezig met de fietsen. Hij vet de zadels in en maakt de kettingen en de tandwielen schoon. We branden onze foto’s op DVD en sturen ze naar België. En typen aan het dagboek voor de website. Tussendoor rusten we uit, en koken en eten we veel, nu we hier winkels ter beschikking hebben met allerhande voedsel. Wat een afwisseling met de schaarste op de Carretera Austral. José en Dora melden ons later dat een huurauto ontzettend duur is, zelfs als we de kost door 4 zouden delen. Wij besluiten om te proberen al liftend te gaan, want ook de enige bus die er naartoe rijdt is redelijk duur. Moest dat niet lukken, dan kunnen we de volgende dag alsnog met de fiets gaan. We beginnen om 7.00 uur ‘s morgens te liften op de hoofdstraat van El Calafate en om 7.10 uur hebben we al een lift te pakken. Een heel vriendelijk Braziliaans koppel neemt ons mee. Om 8.00 uur, als het park net opent, rijden we erbinnen. Er zijn nog maar weinig bezoekers, we hebben het park zo goed als voor ons alleen. Er zijn verschillende platformen gemaakt vanaf waar je de enorme Perito Moreno-gletsjer kan bekijken. Je komt eerst op het hoogste platform terecht vanaf waar je over de oneindige ijsmassa kan uitkijken. Daarna daal je af naar de lager gelegen platformen waar je veel dichter bij de gletsjer bent. Je hoort constant geluid uit de ijsmassa komen. Af en toe hoor je enorme knallen, en af en toe zie je vlak voor je kleine en soms grote brokken ijs uit de 60 meter hoger ijsmuur in het water vallen. Het is heel indrukwekkend. Precies een enorm groot monster, maar wel een goedaardig dan. Na drie uur aan de gletsjer doorgebracht te hebben, besluiten de Brazilianen terug te gaan. Wij trakteren hen nog op een warme kop chocolademelk in het restaurantje van het natuurpark alvorens ze ons naar El Calafate terugbrengen. De volgende dag komt ook Brian terug van zijn bezoek aan de gletsjer. Hij besluit ook in ons hostel te blijven slapen in de slaapzaal om dan morgen samen met ons verder te fietsen.

 

29 december 2007 El Calafate - El Cerrito+48km (434m) 144.3 km (1086 meters geklommen)

Na het ontbijt vertrekken we met zijn drieën samen, maar Brian moet nog snel inkopen doen, want hij wist niet dat het lang zal duren voor we weer aan voedsel kunnen geraken. Het is windstil en met een kleine klim verlaten we El Calafate. De eerste 32 km gaan over dezelfde weg terug als toen we naar El Calafate reden. Hier komen we Tania tegen, de Duitse fietster die we kort in Villa O’Higgins hadden ontmoet en die in haar eentje naar Ushuaia fietst. Zij komt van El Chaltén en rijdt nu naar El Calafate. Als we verder rijden, is er eindelijk wat wind opgestoken en hebben we wind in de rug. We malen de kilometers er vlot door. Het landschap is dor en er vloeit een kronkelende rivier door de vallei. Brian zegt ons dat het lijkt op Utah, de staat waar hij vandaan komt. Wanneer we stoppen om te eten, wil Brian de slag in z’n wiel wat bijstellen door wat aan de spaken te draaien. Marc bekijkt het wiel eens en ziet dat de wand van de velg gebarsten is over drievierde van de lengte. Brian heeft de keuze: tegen de wind in terugfietsen naar El Calafate in de hoop daar een velg te vinden van 28 inch diameter, of doorfietsen met ons tot Puerto Natales dat nog een paar honderd kilometer verder ligt over grotendeels ongeasfalteerde weg. Hij kiest voor het laatste en als de velg het helemaal zou begeven, zal hij liftend tot in Puerto Natales moeten zien te geraken. Het is wel een risico, want als de velg het plots zou begeven in een afdaling zou hij een lelijke val kunnen maken. Hij ontkoppelt zijn achterrem om de velg minder te belasten. Er volgt een klim van 10 km, maar met de steun van de wind rijden we vlot naar boven. 600 meter hoger dalen we weer geleidelijk af. Met de wind in de rug halen we vlot bijna 80 km per uur, zelfs Brian die even zijn velg vergeten was. Je ziet hier regelmatig “ñandus” langs de kant van de weg, een soort variant van de struisvogel of emoe. Wanneer we bijna honderd kilometer ver zijn moeten we naar rechts afslaan, een ongeasfalteerde kiezelweg in. Op het kruispunt is een post van wegenwerkers. We stoppen er om nog snel onze watervoorraad aan te vullen. De eerste 20 km die volgen hebben we de wind in de zijde, maar nadien, wanneer de weg draait, moet er weer hard gewerkt worden. Niet alleen de wind, maar ook het slechtere wegdek vertragen onze vooruitgang. Op sommige stukken moeten we serieus op de tanden bijten om enige afstand te overwinnen. Door de hevige wind besluiten we maar door te rijden, al zijn we alle drie moe, want onze tent opzetten met deze wind is toch zo goed als onmogelijk. Af en toe komt er een wagen langs gereden. De mensen zijn altijd enthousiast als ze fietsers zien. Maar sommigen rijden ons in volle vaart voorbij en dat doet niet alleen veel stof opwaaien, ook de stenen vliegen in het rond. Marc krijgt een steen in z’n zij, vlak onder de ribben. Het is een harde klap, alsof iemand je een vuistslag in je ribbenkast geeft. Na meer dan 140 km geven we er de brui aan. De zon is net onder, de wind is eindelijk een beetje gaan liggen en het is koud geworden. Na wat zoeken, vinden we de geschikte plek voor de tenten, achter een heuveltje dat ons zal moeten beschermen tegen de wind.

 

30 december 2007 El Cerrito+48km - Tapi Aike (328m) 21.8 km (74 meters geklommen)

De wind was vannacht gaan liggen, maar nog voor we alles weer ingepakt en ontbeten hebben, staat hij er al terug en neemt snel in kracht toe. Na 10 km houden we al even pauze en schuilen we met ons drieën achter een dikke rots die langs de kant van de weg ligt. De volgende 10 km zijn een ware hel over het slechte wegdek dat er oneffen en vol met keien bijligt. En daarbij de felle wind, dat is nog eens een strijd apart. Uiteindelijk geraken we aan het kruispunt in Tapi Aike. Een politiepost, een wegenwerkerspost en een klein benzinestation is alles wat Tapi Aike te bieden heeft. Het tankstation stelt niet veel voor en tot onze grote teleurstelling hangt op het venster van het bijbehorend winkeltje de boodschap “cerrado”, wat “gesloten” wil zeggen. Een groep van een tiental Italiaanse motorrijders komt aangereden en houdt halt om te tanken, maar ook de pomp is gesloten. Een oude man met een al even oude auto staat als eerste in de rij te wachten voor de pomp en vertelt ons dat de man van het tankstation waarschijnlijk aan het eten is. Ondertussen zwelt het aantal wachtende voertuigen steeds maar aan. Wij houden een picknick op de grond voor het winkeltje, beschut tegen de wind. Christine tracht de politie wat brood te ontfutselen en de vriendelijke mannen geven haar een half stokbrood mee dat we eerlijk verdelen tussen ons drieën. Er stopt ook een kampeerwagen met Franse nummerplaten. De oudere vrouw komt een babbeltje slaan en vertelt ons dat ze samen met haar Canadese man een lange reis maakt door de wereld. Haar man heeft vroeger ook gefietst en weet hoe hard het soms kan zijn. Ze vraagt of we niets moeten hebben om te eten. Ze gaat in de camper water koken voor koffie en brengt ons even later niet alleen een thermos warm water, maar ook gekookte eieren, hesp, kaas, rozijnen en brood. Ze wil nog meer brengen, maar we zeggen dat het zo al meer dan genoeg is. Ondertussen is de man van het pompstation komen opduiken vanuit het kleine huisje ernaast. Hij bedient de eerste auto in de rij en zegt dan tegen de andere wachtenden dat hij gesloten is. Sommige van de andere voertuigen vertrekken dadelijk, het wachten beu, maar de Italiaanse motorrijders zijn er niet mee opgezet. De pompbediende herhaalt dat hij gesloten is, maar dat de man die hij net bediende een goede kennis is. Een Argentijnse autochauffeur gaat door het lint en scheldt de pompbediende de huid vol, terwijl ook de Italiaanse motorrijders hun duit in het zakje doen met allerhande scheldtirades in het Italiaans, we menen zoiets als “face mio culo” te horen. Het is eigenlijk objectief gezien een grappig schouwspel, al zijn we zelf ook min of meer slachtoffer van de situatie en al staan we weeral eens versteld van de Argentijnse manier van zakendoen. Nadat hij de pompbediende nog eens de volle laag heeft gegeven, vertrekt de Argentijnse chauffeur met piepende banden, op weg naar het volgende tankstation, dat minstens 100 km verder en over de Chileense grens ligt. Aan de Argentijnse kant dien je al 200 km verder te rijden. Ook de Italianen vertrekken boos. Argentijnen klagen veel dat ze te weinig verdienen in vergelijking met ons, maar als er geld te rapen valt, doen ze dit blijkbaar enkel als het hen goed uitkomt. In een straal van meer dan 200 km is hier niets om je te bevoorraden. Geen wonder dat mensen hier massaal stoppen, temeer daar het aan de legendarische “ruta 40” ligt en heel wat toeristen met eigen vervoer langs hier rijden. Ondertussen staat er inderdaad alweer een nieuwe rij wachtende auto’s en uiteindelijk komt de man ze toch bedienen. Er staan ook 2 jeeps die de groep Italiaanse motorreizigers begeleiden. We vertellen de chauffeurs dat de motorrijders zijn moeten vertrekken zonder benzine, waarop ze alle jerrycans op het dak van de jeeps beginnen te vullen. Er volgt nog eens een discussie tussen de man en de Italianen van de jeeps over hoeveel er nu juist getankt is en hoeveel er te betalen is. Het winkeltje is ook juist opengegaan, maar meer dan wat frisdrank en koekjes is er niet te krijgen, ondanks het vele cliënteel dat hier langskomt. Bij de politie gaan we onze watervoorraad opnieuw aanvullen. De man van de wegenwerken zegt dat we in zijn hangar mogen gaan zitten schuilen voor de wind. Hij voegt eraan toe dat we misschien beter ineens onze tent opzetten om dan pas ‘s morgens vroeg verder te fietsen als er normalerwijze minder wind is. Maar we willen toch nog een poging ondernemen, vooral omdat de weg vanaf hier terug geasfalteerd is. Maar zelfs in de kleinste versnelling geraken we amper vooruit. Na één kilometer besluiten we al dat het een onbegonnen zaak is. Zonder trappen duwt de wind ons tegen meer dan 20 km per uur terug naar het kruispunt. We rollen onze matjes uit in de hangar en kruipen in onze slaapzakken, terwijl de wind in volle kracht op de wanden van onze schuilplaats blijft inbeuken. Misschien doen we vanavond nog een poging. Maar de wind gaat niet echt liggen. We mogen de keuken gebruiken van de wegenwerkers. Terwijl we snel wat spaghetti koken, maken we een praatje met de man die hier de boel bewaakt en stand-by moet blijven aan de radio. We vernemen dat de Argentijnen vannacht naar het zomeruur zijn overgeschakeld en dat het al één uur later is dan wij denken. Nu gaat de zon pas onder rond 23.00 uur. We besluiten om vanavond geen poging meer te ondernemen, maar morgen in alle vroegte te vertrekken.

 

31 december 2007 Tapi Aike – grens met Chili (300m) – Cerro Castillo+42 km (Chili) (182m) 99.2 km (655 meters geklommen)

We staan op om 3 uur en maken ons snel klaar in het licht van onze hoofdlampjes. Het is windstil en de temperatuur ligt onder het vriespunt. Je moet er soms wat voor over hebben als je alles wilt fietsen. Verkleumd en in het donker proberen we de kilometers erdoor te malen. In de verte in het zuiden lijkt de zon nooit onder te zijn gegaan, er blijft altijd een schijn van licht te zien. Rond 6 uur laat de zon zich langzaam zien en de eerste stralen warmen ons al dadelijk op, maar het blijft kil. Na ongeveer 40 kilometer slaan we een kleine ongeasfalteerde weg in die ons naar het plaatsje Cerro Castillo in Chili moet brengen. De grensovergang aan de Argentijnse kant verloopt vlot. Aan de Chileense kant staan echter een paar volle bussen met toeristen die, net zoals wij, op weg zijn naar het Nationaal Park Torres del Paine, en hier duurt het een hele tijd voor we ingestempeld zijn. In het dorpje Cerro Castillo is er een restaurantje. De gezellige warmte maakt dat we ons na het lekkere eten alle drie loom voelen en we blijven er lang zitten praten bij een koffie. Als we ons uiteindelijk toch in beweging zetten, gaan we ons bevoorraden in het enige winkeltje van het dorp met de beperkte keuze die er is. Het is uiteindelijk al na 14.00 uur voor we terug vertrekken. We twijfelen even want de wind is ondertussen weer hevig komen aanzetten. Met volle kracht trappend en toch met weinig snelheid vooruitgaand, proberen we de wind te trotseren in de hoop dat de weg misschien een meer gunstigere richting uitdraait. Maar om Torres del Paine te bezoeken moeten we een stuk noordwaarts fietsen, en daardoor blijft de wind ongunstig voor ons. De wind hier in het zuiden komt vooral uit het westen of noordwesten. Je voelt ook al dadelijk aan de steilheid van de klimmetjes dat we terug in Chili zijn. Bovendien is het hier ook weer ongeasfalteerd, wat het er niet gemakkelijker op maakt. We zien twee puntjes snel in onze richting naderen. Het blijken twee fietsers te zijn die wind mee hebben. Het Duits-Spaanse fietskoppel stopt en we maken een praatje. Een beetje later zien we een nieuw puntje op de achtergrond verschijnen. Deze keer is het een ouder Duits fietskoppel met een tandem. Na de gebruikelijke info-uitwisseling gaan zij er als een sneltrein vandoor, terwijl wij de strijd met de wind hervatten. Achter een struik zien we een vos die net z’n prooi zit op te eten, terwijl een condor hoog in de lucht op zoek is naar een prooi. We krijgen een eerste blik op de skyline van de bergen in het park met zijn steile, massieve pieken vol sneeuw. We zouden vandaag nog graag tot aan de ingang van het park geraken, maar wanneer de weg weer westelijk draait, rijden we tegen een muur van wind aan. Na 12 km worstelen tegen de wind, staken we de strijd en zetten onze tenten op achter een struik die ons moet beschermen tegen de wind. Na wat noedelsoep en brood, en een laatste blik vanaf een heuveltje op de “torres”, de 3 steile bergpieken waarnaar het park genoemd is, zit onze oudejaarsavond erop en liggen we alle drie nog voor tien uur in onze slaapzakken.

 

1 januari 2008 Cerro Castillo+42km - Camping Torres del Paine (197m) 23.5 km (267 meters geklommen)

Wanneer we ‘s morgens wakker worden, horen we de regen op de tent tikken. Dus blijven we allemaal lekker droog in de tent zitten terwijl we af en toe door het tentzeil met elkaar praten. Na een tweetal uurtjes verschijnt de zon en kunnen de tenten wat drogen. En tegen elven zijn we uiteindelijk klaar om opnieuw op pad te gaan. De bergen zijn volledig verborgen achter een dikke laag wolken en met de wind die weer present is zal het niet lang duren voor we weer nattigheid voelen. We zien nog maar eens een ñandu lopen, maar ditmaal met vele kuikentjes die zo groot zijn als een volwassen kip. Het loopt hier ook vol met guanaco’s, een soort lama-achtig dier verwant met de kameel. De jongen zijn schattig en hebben een hoog bambi-gehalte. In het meer Laguna Amarga zien we welgeteld één flamingo. Wanneer we na 15 km aan de ingang van het park aankomen, begint het licht te regenen, net op tijd om even te schuilen en op te warmen in het gebouwtje van de parkwachters. De inkomprijs is duur, we betalen bijna viermaal zo duur als een Chileen. We rijden door naar een camping die 8 km in een zijweg ligt. We moeten hiervoor een kleine brug over die zo smal is dat het voor sommige van de toeristenbusjes millimeterwerk is om erover te geraken. Na wat korte, steile klimmetjes over een heel slechte weg vol rotsen, en heel wat duwwerk van Brian vanwege zijn dubbele plateau (hij heeft slechts 2 tandwielen vooraan, terwijl wij er 3 hebben), zien we in een vallei veel gebouwen staan en ook wat tenten. Daar moet het zijn. Net op tijd, want het begint weer volop te regenen. We gaan vlug schuilen in een refugio, dat is een berghut die overnachting en maaltijden aanbiedt, in dit park echter tegen zeer hoge prijzen. Zo kost een stapelbedje in een slaapzaal van 6 personen 35 dollar per nacht. Na een halfuur te blijven rondhangen in de refugio stopt de regen en fietsen we naar de camping een beetje verder. We zoeken ons een plaatsje tussen de bomen om de tent op te zetten en maken een kampvuurtje om ons op te warmen. Brian gaat nog op zoek naar brood, maar komt van een kale kermis thuis. Een brood kost omgerekend meer dan 4 euro. Het park is heel toeristisch en ontzettend duur. Na eten gekookt te hebben, kruipen we in onze warme slaapzakken in de tenten.

 

2 januari 2008 Camping Torres del Paine - Camping Pehoé (60m) 36.1 km (664 meters geklommen)

Het heeft heel de nacht geregend. We maken nog maar eens een kampvuurtje om ons wat op te warmen en wat van ons oud brood te roosteren, terwijl we onze tent in de zon laten drogen en de slaapzakken wat laten uitwaaien, want als het ’s nachts regent voelt hoe dan ook ’s ochtends alles in de nochtans waterdichte tent vochtig aan vanwege de condensatie. Het weer is redelijk, maar de bergen blijven verlegen en verstoppen zich achter een sluier van wolken. We besluiten toch maar aan de wandeling te beginnen, of moeten we zeggen de trekking zoals zovelen het graag noemen. Aan de kiosko (=klein winkeltje) gaan we eens kijken wat ze verkopen, want het is het enige winkeltje hier. De keuze is weer zeer beperkt en brood verkopen ze vandaag niet vanwege de feestdagen. We bevoorraden ons met zoutcrackers, kaas en koekjes, en vragen aan de dame of we er onze bepakte fietsen mogen achterlaten. Het wandelpad trekt hoog de bergen in en we krijgen een mooi zicht op de complete vallei. Het wandelpad dat nogal druk belopen wordt, baant zich een weg door een smallere vallei met snelstromend riviertje. Na 2 uur wandelen lijkt er nog steeds geen opklaring in zicht. Integendeel, het weer is veel slechter geworden, we zijn nu volledig omringd door wolken en het begint zelfs te sneeuwen. We zijn wel niet meer ver van de beroemde “torres”, maar wanneer we aan een terugkerende wandelaarster vragen wat ze gezien heeft, zegt ze “wolken, vele, mooie wolken”. We twijfelen, maar besluiten dan toch maar terug te keren, want in de bergen weet je nooit, het kan van het ene op het andere moment opklaren. Aan de kiosko pikken we snel onze fietsen terug op en lunchen met zoutkoekjes en kaas. Wanneer we klaar staan om te vertrekken, komen we het Frans-Canadees koppel met hun camper tegen dat op het kruispunt van Tapi Aike zo gul was geweest met eten. De man is zeer enthousiast en de vrouw is weer bezorgd dat we niet genoeg te eten hebben. We krijgen nog een brood mee. Een echte moeder voor de fietsers. En het brood is zeer welkom deze keer. We nemen afscheid en leggen weer de 8 km naar de ingang van het park af over dezelfde slechte weg. Daar vliegen twee condors dichtbij en we nemen de tijd om hen te observeren. We krijgen nog een paar steile klimmen te verwerken, maar worden dan ook beloond met mooie zichten. De bergen zijn ondertussen wat meer ontsluierd van hun wolken en dat zorgt soms voor een spectaculair landschap. Maar plots wordt het ijskoud en meten we nog maar 7 graden, en in de wind is het zelfs nog kouder. Je kan hier in één uur tijd vier seizoenen meemaken en dat betekent iedere keer stoppen om iets aan of uit te doen. Aan het Lago Pehoé zien we hoe het Lago Nordenskjold door middel van een zéér grote en krachtige waterval het Lago Pehoé van water voorziet. Het uitzicht op de grillige pieken van de Torres del Paine maken dit alles grandioos. Op de camping van het Lago Pehoé slaan we onze tenten op. Het winkeltje dat er is verkoopt niet meer dan snoep. En in het restaurant is dan wel brood te koop, maar ze vragen bijna 5 euro voor een kilo. We besluiten onszelf te trakteren op een menu in het restaurant, als laat oudejaarsmenu dan, maar geen geluk, de keuken net dicht gegaan, we kunnen enkel nog een klein soepje krijgen. Na dat in een wip verorberd te hebben, kopen we toch maar het peperdure brood en eten dat in de koude en het donker voor onze tent op.

 

3 januari 2008 Camping Pehoé - Puerto Natales (20m) 100.7 km (1403 meters geklommen)

De zon straalt vandaag en de machtige pieken van de Torres del Paine laten zich in hun volle glorie bewonderen, en dat is werkelijk indrukwekkend. Na het ontbijt vertrekken we, maar we hebben constant de neiging om achteruit te kijken om de pracht van de reusachtige grillige pieken te bewonderen. Het overige landschap is ook ontzettend mooi, maar die bergen stelen gewoon alle aandacht. We hebben vooral het voordeel van de wind die zéér krachtig is. Wanneer de weg plots even draait, kunnen we aan den lijve ondervinden hoe krachtig de wind wel is. Christine gaat als eerste tegen de vlakte, gewoon omgeblazen door de wind met bepakte fiets en al. Brian overtreft Christine door tweemaal tegen de vlakte te gaan. We moeten een brug oversteken, maar de wind laat dit met moeite toe. Het water van de rivier Paine stuift met de kracht van de wind metershoog de lucht in. Wanneer we aan de hoofdingang van het park komen, kunnen we ons met moeite rechthouden. We schuilen even achter de container van waaruit de toegangstickets verkocht worden en die bemand wordt door 2 loketbedienden die ons aangapen als waren we buitenaardse wezens. Zij beamen dat er vandaag uitzonderlijk veel wind is. Dat belooft voor een regio die is gekenmerkt door zo al sterke winden. De volgende kilometers die nu voor ons liggen zullen zeer lastig worden. Achter de container proberen we al onze moed bijeen te schrapen om de beuk erin te zetten. De weg die volgt is een lange rechte weg in een open vlakte met een monsterachtige, grillige wind die niet in ons voordeel waait. De kracht van de wind is ongelooflijk. Zelfs stilstaand kan je je amper overeind houden, laat staan fietsend. En de windstoten er tussendoor blazen je in een paar seconden gewoon van de ene kant van de weg naar de andere of zelfs helemaal van de weg af. Gelukkig is hier zo goed als geen verkeer. De slechte conditie van de ongeasfalteerde weg helpt ons zeker niet. Als we de volgende 5 km kunnen overbruggen, komen we terug in een gunstige richting te zitten. We proberen te fietsen, maar moeten om de 5 meter stilstaan. Wanneer Christine nog maar eens tegen de grond smakt, besluiten we om het te voet te proberen. Maar zelfs dat lukt niet voor Christine. Marc, die al een heel stuk verder was geraakt, komt terug en probeert dan maar naast Christine te lopen om de wind wat af te blokken, maar zelfs dan blijft het lastig om de wind te trotseren. Wanneer er windstoten tussen door komen, blijven we gewoon stilstaan met de remmen ingedrukt en proberen met volle kracht de fiets recht te houden en zorgen dat we niet omgewaaid worden. Zo’n windstoot duurt ongeveer een minuut en vergt veel van je krachten, je moet tot het uiterste tegenduwen om niet om te vallen. Brian is al verder gevorderd en ligt ons achter een piepklein heuveltje (± 50 cm hoog) achter zijn fiets op te wachten. Wij doen er een uur over om 3 km af te leggen. Dan kruipen we bij Brian achter het heuveltje om wat te bekomen. Je wordt gewoon gek van die constante wind rond je kop. Het is echt heel vermoeiend. Daarna draait de weg en de wind staat ons nu gunstiger en doordat we hier ook de heuvels intrekken wordt hij ook wat afgeremd. Maar waar de windstoten nog vrij spel hebben, duwt de wind ons soms met een snelheid van meer dan 10 km per uur de berg op zonder dat we een trap moeten geven. Spijtig duurt dit nooit lang. Het landschap blijft prachtig met nog steeds een zicht op de “Torres del Paine” die zich meer en meer van ons verwijderen, en met hier en daar een prachtzicht over één van de meren waar we langsfietsen, het ene al groter dan het andere. Het is een kronkelende, heuvelachtige weg die je steeds weer een nieuw zicht op de dingen geeft. Een lange vlakke vallei die volgt laat de gereden kilometers snel aantikken. De klim die erop volgt, brengt ons naar een punt waar we een grote vlakte in de diepte zien liggen met in de verte iets dat op ene stadje aan het water gelijkt. Het stadje moet Puerto Natales, het water de zee. Maar het zou Chili niet zijn als de weg niet zou afdraaien om eerst nog een paar steile klimmetjes te trekken door de heuvels naast de vlakte. We rijden voorbij de 3rots van de duivel”, een grote overhellende rots naast de weg waarin je een gezicht kan herkennen. De Cueva del Milodon, de grot die hier nog te bezoeken valt via een wandelpad van 8 km heen en terug, rijden we voorbij. We hebben alle drie maar één ding voor ogen en dat is “eten en nog eens eten”. Een jeep met Braziliaanse toeristen komt naast ons gereden en vraagt vanwaar we komen en waar we naartoe gaan, en vragen of we genoeg water bij hebben. Enthousiast moedigen ze ons aan. Argentijnen en Chilenen staan ook altijd vol bewondering voor fietsende reizigers. Je ziet constant de duim omhoog gaan wanneer een wagen langskomt, anderen doen teken met hun lichten of laten hun claxon, dat laatste is soms wat minder prettig. We krijgen nog een prettige verrassing. De laatste 17 km naar het stadje blijken geasfalteerd te zijn en als een sneltrein rijden we er naartoe. In de haven zien we een grote ferry liggen die morgenvroeg zal vertrekken. Brian zal zo’n ferry nemen als zijn tocht naar Ushuaia erop zit. Een vierdaagse reis over zee brengt hem dan naar het noordelijk gelegen Puerto Montt, beginpunt van de Carretera Austral, van waaruit hij zal verder naar Santiago trekken voor zijn vliegtuig huiswaarts. De wind is weer hevig komen opzetten, de zon is verdwenen en koude heeft de plaats ingenomen. We vinden na heel wat zoeken een sobere kamer bij een zeer vriendelijke mevrouw. ’s Avonds gaan we samen met Brian eten terwijl de wind hevig op het restaurant blijft inbeuken.

 

4 - 5 januari 2008 Puerto Natales (20m)

De wind heeft de hele nacht lelijk blijven huishouden en ook ’s morgens stormt het nog steeds. De vriendelijke mevrouw vertelt ons dat dit zeer uitzonderlijk is voor deze tijd van het jaar (zomer) en dat er voor de komende 2 dagen ook veel wind voorspeld is. We houden hier een rustdag en schuimen de verschillende grootwarenhuizen af. Wat een overvloed aan eten. Dat is héél lang geleden, bijna van in Bariloche. Enkel in Coyhaique waren er nog grootwarenhuizen die naam waardig. Brian vindt hier tot zijn groot plezier zelfs pindakaas. Ook Nutella wordt hier verkocht, maar tegen zeer hoge prijs. Brian gaat op zoek naar een fietsenmaker. Die heeft niet echt een goede velg in huis en ook niet de juiste maat, maar de fietsenmaker stelt een min of meer bevredigende oplossing voor: hij zal Brian’s voorvelg naar achter verhuizen en zal in het voorwiel een velg steken van mindere kwaliteit en iets kleiner dan 28 inch. Bij onze vele bezoeken aan de winkels en de restaurants merken we dat de wind nog altijd zéér sterk blaast en dus besluiten we alle drie nog een dagje langer in het huis van de vriendelijke mevrouw te blijven. Er is gratis (zeer langzaam) internet (toch op de momenten dat haar kleindochter niet zit te chatten), maar vooral is er ook een zitkamertje met groot raam waar doorheen we zicht hebben op de zee en de wind fel tekeer zien gaan in de golven. De vrouw biedt ons ook een dampende kom lekkere zelfgemaakte soep aan. Als ze wat bij ons komt zitten babbelen, wijst Marc langs de vrouw heen naar de zee door het raam en vraagt aan haar “Is dit normaal?”. Hij bedoelt de felle wind, maar de vrouw antwoordt “Oh no, no es normal, pero todavia no lo he peinado hoy” terwijl ze door haar haar wrijft (vertaling: “oh nee, dat is niet normaal, maar ik heb het vandaag nog niet gekamd”). Marc die het antwoord niet begrijpt, kijkt vragend naar Christine die zich ook afvraagt wat de vrouw nu eigenlijk wil zeggen over de zee, tot Christine plots door heeft dat de vrouw dacht dat Marc op haar wees en niet op de zee. Grappig.

 

6 januari 2008 Puerto Natales - Villa Tehuelches (220m) 150.5 km (858 meters geklommen)

We krijgen een gratis ontbijt van de vriendelijke mevrouw. Dat heeft ze ons gisteravond gezegd. Naar goede Chileense gewoonte heeft ze alles klaar gezet, want opstaan ’s morgens is niet hun sterkste punt. Het is al 9 uur voor we klaar staan, net op tijd voor een laatste groet aan de mevrouw die met haar dag start. Ze vertelt ons dat er in het dorpje Villa Tehuelches feesten aan de gang zijn met rodeo en asado’s, zeg maar de Zuid-Amerikaanse barbecue. Het enige probleem is dat het dorpje 150 kilometer verder ligt. Op zich geen probleem, want we rijden vanaf hier terug op asfalt, maar met de weersomstandigheden weet je nooit. Met een langzame klim stijgen we weer boven Puerto Natales uit. Na 40 km vlot rijden, komen we de Nederlandse fietser Martin tegen die langs de kant van de weg zit te picknicken. We doen nog maar eens een lange babbel en wisselen, zoals het meestal tussen fietsers gaat, nog wat nuttige info uit. We hadden vandaag wind in de rug moeten hebben, maar het is één van die zeldzame dagen zonder één zuchtje wind. Maar beter geen wind dan kopwind, denken we dan maar. Regelmatig zie je hier vossen rondlopen, en echt schuw zijn ze niet. Meestal maken ze zich wel uit de voeten, maar blijven nieuwsgierig van op een afstand staan kijken. We laten ons door een golvend parcours glijden. Het landschap bestaat uit pampa, d.w.z. dor gras, lage struiken, en af en toe eens een boompje. Aan beide zijden van de weg staat er voortdurend prikkeldraad omdat de meeste grond behoort bij een estancia. Dat is een  immens grote boerderij die vee kweekt op haar uitgestrekte terreinen. Aan de rivier Rio Rubens houden we halt om wat te eten, terwijl een condor hoog in de lucht zijn lunch nog aan het zoeken is. Het landschap stelt je in staat om mijlenver te kijken, en zo ver we kunnen zien, is het enkel “pampa no mas” (= “niets dan pampa”). Wanneer we rond 5 uur ’s avonds aankomen in het dorpje Villa Tehuelches blijken de feestelijkheden al gedaan te zijn en ligt de arena er verlaten bij. Het dorpje is alweer in alle rust verzonken. Het lokale pensionnetje zit vol met wegenwerkers. We zoeken dan maar een plaats voor de tent, maar Christine gaat toch nog eens vragen bij de brandweer of we onze matjes in de kazerne mogen leggen. Dit kan enkel mits toestemming van de kapitein, vertelt men ons. We gaan hem opzoeken in het dorp en het blijkt geen probleem te zijn. Hij en zijn vrouw komen met ons mee. De keuken waar we mogen slapen dient nog opgeruimd te worden van het feestje dat ze gisteren hielden om de verjaardag van het korps te vieren. De man en de vrouw zijn overvriendelijk, en zeggen ons dat we alles uit de keuken mogen gebruiken. We mogen zelfs de overschot van de wijn en de cola opdrinken. En er staat ook nog koffie en thee. Een ideale slaapplek, vooral omdat een paar regenwolken onze richting dreigen uit te komen.

 

7 januari 2008 Villa Tehuelches - Punta Arenas (62m) 104.4 km (451 meters geklommen)

Zoals verwacht, heeft het vannacht goed geregend, en we zijn blij dat we geen natte tent moeten inpakken. Het is nog steeds erg bewolkt en er valt nog steeds wat nattigheid, maar nog geen half uur later is het zo goed als gedaan. We rijden eerst nog even langs het gemeentehuis om de kapitein te bedanken. De hemel die we tegemoet rijden is klaarder en de donkere wolkenmassa trekt schuin aan ons voorbij. Na 20 km stoppen we bij een kunstwerk bestaande uit verschillende hoge ijzeren palen die ze hier in het niets hebben neergeplant ter ere van de wind. Het kunstwerk heet “Homenaje al viento”. We denken er aan om hier ook een kunstwerk ter ere van de wind in de rug te zetten, want ook vandaag is er geen zuchtje wind, en dit net nu we voor een keer in de goede richting rijden. Het landschap gelijkt op dat van gisteren en de schaarse bomen die er staan, tonen overduidelijk met hun groei de richting van de wind aan. Bij een benzinestation, de enige zaak op heel de weg, houden we halt voor een koffie. De benzinestations op onze route doorheen Argentinië en Chili zijn zo schaars dat ze door ons bijna als een attractie beschouwd worden. En stel je geen moderne pompen voor met alle infrastructuur, want deze vind je enkel in een grote stad. Neen, het is meestal een heel simpele en ook wat verwaarloosde bedoening. Je mag al blij zijn als ze frisdrank verkopen. Wanneer we buiten ons brood zitten op te eten, stopt er een motorrijder met hetzelfde idee als ons, een koffie drinken. Het blijkt een Nederlander te zijn die in België woont en op weg is naar het noorden. Het is Rens, een sympathieke kerel, en we praten over onze reizen. Rens zegt dat hij getwijfeld heeft tussen fiets en motor, en dan toch beslist heeft voor de motor, en nu hij het landschap hier ziet is hij blij met zijn keuze, zegt hij. Het pompstation ligt aan een meer en er staat hier een vervallen fietsvaartuig. Het is een fiets gemonteerd op twee lange buizen. De trapas drijft een cardanas aan die aan een schroef bevestigd is. Wij houden het voorlopig bij landfietsen, waterfietsen gaat nog een stap verder. Hier splitst de weg ook af naar Rio Gallegos waar je dan in Punta Delgada een ferry kan nemen om de straat van Magellaan over te steken naar Tierra del Fuego. Vanaf hier wordt het verkeer drukker. De weg loopt golvend door het landschap. Geen steile klimmetjes meer. We krijgen de zee te zien, het is niet de open zee, maar zoals reeds gezegde de Straat van Magellaan, een natuurlijke zeedoorgang die de Atlantische met de Stille Oceaan verbindt. Een doorgang die beroemd en berucht is, want deze verbinding tussen de twee zeeën kan nogal onstuimig zijn en er liggen hier dan ook tal van eeuwenoude scheepswrakken. Voordat het Panamakanaal bestond, was deze doorgang de kortste weg om aan de westkust van het Amerikaanse continent of in Azië te geraken. De doorgang werd in gebruik genomen door ontdekkingsreizigers die trachten de hoge tolkosten om rond Kaap Hoorn te varen te “omzeilen”. In de verte zien we één van die scheepswrakken liggen. Het heeft slagzij gemaakt en steekt nog boven het water uit, maar het ligt zo ver dat we de zoom van onze camera als verrekijker moeten gebruiken om het te bekijken. Een 27-tal km voor Punta Arenas rijden we voorbij de grootste methanolfabriek ter wereld die we in de verte zien liggen. Even verder komen we nog eens het Frans-Canadese koppel met de motorhome tegen. Zij rijden Punta Arenas uit om deze nacht te gaan slapen ergens langs het water. Morgenvroeg rijden ze dan Punta Arenas weer binnen. We praten even met hen. De laatste kilometers worden drukker en drukker, we merken dat we in een grotere stad aankomen. Maar de stad valt nog mee, het heeft meer weg van een heel groot dorp. Nadat we wat rond hebben gezocht, vinden we goedkope kamers in een oud herenhuis bij een bejaard koppel. Nadat we de fietsen in de kamers hebben gezet en ons verfrist hebben, gaan we samen met Brian eten in een “tenedor libre” (= all you can eat) en we eten er ons buikje rond.

 

8 januari 2008 Punta Arenas (62m)

We besluiten hier een rustdag te houden, want we willen er van profiteren dat we terug in de bewoonde wereld zijn en alle eten binnen handbereik hebben. Na al de schaarste van de voorbije weken, misschien wel maanden, wordt het ter beschikking hebben van eten bijna een obsessie. We bezoeken het Museo Regional Braun-Menéndez, een weelderig uitgeruste villa van de 19de-eeuwse schapenkwekende familie Mauricio Braun, en in het Instituto de la Patagonia bekijken we de oude werktuigen die gebruikt werden op de boerderij. Tussendoor doen we de was, werken aan de website en informeren naar de ferry over de Straat van Magellaan die we hier zullen nemen om op Tierra del Fuego, dat immers een eiland is, te geraken.

 

9 januari 2008 Punta Arenas - Porvenir (74m) per ferryboot + 15.1 km per fiets (50 meters geklommen)

Brian vertrekt vandaag reeds met de ferry naar de overkant, beter gekend als Tierra del Fuego. Hij moet immers voortmaken, zijn tijd zit er bijna op. Wij twijfelen nog of we vandaag al vertrekken. We zien wel, de boot vertrekt vandaag pas in de namiddag. Wanneer Marc om 8.30 uur naar de winkel wil gaan, merkt hij dat de deur van het hotel nog gesloten is. Een andere gast wil ook naar buiten, maar hij krijgt de deur ook niet open. We kloppen herhaaldelijk bij de eigenaars aan en 20 minuten later komt de mevrouw in haar peignoir naar buiten om te vragen of er iets scheelt. Wil je een leven zonder stress, emigreer dan naar Chili of Argentinië, zouden ze zo zeggen. Kruip je graag vroeg in bed en slaap je graag uit ‘s morgens, kies dan voor Chili. Ben je meer het type dat graag een lange siësta doet in de namiddag en ’s avonds laat maar pas begint te leven, kies dan voor Argentinië. Wij hebben inmiddels besloten om ook vandaag de overtocht te maken. Er schijnt een lekker zonnetje en er is niet al te veel wind. We gaan snel nog wat inkopen doen, want we weten niet wat er te krijgen is aan de overkant. Hier zijn er trouwens grote supermarkten met uitgebreide keuze. Samen met Brian fietsen we zo’n 5 km langs de kustlijn naar de haven waar de ferry ligt. De Frans-Canadese mobilhomereizigers staan er ook te wachten op de inscheping. We kopen snel tickets en rijden de boot op. De voertuigen worden hier wel echt dicht op elkaar gezet. Op het dek praten we met Elisabeth van de Franse mobilhome. We noemen haar “de moeder van de fietsers”. Ze vertelt ons dat ze andere fietsers was tegengekomen en die hadden haar gezegd dat als je een fietser plezier wil doen je hem chocolade moet geven. En nu heeft ze een voorraad chocolade in de wagen opgeslagen. Ze vraagt of wij er geen moeten hebben, maar we bedanken haar, ze heeft al genoeg gegeven en Christine heeft haar eigen voorraad al opgeslagen. Na een lange babbel merken we dat we het allen koud gekregen hebben. De zon schijnt nog volop, maar de wind die van over de besneeuwde toppen van de Andes komt, kan ijskoud zijn. De boot krijgt plots gezelschap van grote wit-zwarte dolfijnen, “toninas” genoemd. Ze blijven langs de boot zwemmen en duiken af en toe onder de boot door naar de andere zijde, om nadien plots terug te komen. Ze trekken al onze aandacht en voor we het weten ligt het dorpje Porvenir in het vizier. We nemen afscheid van Elizabeth en Jacques, en rijden van de haven naar het dorpje dat 4 km verder ligt. Hier langs deze weg zou het huis staan waar de uitvinder van de gaskamers van de Nazi’s heeft gewoond tot zijn dood in 1996, maar we weten niet welk huis het is. In Porvenir nemen we ook afscheid van Brian die vanavond nog een paar uurtjes wil verder rijden om tijdig in Ushuaia te geraken. Wij besluiten het wat rustiger aan te doen en toch even in het dorpje te blijven. We vinden een eenvoudige kamer bij vriendelijke mensen. Het dorpje is rond de eeuwwisseling gesticht en was in die tijd bevolkt door veelal Joegoslavische immigranten. In de streek rond het dorp heeft ooit een goudkoorts gewoed. Hier en daar zouden nog vervallen stoommachines achtergelaten zijn als stille getuigen van die tijd. Eentje staat te pronken in het dorp. Je ziet ze wel meer in Chili, vooral op de Carretera Austral waar ze werden ingezet als houtzagerij. Het dorpje is ook de ideale uitvalsbasis als je geïnteresseerd bent in oude scheepswrakken. Langs de kuststrook noordelijk van hier liggen er verschillende. Onze interesse kwijnt snel weg als we beseffen dat we daarvoor tegen de harde wind in moeten fietsen.

 

10 januari 2008 Porvenir - San Sebastian (Argentinië) (68m) 156.6 km (1030 meters geklommen)

Het is vrij windstil vandaag, maar kil en bewolkt. Eén van de eerste dingen die je ’s morgens als fietser checkt is het weer, met op de eerste plaats de wind, want hij maakt je dag of breekt je dag hier in Patagonië. Vanaf hier tot aan de Argentijnse grens zitten we terug op ripio (= ongeasfalteerde weg). De weg klimt geleidelijk van het dorp weg om nadien weer af te dalen naar een soort meer dat vlak naast de zee ligt. Er ligt een basis van het leger en in de verte liggen vervallen tanks die als doelwitten gebruikt worden. Zoals op de meeste plaatsen waar we doorkwamen in Chili en Argentinië ligt alles er redelijk verlaten en onbewoond bij. Heel het land is verdeeld in enorme privé domeinen van duizenden hectaren groot, helemaal omringd door ijzerdraad. Zo’n domein is eigendom van een estancia. De estancia is het huis waarin de eigenaar woont. Meestal ligt het huis ver van de weg. Soms zie je enkel een bordje met de naam en een pijl met kilometervermelding, bv. Estancia Maria 40 kilometer, en zie je een aardeweg in het niets verdwijnen in de verte. Het gebouw kan groot en luxueus zijn of armzalig. Het enige dat ze bijna altijd gemeen hebben is dat het domein er rond onnoemelijk groot is. Een eigendom bezitten ter grootte van Vlaanderen of Wallonië is niet abnormaal hier. Veeteelt is hun voornaamste bezigheid. We volgen hier grotendeels de kustlijn, maar het gaat serieus op en neer en we krijgen nogal wat steile klimmetjes te verwerken. Af en toe zien we ruïnes van huizen en wat machines die liggen te roesten, overblijfselen van de goudkoorts. De wind steekt op en er trekt een korte, maar hevige regenvlaag over ons heen. Zo af en toe staan er verlaten barakken op het strand die worden gebruikt door de lokale vissers, al is het grootste deel van de weg volkomen verlaten. Wij hebben geluk dat er hier nu net van die hokjes staan en gebruiken ze om even te schuilen. De zee wordt onstuimig en in de verte over het water zien we de besneeuwde toppen van de Andes nog liggen. De weg wordt eindelijk wat vlakker na zo’n 60 km. Met de wind in de rug razen we door het landschap. We rijden voorbij een klein meertje dat vol flamingo’s zit, lang geleden dat we die nog gezien hebben. Verder heeft een boer van een estancia zijn schapen verzameld. Het lijkt wel één grote schapenwolk op het gras. Onbegonnen werk zijn om ze te tellen. Je zou erbij in slaap vallen. Aan de Chileense grenspost worden we voor de laatste maal uitgestempeld, Chili zit erop. We moeten nog zo’n 12 km overbruggen om aan de Argentijnse grenspost te geraken, en dat zijn dan ook dadelijk de laatste kilometers die we afleggen over ongeasfalteerde weg. Sinds Centraal-Amerika zien we voor de eerste maal opnieuw de Atlantische Oceaan. Aan de douane horen we dat Brian een uur geleden voorbij kwam. Het grensdorpje San Sebastian is niet groter dan 2 huizen en een paardenkop. Brian blijkt te zijn doorgereden, want hij is hier niet. Wij besluiten hier te blijven, want met de felle wind die is komen opzetten, vrezen we dat we misschien geen beschutte plaats voor de tent zullen vinden. Trouwens het is al laat ondertussen, halftien voorbij. Toen we de grens overstaken, hebben we een uur verloren vanwege het tijdverschil met Chili in de zomer. Maar het is nog volop licht en dat blijft zo tot middernacht.

 

11 januari 2008 San Sebastian - Rio Grande (90m) 82.3 km (247 meters geklommen)

De wind is niet gaan liggen vannacht en het waait nog steeds aardig. We zullen de wind niet in de rug hebben vandaag, maar op de flank. De weg loopt langs de kust, maar de zee is niet altijd zichtbaar. In deze streek wordt volop aan gas- en oliewinning gedaan, zowel te land als op zee. Hier en daar staan boortorens en de kenmerkende pompen onttrekken de olie uit de grond met een langzame cadans. De zon laat zich af en toe opmerken, maar zoals altijd voelt de wind koud aan. Met de zon moet je hier trouwens oppassen. Het gat in de ozonlaag ligt hier juist boven en dat is héél gevaarlijk. De UV-index staat hier altijd op maximum. Wij smeren ons dan ook in met een zonnecrème met factor 60. De crème is zo vettig en dik dat je er na het smeren lijkbleek uitziet. Z raden hier zelfs aan om ook te smeren bij bewolking. Zelfs de lippen krijgen een beurt, want door de wind en de zon zijn ze zeer kwetsbaar. We moeten op sommige stukken nog flink ons best doen. De weg draait soms in de richting van de wind en dan komt hij soms hard uit de hoek. We vinden niet echt een plaatsje om beschut te kunnen eten en na een lange uitstelperiode rijden we voorbij een fabriek in opbouw in dit dorre en verlaten landschap. Aan de twee gardes die in een hok aan de ingang zitten, vragen we of we even mogen schuilen voor de harde wind achter het hok. Geen probleem, de honden die er ook liggen te schuilen worden weggestuurd en wij mogen hun plaats innemen. In het grote hok waar de mannen zitten is nochtans ruimte zat. De mannen zetten na een tijdje wel één stoel buiten. Blij stellen we vast dat we toch nog meer waard zijn dan een hond. Maar we klagen niet, we zijn al lang blij dat we even een kwartiertje uit de wind zijn. Zo een ganse dag in de sterke wind is vermoeiend, het is koud en je zintuigen krijgen geen seconde rust. Als we verder rijden, zien we nog maar eens een grote kapel staan voor de door Argentijnen heilig verklaarde Gaucho Gil, typisch in het rood geverfd en omringd door rode vlaggen. Zo te zien heeft Gauchito hier in het zuiden ook een grote aanhang. Langzaam komen de eerste gebouwen van Rio Grande in zicht. We rijden voorbij de oude Salesiaanse missie, nu een grote tuinbouwschool. De eerste huizen die we in het groter dan verwachte stadje tegenkomen, blijken tot onze verbazing heel modern en veel verzorgder dan we tot nu toe in Argentinië gezien hebben. Er blijkt hier een grote welvaart te zijn en daar zit de gas- en oliewinning in deze streek voor iets tussen. Er is hier ook een grote militaire basis gevestigd en gedenkplaatsen met monumenten langs de kade eren de gesneuvelde soldaten van de Falklandoorlog. Ze kwamen hoofdzakelijk van deze basis. Grote propagandaborden langs de kant van de weg proberen ons te overtuigen dat de Falklandeilanden toebehoren aan Argentinië. In het centrum merken we dat het hier ook overvol met winkels is. Vele winkels verkopen merkkledij en luxeproducten die je ergens anders in Argentinië niet tegenkomt. De hoeveelheid winkels is niet evenredig met de grootte van het dorp. Nochtans wordt dit stadje niet overspoeld door toeristen. Daarvoor heeft het te weinig te bieden. In vele van de straten zijn muurschilderingen te zien, meestal met een sociale boodschap voor een betere wereld. In Hostel Argentino vinden we een onderkomen en de enthousiaste eigenares Graziella onthaalt ons hartelijk, vooral wanneer ze hoort dat Marc van Brussel afkomstig is, waar ze zelf ook enkele jaren heeft gewoond. We krijgen een koud flesje Argentijns bier aangeboden en ze verontschuldigt zich al lachend dat het geen Jupiler is. We maken er kennis met Christian, een Zwitserse fietser.

 

12 januari 2008 Rio Grande (90m)

We blijven een dag in het gezellige hostel met klanten van allerlei pluimage, sommigen wonen hier zelfs, zoals een zonderlinge Fransman. We kunnen hier de grote keuken gebruiken om te koken en daar maken we uiteraard gebruik van. We babbelen wat met de Zwitser die noordwaarts trekt via onze weg, nadat hij eerst via de oostkust 3.000 km vanuit Buenos Aires naar Ushuaia fietste. Hij vindt dat we ontzettend snel gaan, want hij zelf is in Buenos Aires vertrokken in augustus en is pas nu hier. We wassen onze kleren en werken wat aan de website, maar we hebben blijkbaar geen goede dag gekozen om hier te verblijven, want de zonderlinge Fransman zet rond 16.30 uur een grote luidspreker buiten en begint ontzettend luid technomuziek te spelen. Alle gasten kijken raar op maar laten hem begaan. We denken allemaal dat hij wel vlug zal stoppen, temeer daar we denken dat de buren hier toch ook niet mee zullen instemmen. Het is echt wel ontzettend luid. Wij gaan nog wat rondlopen om het stadje te bezichtigen en terwijl een ijsje eten, wat inkopen doen, enz. Als we een paar uur later terugkomen, is de Fransman tot onze verbazing nog steeds de luide muziek aan het spelen. Terwijl hij buiten zit te roken en te drinken naast zijn luidspreker, zitten al de andere gasten binnen terwijl ze de ramen en de deuren goed dichthouden. Terwijl wij ons avondmaal maken, komen er 2 oude BMWs aan. Het zijn de Duitse Axel en zijn Zuid-Afrikaanse vriendin. Ze zijn ook vanuit Buenos Aires op weg naar Ushuaia, en zullen daarna weer noordwaarts rijden tot helemaal in de Verenigde Staten. Dat is toch de bedoeling, maar ze hebben nu al veel problemen gehad met de Dnjepr-motoren (= oude Russische motoren). Als we gaan slapen rond 22.00 uur galmt de muziek nog steeds volle bak. Uiteindelijk zet de Fransman tot onze grote opluchting rond 22.30 uur de muziek af. Oef, wat zijn we blij. Zo uren aan een stuk van die luide technomuziek rond je oren is echt om horendol van te worden.

 

13 januari 2008 Rio Grande - Lago Fagnano (119m) 124.7 km (669 meters geklommen)

Vandaag ziet het weer er beter uit dan gisteren. We zijn weer als eerste op en vinden nog de sporen van de nachtbrakers in de keuken. We maken koffie en eten de ontbijtkoeken op die we gisteren in de bakkerij haalden. We maken ons klaar en tegen dat we willen vetrekken, zijn de anderen ook wakker geworden. We blijven nog wat praten, nemen afscheid van de Zwitserse Christian en geven nog wat info over Bolivia en Peru aan het koppel dat met de motor reist. We zien elkaar straks wel op de baan, gezien zij ook naar Ushuaia gaan. Na een fotoshoot met Graziella voor haar hostel, vertrekken we eindelijk. Wanneer we de stad uitrijden, botsen we op een Spanjaard eveneens per fiets op weg naar Ushuaia. Hij is onderweg voor een korte fietstrip van 10 dagen van El Chaltén naar Ushuaia. De Spanjaard babbelt tijdens het fietsen wat met ons en zegt dat hij zo’n vreselijke honger heeft gehad, omdat er hier gewoonweg nergens iets te krijgen is. We zeggen dat dat voor ons al maanden zo is en dat Christine bijna een obsessie van eten begint te krijgen. De eerste 10 km is het opboksen tegen de wind, want de weg loopt pal naar het westen. Christine geraakt maar moeizaam vooruit. De Spanjaard verlaat ons, want hij is gehaast. Hij is hier gisteren een Nederlandse toeriste tegengekomen en hij heeft deze avond een afspraak met haar zo’n 100 km van hier. Bovendien heeft hij de helft van zijn bagage aan haar meegegeven. Nadat de weg een scherpe bocht maakt, krijgen we de volledige steun van de wind. We peddelen rustig verder en worden verwend met mooie zichten op de Atlantische kust. De motorrijders van het hostel komen ons voorbijgereden. Ze claxonneren en steken hun hand op. Twee fietsers komen ons met moeite tegemoet gereden, tegen de wind in. Het zijn de Franse jongens Cyriel en Guillaume. Ze komen van Ushuaia en willen een deel van de Carretera Austral fietsen. Ze klagen over de sterke Patagonische wind  en kijken verbaasd als we zeggen dat het meevalt vandaag. Met echt sterke wind stonden we hier nu niet op het gemak te praten, want die vraagt gewoonweg al je energie om te blijven rechtstaan. Als de echte sterke wind er is, zul je het wel dadelijk merken, zeggen we hen, maar voegen er ook aan toe dat je gewoon wat geluk moet hebben, en ’s morgens vroeg vertrekken helpt ook, maar is geen garantie. Nog geen kilometer verder zien we een BMW met sidecar langs de kant van de weg staan. Het meisje is er bij gebleven om hem te bewaken, terwijl Axel op haar motor terug rijdt naar Rio Grande, hier 40 km vandaan. Ze hebben problemen met het differentieel dat de sidecar aandrijft. Een keerring heeft het begeven en de olie is eruit gelopen. Het slechte nieuws is dat er ijzervijlsel bijzat. Axel zal in Rio Grande op zoek gaan naar transport om het hele ding terug naar daar te takelen. Wij blijven nog wat met haar praten alvorens door te gaan. We lijken vandaag wel meer te praten dan te fietsen. In het volgende deel van de etappe verandert het landschap van dor naar een groener bebost gebied. De stralende zon heeft veel Argentijnen op de been gebracht en spijtig genoeg is het daardoor erg druk op de weg. Sommigen brengen hun zondag luierend met de familie door onder de bomen, waar ze een kleine “asado” (= barbecue) hebben opgezet. Sommige hebben zelfs de tent meegebracht om er hun heilige siësta in te houden. Maar heel vervelend zijn de motorcrossers die ons langs rechts in de ongeasfalteerde berm als gekken komen voorbij gereden, meestal op de weg gevolgd door een wagen. De moto’s maken een hels kabaal en laten grote stofwolken na. Zelfs kinderen rijden met gemotoriseerde quads in de berm, gevolgd door hun ouders met een kleine vrachtwagen of aanhangwagen. We zien ook een man die met zijn zelfgemaakte driewieler over de weg raast aangedreven door een grote propeller. Anderen lijken een racewedstrijdje Rio Grande – Tolhuin – Rio Grande te houden terwijl hun uitgebouwde auto’s ook al een ontzettend kabaal uitspuwen langs de speciale uitlaatpijpen. We zien dezelfde auto’s dus telkens twee keer, een keer heen en een keer terug. Ze komen ons tegen gevaarlijke snelheden voorbijgereden. En dit tussen het gewone verkeer. Een rustige zondag? Neen, niet op deze baan. In het dorpje Tolhuin stoppen we, want alle fietsers die we tegenkwamen vertelden over de ontzettend goede bakker hier die van heinde en ver gekend zou zijn. Sommige gingen zelfs zo ver dat ze zeiden dat we een dagje moesten blijven indien hij gesloten zou zijn. Aan het pompstation komen we een ietwat bizarre Duitse fietser tegen. Compleet onwetend over wat er hem te wachten staat, bestookt hij ons met rare vragen. Nu, dat is ook een manier van reizen. Waarom niet? De Patagonische wind waar alle fietsers zo over klagen vindt hij maar niks en hij doet er wat neerbuigend over. Ook tegen hem zeggen we dat de wind de laatste week vrij kalm was. “Geen probleem, ik kan de wind wel aan” zegt hij. We zeggen hem dat hij wel met meer respect voor de wind zal praten eens hij de echte sterke Patagonische wind aan den lijve ondervonden heeft. De wind kan hier zo sterk uit de hoek komen dat hij simpelweg een tientonner op z’n zijde kan leggen. Meer woorden maken we er niet meer aan vuil. Met ons drieën gaan we op zoek naar de beroemde bakkerij. Het is er een drukke bedoening, het lijkt wel een bedevaartsoord. Het staat er vol auto’s, en zelfs bussen stoppen. De Duitser ziet de drukte niet zitten en neemt afscheid van ons. Na onze inkopen twijfelen we of we naar de camping gaan die hier 3 km verder ligt, maar we besluiten nog wat verder te fietsen vandaag. We zullen wel zien wat we tegenkomen. We krijgen een mooi zicht over het meer Fagnano, waar de weg lijft langs lopen. Als we een andere camping tegenkomen, staken we onze rit voor vandaag, want we vonden onderweg geen enkel geschikt plaatsje, dus verder rijden heeft waarschijnlijk weinig zin. Op de camping is het ook moeilijk om een vlak plaatsje te vinden. De Argentijnen die hier staan zijn vooral dagjestoeristen die hier een asado komen houden en hun tent gebruiken voor hun siësta, maar hier niet blijven slapen. In de prijs die we moeten betalen (2 euro) zit per man 7 blokken hout inbegrepen, dus maken we maar een kampvuurtje op onze laatste avond vóór Ushuaia. We zijn pas laat in bed, want we babbelen (te) lang aan het kampvuur, misleid omdat de duisternis hier pas na twaalven intreedt.

 

14 januari 2008 Lago Fagnano - Ushuaia (93m) 97.9 km (1074 meters geklommen)

We zijn vroeg op en Marc heeft het kampvuur opnieuw aangemaakt. De tijd vliegt voorbij. Of treuzelen we gewoon omdat we onbewust het einde van de reis willen uitstellen? Wanneer we donkere wolken zien opdagen, pakken we dan toch maar snel onze spullen in en vertrekken. Na een tiental kilometers stoppen we om snel onze regenkledij aan te trekken, net op tijd voor een felle hagelbui die zich na een tijdje omvormt in regen. Gelukkig duurt het niet te lang, maar de regen heeft koude en wind met zich meegebracht. We laten het meer Fagnano achter ons en al dadelijk biedt zich een nieuw meer aan, het Lago Escondido. Vanaf hier klimt de weg naar een pas van amper 400 meter hoogte en geeft ons een prachtig uitzicht over het meer. De bergen zijn weer besneeuwd. De wind geeft ons onze laatste dag niet cadeau, maar gelukkig zijn we soms beschut door de bergen waardoor we er niet permanent last van hebben. We rijden voorbij een skioord dat claimt dat het het zuidelijkst gelegen is van heel de wereld. De piste ligt er nu, in de zomer, maar groentjes bij. We zien een vos aan de rand van het bos zitten. Hij is niet schuw voor ons, enkel voor voorbijrijdende wagens duikt hij de struiken in, maar komt dan algauw weer nieuwsgierig kijken. We eten een hapje en dat maakt hem nog geïnteresseerder. Marc geeft hem een stukje van ons oud brood. Telkens een beetje dichterbij tot 50 cm van ons voeten, dichter durft de vos niet komen. Wanneer Marc vertrekt, holt de vos achter hem aan in de hoop nog een hapje te versieren. Na honderd meter houdt de vos het voor bekeken en rent terug het bos in. Het dringt moeilijk tot ons door dat we de laatste kilometers van onze reis aan het fietsen zijn. Wanneer we het bord naderen met het opschrift  “Southernmost city of the world” stoppen we voor een foto. We hebben eerder een gevoel van morgen springen we toch gewoon weer onze fietsen op en rijden verder. Tot we zullen beseffen dat de weg hier daadwerkelijk eindigt en dat we aan “The end of the world” zitten, zoals men hier zegt.