Printversie

Dagboek Bolivia

 

2 september 2007 Kasani (grens Peru) - Copacabana (3936m) (Bolivia) 10.4 km (174 meters geklommen, vanaf Pomata in Peru)

De grensovergang verloopt vlot en relax. Van hier is het maar 8 km tot het dorpje Copacabana. De weg gaat wat op en neer, maar de afstand is snel overbrugd. We vinden vlug een hotel en merken al dadelijk dat de prijzen hier veel lager liggen. We gaan snel iets eten en we vinden een lekkere menu voor slechts 1 euro, nl. pindanotensoep met pasta, kingfish met frieten en rijst, en een dessert, echt lekker. Er staat hier in het centrum van het dorp een enorme kathedraal, het dorp is een echt bedevaartsoord. We hadden gisteren al wagens op de baan gezien die vol met bloemen hingen. We dachten dat het voor een trouwfeest was of zo, maar neen, ze kwamen blijkbaar allemaal van hier. De mensen komen immers naar hier om hun voertuigen te laten zegenen en dat kan hier blijkbaar 7 dagen op 7. Voor de kathedraal staan allemaal kleurrijke straatstalletjes met alles wat je je maar kan indenken of zelfs niet indenken om de auto te zegenen. Op de straat staat een hele resem auto's geparkeerd in dubbele rij te wachten op de zegen van de pastoor. De auto’s worden versierd met allerlei bloemen en andere kleurrijke dingen. De rijkere mensen spuiten een soort schuimwijn op de auto en de armeren doen het gewoon met een grote fles bier, alles verkrijgbaar bij de talrijke stalletjes. De zegen kunnen ze best gebruiken, want veel alcoholgebruik hoort er ook bij. Bij sommigen staat de bak bier er gewoon naast. Achter de kathedraal is de kaarsenkapel. De ingang is donker en zit vol oude mensen die bedelen. Daarna volgt een lange gang waar grote massieve stenen tafels in staan met daarrond allemaal mensen die hun kaarsje komen aansteken. Alhoewel er een bordje op de muur hangt "verboden kaarsvet op de muur te wrijven" hangen de muren vol met kaarsvet, soms in de vorm van een huis of soms gewoon een naam. Het hangt er gewoon van af voor wie of wat ze iets wensen. Buiten in de straten staan overal stalletjes met enorm grote, gekleurde zakken die vol zitten met popcorn. Het lijkt wel niet op die die wij kennen, het lijkt eerder op de schuimrubberen chips die ze in verpakkingen doen. Ze verkopen ook allerhande andere dingen zoals een soort zoete gepofte rijst, geroosterde noten, enz. In de overdekte markt zien we grote stukken rauw bruin vlees hangen en nog allerhande door ons niet meer te definiëren stukken vlees. Het is zondag en sommige stalletjes zijn dicht, alhoewel er hier en daar onbewaakt en op een lege toog nog een kop ligt van een koe of een varken en dit terwijl er hier honden vrij rondlopen. Buiten zien we nog een stalletje dat allerhande zaken verkoopt om offerandes te doen aan één of andere god. Ze verkopen ook gedroogde lamafoetussen om te offeren aan Pacha Mama (Moeder Aarde). We gaan eens tot aan de waterlijn en er heerst hier een ware vakantiestemming, met terrasjes en vele waterpedalo's (in de vorm van een zwaan) die je kan huren om een rondje te doen op het water. En ook hier staat het vol met gezegende voertuigen waarvan de mensen nog even komen genieten van de heerlijke middagzon.

 

3 september 2007 Copacabana (3850m)

Vandaag bezoeken we het Isla del Sol (= Eiland van de Zon). De boot vertrekt rond 9 uur en na bijna 2 uur varen meren we aan aan de noordkant van het eiland. Er ligt een klein, rustig dorpje. Voor de Inca's was dit een heel belangrijk pelgrimsoord, want dit eiland zou de geboorteplaats zijn van zowel de Zon als de Maan, alsmede van talrijke andere Inca-goden. Ook de eerste Inca's, Manco Capac en zijn moeder Mama Ocllo, werden hier "gecreëerd" in opdracht van de god Zon. Eigenlijk is dit het scheppingsverhaal waarin de hedendaagse indianen in Peru en Bolivia nu nog steeds geloven. De gids neemt ons mee naar het museum en daarna wandelen we naar de Heilige Steen, een soort schandpaal uit de Inca-tijd, waar diegene die één van de 3 Inca-wetten, nl. niet lui zijn, niet liegen en niet stelen, overtrad, aan vastgebonden werd, zodat iedereen hem kon zien. De gids vertelt ons dat deze wetten nu nog steeds nageleefd worden op het eiland en dat we hier gerust al onze zaken kunnen laten liggen zonder dat ze gestolen worden. Dan wandelen we langs de Tempel van de Zon, maar er blijft niet veel meer van over. Daarna klimmen we langs een steil Inca-pad omhoog. Het eiland ligt op 4000 meter hoogte en daarom hebben sommige reizigers moeite met de beklimming. De gids trekt een paar takjes van een plant, muña genaamd, en zegt dat ze die tussen hun handen moeten kapotwrijven en daaraan ruiken. Het zou zeer goed zijn voor de longen en ervoor zorgen dat je meer adem hebt. Boven bekijken we de grote ruïne Het Paleis, ook wel het labyrint genoemd. We dwalen tussen de muren door en vangen hier en daar een glimp op van het Titicacameer. Dan gaan we naar een soort plateau met aan de zijkant een grote rots waarin 2 grote gaten boven elkaar zijn. Deze worden beschouwd als de geboorteplaats van de Zon en de Maan, en naar hier komen de Zon en de Maan nog elke dag terug om te slapen. Er is ook een rots waarin je een gezicht kan zien en dat is volgens de indianen de god Viracocha. Er is ook een rots die op de kop van een poema gelijkt en die noemden de Inca's "Titi Khar'ka", oftewel "De Rots van de Poema" en daaraan heeft het Titicacameer zijn naam te danken. Op het plateau zelf staat de Ceremoniële Tafel. Hier werden vroeger mensenoffers gebracht. Nu worden er op bepaalde data, zoals 21 september, het begin van de lente hier, nog steeds offers gebracht maar dan met lama's en met allerhande offerandes die in Copacabana in de kraampjes verkocht worden. Als we terug wandelen naar de boot, komen we weer door het dorpje waar er juist gemeenteraad is op het plein. Aan de kade eten we een best te genieten friet met mayonaise. Dan varen we naar het midden van het eiland, waar we aanmeren en de Incatrappen en de Bron van de Eeuwige Jeugd gaan bekijken. We beklimmen de trappen waarlangs in kanaaltjes water naar beneden stroomt en zien boven de bron, waar water uit 3 gaten komt. Voor de Inca's stelde dit hun 3 wetten voor. Voor de bevolking van vandaag is dit hun watervoorziening. Ze komen hier wassen of water halen dat ze dan langs het steile pad omhoog dragen, naar de top van de heuvel waar het dorp ligt en waar er ook een paar kleine hostels zijn waar je kan verblijven. Er zijn hier ook verschillende restaurantjes voor de toeristen, zowel beneden, als in het midden en helemaal boven in het dorp. Wij eten hier en drinken er een lekkere muña-thee bij, goed voor onze longen, en nemen dan de boot terug naar Copacabana. Als we binnenvaren, komen we voorbij een gebouw van de marine, waarop een opschrift staat dat Bolivia recht heeft op de zee en er alles zal aan doen om ze te heroveren. Vroeger kwam het grondgebied van Bolivia immers tot aan de Stille Oceaan, maar sinds de oorlog met Chili die duurde van 1879 tot 1884, behoort heel dit gebied toe aan Chili en heeft Bolivia geen toegang meer tot de zee, en tot op vandaag zijn ze daar blijkbaar nog zeer kwaad over, getuige dit opschrift. Eenmaal terug aan land, gaan we nog vlug proviand inkopen voor de rit van morgen, gaan ergens eten en kruipen dan vlug in bed.

 

4 september 2007 Copacabana - Palcoco (4100m) 108.8 km (942 meters geklommen)

We klimmen uit Copacabana naar een pas van 4235 meter hoogte. Dit geeft ons een mooi zicht over het Titicacameer en het dorpje Copacabana, zelfs Isla del Sol is in de verte te zien. Wanneer we de pas naderen betrekt de lucht een beetje en wordt het dadelijk kil, maar het duurt niet lang of de zon komt weer door de wolken piepen. De weg is goed onderhouden, ieder gat in de weg is opgevuld met een mozaïek van keien of stenen. De wegenwerkers die dit doen, moeten er waarschijnlijk heel wat tijd in steken om al de stenen zo te leggen. Wanneer we een korte daling achter de rug hebben, gaat de weg op en neer, maar we blijven op hetzelfde niveau hangen, zo'n 200 meter boven het meer. Het landschap is hier zo mooi dat je zin hebt om hier de ganse dag over en weer te fietsen, maar we moeten verder en proberen er dan maar zoveel als mogelijk van te genieten. De combinatie van het blauwe water en de bergen is gewoonweg wondermooi. Plots komt er een bepakte moto met twee passagiers op ons afgereden en stopt. Het is het Braziliaanse koppel Emanuelle en Claudinei Daleffe (Mototerapia), dat een reis van 20 dagen door Bolivia, Peru en Chili maakt. Ze zijn enthousiast over onze reis en na wat praten en een foto zetten we ieder onze weg verder. Even verder dalen we dan toch af en krijgen we zicht op het Nauw van Tiquina, dat het Titicacameer verbindt met het meer van Huyñaymarka. We dalen af tot in het dorp Tiquina en zien er 2 bepakte fietsen staan. Ze zijn van het Zwitserse koppel Reto en Petra dat we al eerder tegenkwamen. Ze zitten hier te eten in een restaurantje. Ze zijn vanmorgen héél vroeg vertrokken uit Copacabana. We moeten het water over met een veer. Het zijn een soort grote houten vlotten met vele losse planken, waarvan je je afvraagt of ze wel vaarwaardig zijn. Zelfs grote bussen worden ermee vervoerd, de passagiers moeten dan wel met kleinere bootjes het water oversteken. Wanneer een grote vrachtwagen het vlot oprijdt, kunnen we mee en de Zwitsers volgen ons. Het is wel kijken waar je rijdt, want voor je het weet, val je in een gat met al die losse planken en reten. Het vlot wordt afgeduwd met een grote lange stok, waarna de rest van de weg wordt afgelegd met een miniscuul klein motortje. Aan de andere oever is het niet te harden van de stank. Ofwel komen de riolen van het dorp hier uit, ofwel is hier in de buurt de lokale sch...plaats van het hele dorp. Wanneer we de klim uit het dorp willen beginnen, zeggen de Zwitsers dat ze nog even een eetpauze gaan houden. Grote eters, die Zwitsers. Dus zetten wij de klim alleen in en na een paar kilometer zetten we alweer de afdaling in, waarna de weg licht op en neer blijft gaan met aan de linkerkant een mooi zicht over het Titicacameer. Op het meer varen kleine vissersbootjes die voorzien zijn van grote gekleurde zeilen. Het valt ons ook op dat hier in Bolivia alle nieuwe muren gemaakt zijn uit baksteen. In Peru zie je dat bijna niet in de dorpen, daar wordt momenteel bijna alles nog gebouwd in adobe (= leem). Hier zijn vele oude huizen ook nog in adobe, maar wanneer ze bijbouwen, een tweede verdieping bijvoorbeeld, dan is het altijd in baksteen. De reden waarom er zoveel huizen vernield zijn in Peru tijdens de aardbeving heeft ook te maken met hun bouwstijl. Zo'n adobe huisjes trillen gewoon uit elkaar. Wij stellen ons hier dan ook vragen over de stevigheid van zo'n bakstenen verdieping op een adobe basis. Na 70 km komen we een paar mooie hotels tegen in een klein dorpje. Het lijkt hier wel toeristisch, met restaurantjes die een soort van serres met tafels hebben geplaatst aan de rand van het water. Er is zelfs een kleine jachthaven, waarschijnlijk komt de meer begoede bevolking van La Paz hier zijn vrije tijd spenderen. We vinden het nog te vroeg om te stoppen en besluiten door te rijden, alhoewel we niet weten of er verder nog iets is. We genieten terug van een mooi zicht op de besneeuwde toppen van de Cordillera Real die we voor ons uit zien liggen. Plots stappelen donkere wolken zich op en in de verte zien we enkele bliksemschichten, maar we hebben geluk, we voelen maar enkele druppels, de grote massa regen is voor achter ons. Aan het dorpje Batallas vragen we of er een hotteletje is, maar de ene zegt van wel en de ander zegt van niet. Alhoewel we al bijna 100 kilometer op de teller hebben, willen we graag nog wat verder rijden. Na wat rondgevraag blijkt er een dorpje 20 km verder te zijn waar er een hostal zou zijn, maar niets is zeker omdat we weer tegenstrijdige antwoorden krijgen. We besluiten het er maar op te wagen, 20 km en er is nog 2 uur zonlicht. Maar na een paar kilometer is de wind plots gedraaid en zien we bliksemflitsen in de Cordillera Real die lang uitgestrekt langs onze rechterzijde ligt. De wind trekt zo fel aan dat we nog amper vooruit geraken, met plotse windstoten die ons bijna een halt toeroepen. Christine haalt nog amper 6 km per uur, met deze snelheid halen we het niet voor donker. We twijfelen nog even om terug te keren, maar in de verte zien we een dorpje liggen. We besluiten door te zetten en in dat dorp een onderkomen te zoeken. En dat vinden we ook, in een lokale NGO die een soort kinderopvang organiseert. We mogen van de verantwoordelijke in één van de klaslokalen slapen op onze matjes. Wanneer we de fietsen aan het afladen zijn, komen er een paar mensen met ons praten. Eén van hen blijkt een lokale pastoor te zijn die hier werkt en logeert. Terwijl we met hem praten, is één van de opvoeders die hier ook verblijft een matras gaan zoeken en sleurt hij ze in ons klaslokaal. "Zo zullen jullie goed warm slapen", zegt hij. Wanneer de verantwoordelijke weg is, komt de pastoor bij ons en vraagt of we eens lekker lamavlees willen eten. “Natuurlijk” zeggen wij. “Dan kunnen jullie straks met ons meeëten” zegt hij. We gaan met hem naar de keuken waar 3 vrouwen een enorme hoop aardappelen zitten te schillen. Wij mogen aan de tafel gaan zitten en krijgen cocathee terwijl de 3 vrouwen, de pastoor en de opvoeder op de grond de aardappelen schillen. Iedere dag maken de 3 vrouwen middageten voor 250 kinderen van hier in de buurt. Na de school, die duurt tot ongeveer één uur ‘s middags, worden de kinderen hier opgevangen en worden ze geholpen bij het maken van hun huiswerk. Ondertussen zit Marc ook al op zijn hurkje mee aardappelen te schillen, terwijl één van de vrouwen zich bezighoudt met het avondmaal. We krijgen een lekkere lamasteak voorgeschoteld met rijst, frieten en chunio. Chunio zijn kleine aardappelen die eerst bevroren worden, nadien ontdooid en het water er uitgeperst, waarna ze gedroogd worden en goed zijn om lang te bewaren. Om ze klaar te maken, dienen ze eerst lange tijd in water te worden geweekt alvorens te kunnen worden gebruikt. We hebben een interessant gesprek over het leven in Bolivia en vergelijken het met België en Peru. De moeder van Antonio, de pastoor, is afkomstig van één van de eilanden in het Titicacameer aan Peruviaanse zijde. Ze spreken ook allemaal Aymari zoals velen in deze streek. Na de sterrehemel nog eens bewonderd te hebben, kruipen we moe in onze slaapzak.

 

5 september 2007 Palcoco - La Paz (3660m) 47.8 km (186 meters geklommen)

Wanneer we 's morgens onze fietsen aan het bepakken zijn, komen de drie vrouwen van de keuken juist aan. "Jullie moeten eerst komen ontbijten voor jullie vertrekken", zeggen ze. Ze eten bij hun koffie gewoon droog brood, dus halen wij uit onze voorraadkast de bananen die we nog bijhadden. Ze worden gretig aanvaard. Daarna nemen we nog een foto van ons allen die we hen later zullen opsturen. De vrouwen dringen aan dat we nog een tijdje moeten blijven of minstens nog eens moeten terugkomen. Het afscheid duurt lang, maar uiteindelijk kunnen we dan toch vertrekken. We zijn wat laat vertrokken en daardoor is de tegenwind al aan het aanwakkeren. Wanneer we het dorpje Rio Seco binnenrijden ruiken we een doordringende geur van uitwerpselen. Een open riool, denken we, tot we een man zien die in de berm wandelt en plots zijn broek laat zakken om er zijn behoefte te doen. Geen open riool, maar openbaar toilet. Het dorpje is chaotisch en de straat is hier slecht, het eerste vuile dorpje dat we tegenkomen in Bolivia. Gelukkig is dit niet de norm. We naderen La Paz en vanaf hier is de weg meer en meer bebouwd en wordt het verkeer alsmaar drukker. Enkel de besneeuwde toppen en de blauwe lucht fleuren de boel hier wat op, want voor de rest is hier niet veel zaaks qua schoonheid. Maar dit heb je wel meer bij het binnenrijden van grote steden, eerst moet je door de lange lelijke stukken. De weg blijft langzaam stijgen tot we uiteindelijk en zonder overgang El Alto, een voorstad van La Paz, bereiken. El Alto heeft hier niet de beste reputatie wat criminaliteit betreft, maar is er de laatste jaren zeker op vooruit gegaan wat leefbaarheid betreft en wordt nu ook aanzien als een volwaardige stad. En buiten een paar lijmsnuivende jongeren is er niets bijzonders te zien. Het is wel wat angstaanjagend om de schoenpoetsers met bivakmutsen te zien, maar ze doen dit gewoon om hun gelaat te verstoppen. Sommige doen het als bijverdienste en willen niet dat de mensen op de straat hen herkennen. Eens El Alto voorbij begint de afdaling naar La Paz. Je krijgt dadelijk een indrukwekkend zicht op de enorme stad die 400 meter lager ligt. La Paz ligt eigenlijk in een diepe kom die volgebouwd is tot op de steile rand toe. En van hierboven in El Alto heb je daarbij ook nog eens een zicht op de besneeuwde toppen van de Cordillera Real. Na de afdaling belanden we in het drukke centrum waar de zoektocht naar een hotel kan beginnen. Dit lijkt moeilijker dan gedacht, want buiten de hoofdstraat die verder naar beneden blijft lopen, lopen alle zijstraten zeer steil omhoog. Bovendien komt een onweer zich opdringen waarvan we de eerste druppels al voelen. Wanneer de hemelsluizen dan echt opengaan, besluiten we het eerstvolgende hotel op ons lijstje maar te nemen. En wanneer de regen stopt, gaan we de stad al een beetje verkennen.

 

6 - 8 september 2007 La Paz (3660m)

We gaan op zoek naar een andere kamer, want onze kamer heeft geen venster en voelt heel koud aan. Algauw hebben we een betere kamer gevonden en verhuizen we de fietsen en de baggage. Dan gaan we uitgebreid ontbijten in een groot restaurant. Voor 2,30 euro heb je hier een enorm ontbijt met vers appelsiensap, koffie, toast, ei met spek, croissants, enz., dat zelfs fietsers bijna niet op krijgen, heerlijk voor ons, want onderweg eten we als zelfgemaakt ontbijt bijna altijd uitgedroogd brood (omdat in de dorpen bijna nooit vers brood voorhanden is) met een stuk niet al te lekkere chocola of een overrijpe banaan en een kop Nescafé, ofwel eten we ontbijt in een lokaal restaurant en dan bestaat het uit pindanotensoep met grote vermicelli ofwel rijst met een stuk vlees. Hier in La Paz kunnen we kiezen wat we eten en dat vinden we echt fijn. Daarna trekken we de stad in. We gaan een paar pleinen en gebouwen bezichtigen, en bezoeken ook een paar musea. In één van de musea komen we een groep Belgen op rondreis door Peru en Bolivia tegen. Er zijn ook de Hasselaars Patrick en Riet bij, aan wie we vragen om Marc’s kapotte Brooks-zadel mee naar Hasselt te nemen. Het zadel heeft immers een grote sentimentele waarde voor ons, daar het ook onze eerste reis heeft meegemaakt. We zijn dolblij dat ze het willen doen. We kuieren nog wat verder door La Paz en vinden het een gezellige stad die ook heel veilig aanvoelt. Wij vinden trouwens dat de sfeer in Bolivia anders is dan in Peru. Hoewel we ons ook daar nooit onveilig gevoeld hebben, hoor je er toch veel verhalen van andere reizigers die beroofd werden en zijn we van mening dat we er toch erg op onze zaken en tellen moesten passen. We zien op het nieuws op TV dat er momenteel straatprotesten zijn in Sucre, een stad waar we van plan zijn naartoe te fietsen. En terwijl dit in Bolivia bijna dagelijkse kost is, net zoals wegblokkades, gaat het er nu toch wel grimmiger aan toe. Betogers, vooral studenten, gooien met molotov-cocktails en stenen, terwijl de politie duchtig met de matrak in het rond slaat, en met traangas en waterkanonnen schiet. We besluiten ons er niet door de te laten afschrikken, want deze protesten hebben zich in het verleden nog nooit tegen toeristen gekeerd. We informeren ook naar goede fietsenwinkels, maar ze hebben bitter weinig. De volgende dag gaan we met de bus naar Zona Sur, de chiquere wijk die 5 km verder en nog eens zo'n 500 meter lager ligt. Dit is echt een heel ander La Paz, kalm, met weinig verkeer, geen uitlaatgassenspuwende bussen, en grote en kleine, hippe, trendy winkeltjes en restaurantjes. Wij zijn speciaal naar hier gekomen omdat er hier een goede fietsenwinkel zou zijn. We zijn namelijk op zoek naar binnenbanden, vanwege de vele lekke banden die we met de Continental TravelContacts hebben. Als we, na veel gevraag en nog een paar bussen, eindelijk aan de moto-fietsenwinkel aankomen, zien we dat ze eigenlijk maar een heel kleine stock aan fietsonderdelen hebben en we vinden niet wat we zoeken. We gaan dan maar een lekker ijsje eten en als we terug op weg naar de bus een natuurwinkel binnenstappen en hier een ander toeristenkoppel het eten zien en horen keuren, denken we opeens dat het ook wel eens fietsers zouden kunnen zijn. We volgen hen naar buiten en spreken hen aan, en inderdaad, Stefan en Anita zijn 2 Oostenrijkers die al 4 jaar per tandem de wereld afschuimen. We praten even met hen en nemen dan de bus terug naar boven, naar het centrum van La Paz. De volgende dag proberen we ons geluk bij Gravity Assisted Mountain Biking. Dat is één van de vele toeristische organisaties die de rit over de World's Most Dangerous Road ("WMDR") organiseert. We gaan naar hun workshop waar zij hun fietsen in orde zetten en kopen er binnenbanden. Vele toeristen gaan hier met een mountainbike via de WMDR naar beneden, een rit van 64 km waarin je 3600 meter daalt en het landschap ziet veranderen en beneden in de jungle eindigt, waar de organisatie met busjes wacht en de fietsen en de toeristen oplaadt en terug naar La Paz brengt. De weg is niet geasfalteerd en is erg smal met steile afgronden. Jaarlijks sterven er hier vele Bolivianen in verkeersongelukken met volle bussen of vrachtwagens die de afgrond in duiken. We horen dat meer dan 200 toeristen dagelijks de afdaling doen. Het lijkt ons meer een pretparkattractie dan een gevaar. Ook zien we het nut van de onderneming niet in om even voor de lol de held te gaan uithangen tussen het echte verkeer, behalve dan om te kunnen zeggen dat je op de meest gevaarlijke weg van de wereld hebt gefietst. Als het kind maar een naam heeft, dan zijn de toeristen weer een stoer verhaal rijker. Wij vinden dat we in Peru al meer dan genoeg over smalle, rotslechte, ongeasfalteerde wegen met steile afgronden en scherpe bochten gefietst hebben. We bezoeken ook nog het Coca-museum, want net zoals in Peru kauwen de meeste boeren en indianen hier de hele dag door op cocabladeren en wordt er door iedereen heel veel mate de coca (= cocathee) gedronken. De coca zou helpen tegen hoogteziekte en zou ook veel nuttige voedingsbestanddelen bevatten die voor de arme indianen met hun eenzijdige voeding een welkome aanvulling op hun dagelijkse dieet betekent. Wij drinken hier ook, net zoals in Peru, regelmatig cocathee. Het is in iedere winkel te koop, ook in de supermarkten. Let op: dit heeft niets te maken met cocaïne, dat veel geconcentreerder is. We mailen ook met Grégory Lewyllie, een Belgische fietser die al in Zuid-Amerika rondtoert sinds september 2006. We weten via zijn website dat hij momenteel ook in Bolivia is en tot onze verrassing mailt hij terug dat hij ook in La Paz is. 's Avonds gaan we uit eten met Grégory, die echt een sympathieke kerel is.

 

9 september 2007 La Paz - Villa Loza-El Tholar (3959m) 75.0 km + 14.9 in de richting van Patacamaya en terug naar Tholar (767 meters geklommen)

We wilden vandaag een vroege start nemen, maar met gisteren laat in ons bed te kruipen, draait het wat anders uit en is het al 9 uur voor we vertrekken. Het is rustig in de stad, want het is zondag. Het nadeel van La Paz is dat je langs dezelfde weg terug naar buiten moet en dat wil zeggen dat we nu meer dan 400 meter naar El Alto zullen mogen klimmen. In de klim zien we een man langs de kant van de weg liggen met één been over de vangrail. Neen, het is geen verkeersslachtoffer maar een dronkaard die zijn roes ligt uit te slapen. Mensen die op de bus staan te wachten leggen hem dan maar wat beter en laten hem verder ongemoeid. In El Alto worden we hier en daar wat afgeremd door kleine marktjes die er aan de gang zijn. De vele minibusjes die mensen komen brengen rijden kriskras door elkaar en stoppen willekeurig. Eens voorbij El Alto krijgen we terug zicht op de open vlakte van de Altiplano. De weg daalt langzaam waarna hij ligt begint te golven. In de namiddag komen we aan in het stadje El Tholar dat eigenlijk niet meer omvat dan 2 tegenover elkaar liggende wegrestaurants met bijbehorend hotel, en verder een paar huizen en een tankstation, dat is al. We besluiten er snel iets te eten voor we verder trekken. Terwijl we er zitten, komen er voortdurend motards voorbijgereden, sommige stoppen om ook iets te eten. Het is de rijkere klasse van La Paz denken we, want de gewone man kan geen moto betalen. Sommige rijden met ruig versierde choppers en bijbehorende kledij, zoals helmen in de vorm van een doodskop, maar anderen zijn maar gewoontjes. Buiten staan kinderen die bedelen bij iedere auto die stopt aan één van de restaurants. Als we terug verder willen fietsen, zien we in de bergen donkere wolken zich opstapelen en de wind is aanzienlijk toegenomen, weliswaar in de goede richting voor ons, een steuntje in de rug kan nooit kwaad. Maar we zijn nog niet ver weg of de donkere wolken lijken plots akelig dichtbij en in een mum van tijd is de hemel boven ons ook donker. Het weer in de bergen is bijzonder moeilijk in te schatten, alles kan op korte tijd omslaan. Voor we het beseffen, krijgen we een hevige hagelbui over ons heen. En onze thermometer geeft plots nog maar 4 graden aan, terwijl het even voordien nog een aangenaam fietsweertje was. De ijskoude hagel prikt als honderden naalden in ons gezicht vanwege de kracht waarmee de wind hem voortjaagt, maar hij wordt al snel regen en onze regenjassen zitten te diep weggestoken. Met geen enkele plaats om te schuilen op deze hoogvlakte met enkel wat pampagras, en de bliksemschichten die naar onze zin iets te veel en te dichtbij uit de donkere wolken in de grond inslaan, zijn we genoodzaakt snel een beslissing te nemen: doorrijden of terugkeren. We zijn wel al meer dan 7 km verder, maar besluiten toch maar terug te keren, want daar zijn we zeker van een slaapplaats en bovendien weten we niet wat er ons te wachten staat als we zouden doorrijden. Bovendien verkleumen we van de kou en in het hotel kunnen onze kleren misschien drogen. Maar de wind die ons daarstraks steunde, wordt nu onze grootste vijand en we moeten nog hard trappen om terug op de plaats te geraken waar we daarstraks vertrokken. In het hotel is niets van verwarming, dus wringen we onze fietskleren zo goed als we kunnen uit in de hoop dat ze morgen wat droger zullen zijn. Het is bar koud in onze kamer en na warme, droge kleren aangedaan te hebben, kruipen we onder de dekens om ons warm te houden tot het tijd is voor het avondeten.

 

10 september 2007 Villa Loza-El Tholar - Caracollo (3809m) 124.1 km (408 meters geklommen)

Oef, de kleren zijn zo goed als droog, want 's morgens kan het hier soms bar koud zijn op een hoogte van 4000 meter en zeker hier op de altiplano (hoogvlakte). We ontbijten en wachten tot de eerste zonnestralen de lucht wat hebben opgewarmd voor we vertrekken. Nu zien we dat het een goed idee was om terug te keren gisteren, want er kwamen nog korte pittige klimmetjes op ons af. Verder gaat de weg steeds op en neer en doordat we op de hoogvlakte zitten, kunnen we soms al in de verte zien waar de weg naartoe loopt, soms wel tientallen kilometers verder. Wanneer we langs de kant van de weg zitten te eten, zien we verschillende windhozen ontstaan die uiteindelijk nog uitgroeien tot indrukwekkend hoge spiralen die alle losliggend vuil dat niet te zwaar is mee de lucht in zuigen. Zo nu en dan komen we wegenwerkers tegen, ze zijn altijd in het knalgeel gekleed met een grote hoed en ze lijken altijd juist aan hun pauze begonnen te zijn. Je kan ze al in de verte herkennen, een gele vlek langs de kant van de weg met een paar fietsen er omheen. Na 123 km komen we uiteindelijk aan op onze bestemming Caracollo waar we hopen een slaapplaats te vinden. De mensen sturen ons iets voorbij het dorp en zeggen dat we daar iets kunnen vinden. Er liggen hier een paar wegrestaurants, maar niets ziet er echt aantrekkelijk uit. Bovendien hangt er rond de restaurants een geur van ammoniak. Het wordt ons al snel duidelijk hoe dit komt wanneer we een bus zien stoppen en de passagiers alle kanten zien uitrennen om de druk op hun blaas te verlichten. We vinden uiteindelijk een slaapplaats in één van de restaurants die ons een kamer verhuurt, of beter gezegd een hok met 2 bedden, en op de koop toe is er weer geen water. We besluiten ons avondmaal in een ander restaurant te nuttigen dan waar we slapen, het lijkt hier te vuil. We vinden er één die ons minder vuil lijkt en waar veel bussen stoppen, op hoop van zegen dan maar. Maar de vele bussen die stoppen geven weeral dat andere nadeel...

 

11 september 2007 Caracollo - Pongo (4057m) 100.2 km (1226 meters geklommen)

We zijn vroeg op en het is ijskoud buiten, daarom gaan we eerst nog ontbijten in het restaurant van gisteren. Er is wel geen verwarming, maar het voelt er wel iets warmer aan. Het is nog altijd koud wanneer we vertrekken, maar we willen voortmaken, want er liggen een paar passen op ons te wachten. We slaan af van de weg die ons tot nu toe midden over de Altiplano leidde. De weg die we nu volgen leidt ons naar de bergen die eromheen liggen. We rijden de tolpost voorbij (die kom je hier wel meer tegen, maar enkel gemotoriseerd vervoer moet betalen) en volgen van hier af een soort kloof waarin de weg de kronkelende rivier volgt. Langzaam stijgen we in hoogte tot we een paar steile stukken te verwerken krijgen. Eens we de 4000 naderen zijn de lama's ook weer van de partij. Met een interval van ongeveer 50 tot 100 meter ligt er een hond langs de kant van de weg. We zagen dit ook al in het zuiden van Peru, we vonden het een raar zicht maar wisten niet wat ze er deden. Blijkbaar geven de voorbijrijdende chauffeurs eten aan deze honden om de geesten van de voorouders die hier in de bergen rondzwerven gunstig te stemmen en zo een veilige afdaling te bekomen. De honden zijn mak, maar ook schuw, want iedere keer we stoppen en een foto willen nemen, gaan ze lopen. Hier en daar ligt er ook wat sneeuw op de flanken. Op 4500 meter bereiken we onze eerste pas voor vandaag en na de afdaling die erop volgt zijn we klaar om de volgende te beklimmen. Even komen donkere wolken de rust verstoren maar buiten een paar kleine sneeuwvlokjes komen we er goed van af. Wanneer we de tweede pas over zijn, komen we in het kleine dorpje Confital terecht waar weer een tolpost staat. Het loopt hier vol met kleurrijk geklede mensen. Sommige van de mannen dragen hoeden en anderen een soort pinnemuts, zoals de kabouters met de punt recht omhoog. Maar ze stellen het niet op prijs als er foto's worden genomen. Wanneer Christine toch een foto wil nemen van een paar kindjes, komt er een vrouw naar haar toe die een steen opraapt. De vrouw is kwaad en zegt dat Christine geen foto's mag nemen, want ze gaat ze verkopen. Christine verstaat niet goed wat ze bedoelt met verkopen. Het scheelt niet veel of de vrouw had de steen naar Christine gegooid. We rijden dan maar verder en laten de foto's maar voor wat ze zijn, spijtig van de pinnemutsen. Wanneer we iets uit het dorp zijn, rijdt Marc wat voorop en doet Christine nog een poging om 2 mannen in 2 rijkgekleurde traditionele kleding te fotograferen. Wanneer ze dit doet, gooit één van de mannen een steen, wel opzettelijk naast Christine gemikt. Christine vraagt waarom hij dat doet. De man zegt dat wij die foto's voor veel geld gaan verkopen. Christine zegt hem dat ze enkel foto's neemt om thuis aan de familie te laten zien hoe een mooie kleren de mensen hier aan hebben en dat ze nu tegen de familie zal moeten zeggen dat de mensen hier met stenen gooien. De mannen zijn gegeneerd en zeggen "Ja, maar er zijn er die ze voor veel geld verkopen". Dat zijn zo van die verhalen die in de dorpen worden rondverteld. Het begint al laat te worden en we proberen aan een paar mensen te vragen in welk dorp we eventueel een slaapplaats kunnen vinden, maar we worden er niet veel wijzer van. Al de dorpjes die we nog tegenkomen zijn piepklein en ondertussen zijn we al aan de beklimming begonnen van onze derde pas voor vandaag. De klim brengt ons voorbij enkele prachtig roodgekleurde bergflanken. Wanneer we het laatste steile stuk verwerken is de zon al verdwenen achter de bergtoppen. We hebben nu nog ongeveer een uur voor het donker is. De wind voelt ijzig koud aan. Onze klim eindigt in het dorpje Pongo, waar een restaurant blijkt te zijn, maar op het eerste gezicht geen hotelletje. Ons oog valt dadelijk op het Centro de Salud (lokaal hospitaal). We krijgen de toestemming van de vriendelijke dokter om er te overnachten. De dokter zegt dat we op een matras op de grond tussen de bedden moeten slapen, want de bedden zelf zijn te vuil. Het is een echt rommelhok waar we inzitten, maar we klagen niet, we zitten binnen en beschermd tegen de ijskoude wind. Het is enkel spijtig dat ze niet inzien dat het weinig moeite en geld kost om het hier wat proper te houden, het is toch immers een hospitaal. Na het eten van wat noedels en brood, kruipen we in onze warme slaapzakken.

 

12 september 2007 Pongo - Cochabamba (2751m) 97.2 km (420 meters geklommen)

De weg blijft steil klimmen en dalen, maar de zichten die we voorgeschoteld krijgen zijn prachtig. We nemen zelfs de tijd om een tweede ontbijt te nuttigen wanneer we een mooi terrasje zien staan aan een klein restaurant. Daarna daalt de weg hoofdzakelijk, soms kunnen we de weg al kilometers ver over de flanken zien lopen. En plots krijgen we een zicht op de rivierbedding diep beneden in het dal. Hoe dieper we zakken, hoe warmer de lucht aanvoelt. En eens we beneden zijn, lijken we in een andere wereld te komen. Boven was het meestal dor en koud, en hier is het warm en groen. Er wordt hier intensief aan landbouw gedaan, alle velden liggen er mooi bewerkt bij. Bij een stopplaats van vrachtwagens stoppen wij nog even om in één van de talrijke restaurantjes nog snel een dagmenu te eten. Wanneer we doorrijden, wordt Christine in de hals  gestoken door een groot insect en het doet hevig pijn. Maar nadien lijkt de beet op zich nog mee te vallen. Eens we het eerste dorpje in het dal voorbij zijn, volgen we een rivier die door het dal kronkelt. Het is hier bloedheet in de zon. We komen zelfs enkele recreatieparkjes tegen waar je rustig langs de rivier op een terrasje kan gaan zitten, zelfs eentje met een klein zwembad. En nu en dan zien we zelfs een mooi huis staan, waarschijnlijk buitenverblijven van de rijke klasse van Cochabamba. Allemaal dingen die we al lang niet meer gezien hadden. En als we nog zo'n 20 kilometer van de stad verwijderd zijn, zien we meer en meer nieuwe huizen, vele zijn nog in opbouw, het lijkt hier wel in volle bloei van de economie. En wanneer we nog maar 10 kilometer van de stad verwijderd zijn, krijgen we tot onze totale verbazing zelfs een fietspad voorgeschoteld. Vlak voor het binnenrijden van de stad horen we plots sirenes en alle voertuigen gaan aan de kant. Een paar Harley Davidsons van de politie zoeven ons voorbij met in hun zog enkele chique wagens met donkere ramen. Achteraf horen we dat het Evo Morales was, de President van Peru. We vinden snel een slaapplaats en gaan dadelijk de aangename stad vol leven verkennen. Op de aantrekkelijke plaza is vanalles aan de gang. Er staan jongeren te jongleren, er is een bijeenkomst van sympatisanten van Che Guevara (die in oktober trouwens 40 jaar dood is), en een groepje jongeren dat zich voorbereidt om met hun band een nummertje te spelen. Het weer zal er voor iets tussen zitten, want ze beweren hier het meest ideale klimaat van Bolivia te hebben. Er zijn hier ook talrijke restaurantjes en gezellige bars. De gebouwen zijn ook prachtig, echt een stad waar je kunt van genieten.

 

13 september 2007 Cochabamba (2751m)

We verkennen de stad. We bezoeken het Santa Theresa Klooster en krijgen er een interessante rondleiding. De Zusters van de Zwarte Kap moesten rond het miljoen dollar betalen om te mogen toetreden tot de orde, en dit zo'n 3 à 4 eeuwen geleden. Het was dan ook heel prestigieus om ertoe te behoren. Er waren slechts 21 nonnetjes met een zwarte kap. Zij beschikten over grotere kamers en een chique eetzaal, enz., terwijl de gewone nonnetjes, die veel talrijker waren, allemaal samen moesten slapen, soms gewoon buiten onder een afdak en al het huishoudelijk werk moesten verrichten. We bezoeken ook het archeologisch museum met keramiek en mummies uit de Inca-tijd. Dan nemen we een busje naar de andere kant van de stad waar er heel veel grote winkels en restaurants zijn en bezoeken er het Cultureel Centrum Simon Patiño. Dit is een enorm groot huis in een enorm grote tuin die aangelegd is zoals die van Versailles. In het huis is alles afgewerkt met marmer van Carrara uit Italië en staan er heel mooie oude meubels, zoals o.a. het bed van Patiño. Toen Mitterand op bezoek kwam en er moest in slapen, hebben ze aan het voeteneinde een bankje moeten bijzetten om het bed te verlengen omdat het veel te kort was. Er is ook een kamer die een replica is van een kamer in het Vaticaan, inclusief mooie plafond- en muurschilderingen. Daarna gaan we in een Italiaans restaurant in de buurt een lekkere kippefilet met champignonsaus eten. Het restaurant wordt uitgebaat door Italiaanse inwijkelingen en ze importeren de meeste van hun ingrediënten rechtstreeks uit Italië. Spijtig genoeg is de dag alweer bijna voorbij, want we genieten echt van deze stad. Wanneer we terugkeren naar het centrum heerst er een drukte van jewelste. Vele straten zijn afgezet en lopen vol mensen. Morgen is het immers feestdag ter ere van de 195ste verjaardag van de stad en dat beginnen ze vandaag al te vieren. We hadden inderdaad ook al 's morgens fanfares over het plein zien paraderen, maar we wisten toen niet wat er gaande was. Ook nu zijn alle fanfares van de hele provincie present. In de stoet stapt ook al het stadspersoneel mee, en de politie heeft ook een praalwagen. Een beetje een raar zicht, die wagen, met 2 immens grote revolvers in schuimrubber met bovenop een platform waarop een boering staat in lokale klederdracht voor een groot schuimrubberen Christusbeeld dat een replica is van het 43 meter hoge Christusbeeld dat de heuvel boven Cochabamba siert en dat van overal in Cochabamba te zien is. Als we terug op weg zijn naar ons hotel, zien we aan het oude operagebouw een menigte buiten staan wachten. Voor de deur staan wachters en er staat een geblindeerde wagen geparkeerd. We vragen aan een paar omstaanders wat er gaande is en ze zeggen dat Evo Morales in het gebouw is. We zien veel mensen binnen en buiten gaan, ook veel persmensen met camera's, en zien de bodyguards (met oortjes en micro) alles nauwlettend in het oog houden. Toch kunnen we moeilijk geloven dat Morales hier echt binnen is, want het is een smalle straat en het volk staat zo goed als tot tegen zijn auto. Daar willen we het fijne van weten en wij blijven, net zoals de andere mensen, staan kijken en wachten. Het duurt lang en een paar keer staan we op het punt om te gaan slapen, want morgen moeten we vroeg op. Uiteindelijk, nadat we een uur lang nauwlettend iedereen die buitenkomt in het oog hebben gehouden, komt er ineens een massa volk naar buiten en één van hen is inderdaad Evo die slechts een paar seconden te zien is voor hij in zijn auto stapt. Op dat moment beginnen de omstaanders te duwen en trekken, en scanderen "Evo, Evo", en het lukt ons niet om hem in die 2 seconden op foto te krijgen, maar we hebben hem wel gezien en zijn verwonderd dat de mensen tot zó kort bij de president kunnen komen, bij ons zou gewoon de hele straat zijn afgezet. Daarna gaan we vlug slapen, want het is eigenlijk al veel te laat.

 

14 september 2007 Cochabamba - Tiraque (3447m) 68.8 km (834 meters geklommen)

Wanneer we 's morgens vroeg opstaan, horen we de fanfares al druk in de weer. Hier en daar zijn de straten afgezet voor het verkeer en dat komt ons wel goed uit, want zo is het minder druk. Wanneer we net de stad uit zijn blijkt er in het eerste dorp dat we tegenkomen ook feest aan de gang te zijn. Er is een kleine tribune gemaakt waar een paar officiëlen op staan en voor de rest is er een kilometers lange stoet van mensen die een parade houden. Het lijkt wel of heel het dorp aan de parade deelneemt. Het nadeel is natuurlijk dat er bijna geen toeschouwers zijn om deze lange parade te aanschouwen, want ze lopen allemaal mee. Wanneer we zo'n 40 kilometer ver zijn, heeft Marc de indruk dat er een slag in zijn wiel zit. Hij bekijkt het eens nader en het blijkt de buitenband te zijn die het aan het begeven is. De wanden zijn lichtjes aan het scheuren, waarschijnlijk heeft het gewicht van de bagage gecombineerd met de slechte wegen zijn tol geëist. Marc verwisselt de voorband dan maar met de achterband, omdat het voorwiel toch minder wordt belast. Hij blijft het voelen maar het is minder onaangenaam dan tevoren. We zullen wel zien hoe ver we komen. Op het laatste van de dag wordt het alweer klimmen en dalen, maar meer van het eerste. De wind neemt alsmaar toe en soms wordt het een echt gevecht tegen de wind om enkele meters vooruit te kunnen komen. Gelukkig draait de weg nogal veel in de klims en blijven we daardoor soms uit de greep van de wind. Wanneer we aan de afslag van het dorp Tiraque komen, besluiten we dan maar om die kleine omweg te maken, want de mensen onderweg hebben ons verteld dat daar een hotel zou zijn. Wanneer we het dorp binnen rijden, zien we dat er een markt aan de gang is. Er speelt luide muziek en veel van de mannen zijn bier aan het drinken, ook hier is het feest. We vinden in het centrum naar onze verbazing nog een redelijk gezellig hotelletje van de gemeente. Heel proper is het niet, maar het valt nog goed mee. We worden er ook begroet door een Amerikaan die zit te werken op zijn laptop. We vragen of hij ook fietser is, want normaal kom je in deze dorpen geen andere toeristen tegen. Neen, hij is hier als vrijwilliger voor een NGO die zich bezighoudt met drinkwater en waterputten. Hij nodigt ons uit om iets gaan te eten in het lokaal restaurantje. Het avondmaal bestaat uit een menuutje dat niet te veel voorstelt, nl. een bord soep en als hoofdschotel een beetje oude rijst, één aardappel en een klein stukje kip. Na wat praten gaan we allemaal vroeg slapen. Een kleine lokale fanfare die nog even de toer van het dorp doet en terwijl vuurwerk afschiet houdt ons nog even wakker.

 

15 september 2007 Tiraque - Totora (3048m) 84.3 km (868 meters geklommen)

Wanneer we 's morgens wakker worden en ons aan het klaarmaken zijn, horen we plots een geluid dat ons bekend in de oren klinkt. Het geeft ons een gevoel van dicht bij huis te zijn. Het is beginnen te regenen. We kruipen dan maar met kleren en al nog even onder de wol, want het is bitter koud. Na een uurtje stopt het met regenen en kunnen we vertrekken. De wind voelt nog altijd ijskoud aan. Achter ons zien we de besneeuwde top van de berg "El Juna". Het is ons niet duidelijk of de sneeuw die er op ligt nu gevallen is of er al op lag. Gisteren was het ons in ieder geval niet opgevallen, maar het was dan ook een beetje bewolkt. We krijgen dadelijk een klim van 15 kilometer te verwerken en die moet ons dan maar opwarmen. Boven op de pas wil de wind weer niet meewerken en wordt het weeral hard trappen. De daling wordt ingezet op een geasfalteerd doch slecht wegdek. Over het algemeen zijn de geasfalteerde wegen goed onderhouden in Bolivia, maar hier dus niet. Wanneer we na 30 km dalen aan een brug over een droge rivierbedding rijden, zien we een man een soep eten aan een winkeltje. We zetten ons er bij en eten er ook één. De soepen zijn hier meestal rijkgevuld met pasta of stukken aardappel en een stukje vlees, juist wat we nodig hadden om aan de volgende klim te beginnen. Ondertussen is de zon er ook volledig doorgekomen om ons op te warmen. Wanneer we in de late namiddag aankomen in het pittoreske dorpje Totora gaan we op zoek naar onderdak. Het is hier redelijk druk. Er staat een heel lange rij indianen aan te schuiven bij het gemeentehuis. Een vrouw vertelt ons dat ze allemaal een identiteitskaart komen afhalen, want voordien hadden ze die niet. Er zijn hier wel 3 hotelletjes, maar twee lijken dicht. Wanneer we ons informeren, horen we dat de eigenaars naar het stierenvechten zijn gaan kijken boven in het dorp. "Wacht maar even, binnen een uur of 2 komen ze wel terug", krijgen we te horen. "Of je kan ondertussen zelf gaan kijken" , zegt een ander. Het derde hotelletje, dat van de gemeente is, blijkt wel open. We nemen daar dan maar een kamer en haasten ons naar het stierengevecht om er zelf een kijkje gaan te nemen. Het stierengevecht heeft plaats op een soort voetbalveld, weliswaar zonder gras, waar een paar huizen rondstaan en voor de rest is afgesloten met balken en takken. Iedere man van het dorp die wil, mag zijn kans wagen. De stier heeft dan ook veel uitdagers. Vooral de jongere mannen doen eraan mee. Sommige slaan erg vlug op de vlucht, tot jolijt van de omstaanders, anderen hebben wat meer branie, maar het blijft allemaal nogal amateuristisch. Het lijkt ons meer een spelletje gezamenlijk stiertje treiteren. Om het kwartier wordt een andere stier ingezet, de ene is al wat wilder dan de andere. Wij amuseren ons evenveel met naar de stierengevechten als naar het meelevend publiek te kijken. Er staan ook eetkraampjes. Zo wordt er o.a. friet en hot dog, natuurlijk op zijn Boliviaans, verkocht, maar gezien we honger hebben, tasten we toch toe. Als de stierengevechten gedaan zijn, wandelen we met de menigte mee terug naar het dorp en gaan we een pique macho eten. Dat is een typisch Boliviaans gerecht van reepjes gebakken rundvlees met ajuin, aardappel en paprika's in kleine stukjes en alles overgoen met wat mayonaise en ketchup, die hier heel zoet smaakt. Hoewel wij het heel gewoontjes vinden, lopen de Bolivianen er hoog mee op en wordt er ons ettelijke keren aangeraden zeker een pique macho te proeven terwijl we in Bolivia reizen. Daarna gaan we naar ons hotelletje en gaan vroeg slapen.

 

16 september 2007 Totora - Aiquile (2569m) 77.2 km (982 meters geklommen)

Als ontbijt eten we pindanotensoep met aardappelen en een stuk soepvlees erin, het ontbijt van de doorsnee Boliviaan. Sommigen eten ook vlees met rijst 's morgens. De boterham met confituur van bij ons kennen ze niet, in de dorpen althans niet. Vanaf hier is het weer gedaan met de asfalt, maar de eerste 77 kms krijgen we een alternatief, nl. een baan die bestaat uit een mozaïek van keien. Je ziet hier regelmatig van deze wegen. Het moet een monnikenwerk zijn om deze wegen aan te leggen. Het lijkt eerder iets vanuit de tijd van de Romeinen. Hoewel ze heel mooi zijn om te zien, zijn ze verschrikkelijk om op te rijden, althans met de fiets. Gelukkig kunnen we weer boordje rijden, want daar zijn de keien wat toegeslibd met zand en stof. Op de stukken waar we het niet kunnen, davert alles. Na een steile korte klim uit het dorp wacht er ons nog een langere, meer geleidelijke klim. We krijgen weer mooie landschappen te zien en steile afgronden, tot we plots een diep dal zien liggen waar onze weg wel 10 km ver induikt. Aan de andere kant zien we ook al dadelijk de steile weg die we nadien weer omhoog zullen mogen klimmen. De weg volgt hier het dal niet, maar gaat dwars door verschillende dalen, heuvel op en heuvel af. Het dal is snikheet, 38 graden in de zon. Er is bijzonder weinig verkeer op deze wegen en de weinigen die toch voorbijkomen steken hun duim omhoog. Eentje vraagt zelfs of we water nodig hebben, want langs de weg valt weinig leven te bespeuren, op een paar eenzame huisjes en hier en daar een herder na. Na de klim uit het dal rijden we door een open, dorre vlakte vol grote cactussen, al gaat de weg die er door loopt wel de hele tijd op en af met korte, steile klimmetjes. Het dorpje Aiquile waar we in de late namiddag aankomen, blijkt groter dan verwacht en we vinden er snel een goedkoop en comfortabel hotelletje. Dit is ook de stopplaats van vele bussen en een kruispunt van wegen. 's Avonds is het een drukte van jewelste, de ene na de andere bus vertrekt. De hoofdstraat zit dan ook vol Boliviaanse boeren die wachten op hun bus. Blijkbaar rijden de bussen hier 's nachts, want overdag hebben we er amper zien voorbijkomen.

 

17 september 2007 Aiquile - Bella Vista (2038m) 79.1 km (646 meters geklommen)

We gaan vroeg naar de markt om er te ontbijten en brood te kopen, want gisteravond konden we er nergens vinden. De mercado (= markt) is meestal opgedeeld in verschillende secties, al is soms moeilijk het onderscheid te maken waar de ene stopt en de andere begint. Zo heb je er eentje voor het vlees, eentje voor de groenten en fruit, enz. Bijna altijd is er ook een sectie waar je kan eten. We eten er een pindanotensoep en gaan dan op zoek naar bananen en brood. Het is al laat eer we kunnen vertrekken, en als we aan ons hotelletje komen, merken we ook nog eens dat Christine's achterband plat is. Er steekt een dikke doorn in de band. Gisteren lagen er af en toe takken met lange doornen op de weg. Ze gebruiken die soms om omheiningen voor de dieren te maken. Uiteindelijk zijn we dan toch op weg en na een paar kilometers van erg gedaver om Aiquile buiten te rijden, wacht er ons terug gewone ongeasfalteerde weg. Het grootste deel is dalend en het landschap is extreem dor buiten de vele cactussen. Wel zien we ook regelmatig hele zwermen knalgroene vogels, zoals we ook veel in Peru zagen, echt mooi om te zien. We volgen een droge rivier die door een bredere vallei loopt. Marc rijdt over een steen en staat plots met 2 lekke banden. Er blijken maar liefst 3 gaatjes in de achterband en 2 gaatjes in de voorband te zijn, waarschijnlijk allemaal van doornen. We lijken vandaag maar niet vooruit te geraken. Wanneer we aan een kruispunt van 2 rivieren komen, slaan we af en beginnen een andere droge rivierbedding te volgen. In een klein dorpje stoppen we om wat bij te tanken en praten wat met de mensen. We vragen welke dorpjes nog op onze weg liggen, want het wordt al laat. Ze zeggen ons een naam die we niet goed verstaan, Emilia .... We zullen wel zien, want er valt nog te klimmen en we denken dat het nog 20 km ver is. Na het dorp volgt er een brug waarna we weer op asfalt rijden. We haasten ons in de klim, want de zon staat al laag. De weg duikt plots terug omlaag en we zien beneden een paar wagens stilstaan. Ze lijken hier al een tijdje te staan, want de passagiers lopen wat rond te kijken. De weg blijkt helemaal versperd te zijn door een aardverschuiving, hij is deels de afgrond ingestort en deels onder een dikke berg aarde en rosten bedolven. De wegenwerkers zijn met een bulldozer bezig zo'n dertigtal meter hoger. Ze duwen allemaal steengruis naar beneden. Aan de andere zijde van het puin staan ook al verschillende vrachtwagens en jeeps te wachten. We denken er even over om de fietsen vlug over het puin te duwen als de bulldozer even stopt, maar hij blijkt hevig door te gaan en we vinden het te gevaarlijk, want de stenen die naar beneden komen zijn alsmaar dikker. Volgens een vrachtwagenchauffeur zijn ze daarboven een soort terras aan het maken waardoor de druk op de schuine muur van puin hier beneden vermindert, zodat de weg niet nog verder de dieperik instort. Daarna moet de bulldozer naar beneden komen om hier het puin te ruimen, zodat het verkeer weer doorkan. Volgens hem gaat dat nog een uur duren. De zon staat al heel laag en we beginnen te twijfelen of we nog genoeg tijd zullen hebben om daarna nog tot aan het volgende dorp te geraken. De vrachtwagenchauffeur zegt ons dat de weg nog een paar keer serieus op en neer gaat voor we aan het dorp komen. En hier wild kamperen vindt hij geen goed idee, we kunnen beter bij een dorp kamperen, zegt hij. Na anderhalf uur wachten, heeft de bulldozer amper gedaan of we duwen onze fietsen al over het resterende puinheuveltje. Een wegenwerker probeert ons nog tegen te houden, maar we vegen er onze voeten aan. Aan de andere kant staan de vrachtwagens ook al te dringen en we willen hier niet nog langer staan te wachten. Ondertussen is de zon al achter de bergen verdwenen. We hebben nog ongeveer een uur tijd voor het helemaal donker wordt. We krijgen al dadelijk een aardige klim te verwerken, waarna we dadelijk terug naar beneden duiken. Dit worden nog zware laatste kilometers. Bovendien is de wind ondertussen aardig toegenomen en zijn er donkere wolken opgedoken. De weg blijft op en neer gaan, en plots lijkt het alsof het begint te stormen. De hevige wind blaast het zand van de droge rivierbedding hoog de lucht in waardoor we soms niets meer zien en bovendien worden we telkens ook nog eens gezandstraald. En de korte, maar heel steile klimmetjes blijven maar komen. We geraken soms nog amper boven door de harde wind, en boven op de top giert de wind met zodanige kracht door de smalle schachten die door de berg uitgegraven zijn en waar de weg doorloopt dat we soms volledig tot stilstand komen. Bovendien beginnen door de hevige wind ook alsmaar meer stenen van de steile wanden naar beneden de weg op te donderen. De straat ligt er al vol van. We beginnen ons zorgen te maken wanneer er kleine stenen op ons beginnen te vallen wanneer we erdoor rijden. Maar we geven niet op. En uiteindelijk, na 15 km, en iets meer dan een uur, wroeten tegen de wind, worden we beloond met het zicht op een piepklein dorpje. Wanneer we er aankomen, begint het ook nog te druppelen. Er zijn hier slechts een paar huizen, maar toch is er ook een schooltje. Een paar jongens op de speelplaats van de school roepen "gringo" naar ons, maar durven ons blijkbaar niet aan te kijken. Christine loopt snel naar de onderwijzeres die vanwege het gringo-geroep in het deurgat van het bijgebouwtje komt kijken. Wanneer ze aan de onderwijzeres vraagt of ze ons onderdak in het schooltje kan verschaffen, zegt ze dat ze daar niet zelf over kan beslissen, maar dat ze de toestemming van de "junta", dat is de gemeenteraad, nodig heeft. Ze vraagt aan Christine om mee te gaan. En terwijl Marc in de beginnende regen bij de fietsen op de straat staat, gaat Christine met de onderwijzeres één voor één aan de huizen van de gemeenteraadsleden aankloppen. Per geluk zijn het er niet veel en is het dorp niet groot, zodat we nog net voor de grootste regen met fietsen en al onder het afdak van de school staan. De juf zegt ons wel dadelijk dat ook de fietsen binnen moeten in het klaslokaal, iets wat we hoe dan ook al van plan waren, want de mensen zijn hier niet te vertrouwen, voegt ze eraan toe.  Geruststellend, zeg. Terwijl we in het klaslokaal zitten, komen de kinderen aan de ramen kijken, maar ze worden al snel weggestuurd door de juf. Ideaal is het hier niet, want we zitten in een soort aquarium waar iedereen die wil kan binnenkijken omdat er geen gordijnen zijn. We spreiden onze matjes op de grond uit en beginnen ons potje te koken. Het 11-jarig zoontje van de juf, Alessandro, is ondertussen bij ons komen zitten en vraagt of we hem een paar woordjes Engels willen leren. Het duurt niet lang of hij begint ons de verhalen van het dorp te vertellen. Hoewel de officiële naam van het dorp Bella Vista is, noemt iedereen het Emilia ...... (haar onbegrijpbare familienaam). Emilia was een campesina (=boerin, en meestal ook indiaan) die zich aan een boom heeft opgehangen. Maar volgens Alessandro dwaalt ze 's nachts door het dorp, want verschillende mensen hebben haar al gezien. Als we vragen of ze dan niet dood is, zegt hij "Jawel, maar het is haar vervloekte ziel die hier ronddwaalt. En 's morgens gaat ze soms ergens langs de kant van de weg zitten en als je haar tegenkomt, moet je dadelijk een beschermingsamulet gaan kopen, 2 kaarsen branden en terwijl hardop zeggen "Er kan me niets slecht overkomen", en dan ben je beschermd tegen Emilia en haar vervloeking". En hij vraagt of wij ook beschermingsamuletten hebben. "Want er was lang geleden eens een Argentijns fietskoppel dat hier ook is blijven slapen en die hadden een beschermingsamulet, namelijk een plastieken kikker op hun stuur". En hij gaat verder "En hier even verder is het kerkhof, en daar zijn er ook veel vervloekte zielen. En 's nachts..." twijfelt hij even en zegt dan "Misschien vertel ik dit beter niet, want dan gaan jullie misschien schrik hebben". Wij verzekeren hem dat we niet bang zullen zijn en dat hij vooral moet verder vertellen. "En 's nachts komen die hier vooraan voor de school zitten en houden ze de voorbijrijdende wagens tegen en vermoorden de inzittenden met een mes. En op het kerkhof ligt er eeuwenoud goud en diamanten van de Spanjaarden. Het ligt ongeveer zover onder de grond", en hij toont 1 meter, "en steekt in keramieken urnen. Er is een soort van spons rond, maar als je dat heel erg afwast, tot die spons weg is, komt er allemaal goud en diamanten te voorschijn. Maar als je in dat gat onder de grond kruipt, komt er soms een witte kat uit en als je die ziet, ben je vervloekt. Maar er was ooit een Spaanse toeriste, die trok zich daar niets van aan en die heeft daar zo'n spons uitgehaald. En eens terug in Spanje heeft die dat goud en die diamanten verkocht en nu is die schatrijk. En er was ook een Boliviaanse vrouw uit Sucre, die had zo'n spons gekregen van een ongeletterde arme campesinojongen die niet wist dat er goud en diamanten in zaten, en toen kwam die vrouw elke week terug met groter en groter speelgoed voor die jongen als hij haar maar meer en meer van die sponsen bezorgde. En dan is de minister op het kerkhof geweest. En sindsdien is er nooit nog iemand geweest. Misschien kunnen jullie eens gaan zien? Want wij kunnen dat niet, vanwege die witte kat. En als ik aan het kerkhof voorbij fiets, dan zit daar soms zo een vervloekte ziel langs de kant van de weg. En dan zeg ik altijd "Goeiedag, vervloekte ziel". Het is héél belangrijk dat je dat zegt als je een vervloekte ziel tegenkomt, om hem zeker niet te beledigen" en zo blijft hij nog een hele tijd doorgaan. Interessant. Dan gaat hij weg om zijn huiswerk te maken, terwijl wij vroeg in bed kruipen en het licht uitdoen. Het licht is nog maar pas uit, of we zien een zaklamp het klaslokaal binnen schijnen, recht naar de plaats waar onze fietsen eerder stonden. De zaklamp gaat zoekend rond, maar omdat wij op de grond liggen en de vensters redelijk hoog zijn en de Bolivianen klein, kunnen ze niet tot op de grond schijnen en vinden ze ons niet, en ook de fietsen vinden ze niet, want ze denken er niet aan in de uiterste hoek, waar wij ze ondertussen gezet hebben, te schijnen. Na een tiental minuten houden ze op. Maar nog vinden we geen rust, want Alessandro vertelde ons ook dat een man van rond de 35 die in het huis naast de school woonde gestorven is en gisteren begraven werd. Voortdurend lopen de dorpsmensen af en aan bij de weduwe en haar 13-jarige dochter. Dit blijft de hele nacht, tot 's morgens doorgaan, gepaard gaand met heel luid geweeklaag.

 

18 september 2007 Bella Vista - Sucre (2790m) 70.6 km (1669 meters geklommen)

Alessandro vertrekt 's morgens al heel vroeg naar school wanneer wij nog aan het ontbijten zijn. We horen zijn moeder hem nog naroepen "Alessandro, het is nog geen 7 uur, dus kalm aan, hé, en voozichtig". Alessandro gaat naar school in het volgende dorpje waar ze het 5de tot het 8ste studiejaar hebben. In de school van zijn moeder is er enkel het 1ste tot het 4de leerjaar. Alessandro had ons gisteren al wel een paar keer gevraagd om hoe laat we 's morgens zouden vertrekken. En hoewel we ruim een half uur na hem vertrekken, komen we hem al na amper een paar honderd meter tegen. We vermoeden dat hij ons heeft staan op te wachten omdat hij graag samen met 2 westerlingen wil aankomen aan zijn schooltje. De kabel van zijn versnellingen is stuk en hij kan ons niet volgen in de klimmetjes. Marc wacht hem dan maar op en duwt hem al fietsend voort. Op de steilere stukken gaat het jongetje te voet en dan wachten wij hem op. Het dorpje van zijn school is immers maar een paar kilometer verder. Onderweg raapt hij een grote tak op en maakt hem vast op zijn fiets. We vragen hem waarom hij die meeneemt. "Om te koken op school", zegt hij. Wanneer we in het dorpje aankomen, zien we allemaal kinderen met een stuk hout naar de school wandelen. In deze vallei zie je weinig bomen, grotendeels alleen maar cactussen en kleine struiken. Na de jongen zijn vijf minuten van glorie te hebben gegund, nemen we afscheid en trekken we verder. De weg blijft op en neer gaan. We komen zelfs enkele mooie huizen tegen, compleet met zwembad en badhuisje en al, en meestal met een grote omheining erom heen. Buitenverblijven van de rijkere klasse van Sucre, vermoeden we, temeer daar de meeste er erg verlaten uitzien. Het is hier heel warm. We meten weer 38 graden in de zon. Uiteindelijk beginnen we aan de lange klim naar Sucre. De eerste kilometers zijn zéér steil en loodzwaar in de hete zon. Daarna valt de klim iets beter te verteren maar op sommige stukken moeten we serieus op de tanden bijten. Op het laatst hebben we het nog even moeilijk omdat we de weg nog hoger zien klimmen, waarna een steile afdaling volgt waarop de weg wéér steil de hoogte ingaat. Zo'n dingen zijn slecht voor de moraal op het laatste van een zware rit. In één van de steile afgronden is er allemaal huisvuil gedumpt, een arme familie, kinderen en al, probeert sommige dingen uit het afval te recupereren op de enorm steile wand, levensgevaarlijk, denken wij. Op de top van de laatste klim is een tolpost met een paar winkels die koude frisdranken verkopen. We zetten ons uitgeput met een fles cola op de grond en Christine ziet zelfs sterren. Daarna volgt een lange afdaling naar de stad Sucre. Het eerste deel van de afdaling is eigenlijk één grote garage. Overal liggen mannen op straat aan vrachtwagens, bussen en auto's te sleutelen met het meest primitieve gereedschap. Wanneer we het centrum naderen, wordt het verkeer ontzettend druk in de hoofdzakelijk smalle eenrichtingsstraten. Wanneer we aan het verkeerslicht staan, komt een gemeentewerkster met een grote plastieken vuilbak op wielen achteraan tegen Christine haar fiets duwen omdat ze niet door kan. "Un poco loca, o que?" roepen we haar toe, en ook nog "Un poco de patiencia, por favor", waarna ze er toch mee stopt. Na wat zoeken vinden we een slaapplaats, maar de kwaliteit die je hier krijgt is minder dan in Cochabamba voor hetzelfde geld, maar al bij al mogen we niet klagen. We zijn in een stad en kunnen weer kiezen wat we gaan eten, dus zijn we content.

 

19 - 20 september 2007 Sucre (2790m)

We verkennen de stad. We proberen ergens een lekkere koffie te drinken, maar blijkbaar is alles dicht in de voormiddag. We vinden de schoonheid van Sucre erg overroepen. Het is ook niet echt een levendige stad, en al helemaal geen handelsstad. Zo is er in heel de stad slechts één kleine superette te vinden. En dat terwijl Sucre aanspraak wil maken op de titel van "volledige" hoofdstad. Momenteel wordt die eer gedeeld met La Paz, dat veel meer de allure van een hoofdstad heeft. Daarover gingen trouwens de rellen van een paar dagen geleden, waar nu niets meer van te merken is. We bezoeken de Casa de la Libertad. Er staan oude meubels en hangen geschilderde portretten van alle Boliviaanse presidenten. Christine brengt een bezoekje aan een oogarts (kost 8 euro) want ze heeft nog steeds last van rooddoorlopen ogen. De oogarts kijkt met een lamp in haar ogen en weet haar al na een paar seconden te vertellen dat er een kleine ooginfectie is, terwijl hij niet ziet dat ze haar lenzen nog aan heeft. Ze moet antibiotica oogdruppels in haar ogen doen gedurende een week. Daarna nemen we een busje naar een buitenwijk van de stad waar alle fietsenwinkels samen zitten, maar het stelt niet veel voor. Buiten een paar banden en wat Chinese fietsonderdelen is er weinig te vinden. De fietswinkels zelf stellen ook niet veel voor, meestal verkopen ze behalve fietsen ook nog meubels en huishoudtoestellen. We gaan op zoek naar een buitenband als back-up voor op Marc's fiets, want de band met de gescheurde zijwanden die Marc van zijn achterwiel naar zijn voorwiel heeft verhuisd, begint alsmaar meer te scheuren aan de zijwanden. Er is echter niets van kwaliteit te vinden. Uiteindelijk kopen we er eentje van Braziliaanse makelij die rond de 3 euro kost. Morgen, 21 september, is het Dag van de Student. Alle leerlingen en studenten uit de omgeving zakken morgen af naar Sucre. We horen vandaag al luide muziek schallen uit sommige scholen en zien 's avonds een stoet door Sucre trekken met verklede en dansende studenten.

 

21 september 2007 Sucre - Villa Carmen (3227m) 93.2 km (1745 meters geklommen)

We vertrekken wat later dan gepland. Er zijn weer overal festiviteiten in de stad, niet alleen omwille van de "Dag van de Student" maar ook omdat het het begin van de lente is. Bolivianen zouden voor alles een feestdag willen vieren, denken we. Wanneer we de stad uitrijden duikt de weg opnieuw een vallei in. We rijden door een erehaag van militairen die langs beide kanten van de weg staan. Fel gedisciplineerd lijken ze ons niet, want ze roepen allerhande grapjes. Blijkbaar staan ze hier voor de feestelijkheden van vandaag want even verder is de militaire school. De weg loopt voor het grootste deel naar beneden met hier en daar nog prachtige maar vervallen gebouwen uit de glorietijd van Sucre. Nadien krijgen we weer een paar klims te verwerken waarna de weg steeds weer naar de rivier duikt en erna weer omhoog klimt. We komen nog een enorme hangbrug tegen die buiten gebruik is, met mooie grote torens aan iedere zijde. De brug Puente Chuquisaca, de oude naam van Sucre, staat op de scheidingslijn van 2 provincies. In het dorpje Millares stoppen we om er iets te eten. We vragen aan een dokter die er zit te eten wat er nog volgt op de weg. De man rijdt rond met een motorfiets met achterop een frigobox met vaccins, dus hij zou de weg toch moeten kennen. Volgens hem zullen we nog een groot stuk mogen klimmen en zijn er geen dorpen onderweg. Het is nog te vroeg om hier te blijven, maar ook al redelijk laat om nog door te gaan, willen we tenminste nog in een dorpje geraken. We kiezen voor de onzekerheid, want we kunnen immers nog altijd onze tent opzetten. De bergen in deze vallei bestaan uit een soort leisteen, en alles schittert in de zon. Na een lange klim verwerkt te hebben, duiken we weer naar een nieuw dal. Ondertussen is de wind weer komen opzetten en in de bergen naast ons zijn zeer donkere wolken opgedoken. Hopelijk blijven ze waar ze zijn. De klim die erop volgt, is steil en we voelen af en toe druppels, maar echt nat worden we niet. We zitten zo juist een beetje op de grens van nat of droog. De klim is lang en we kijken uit naar een eventuele kampeerplek. want de zon staat al laag. Veel keuze is er niet, met de steile flanken die er hier zijn. We bereiken uiteindelijk de top van de klim wanneer de zon ondergaat. Er staat een klein huisje, het blijkt een winkeltje te zijn. Volgens de mevrouw is alles plat tot aan het dorpje dat we nog willen bereiken. Met de wind in de rug zouden we er moeten geraken. De wolken en de ondergaande zon geven ons nog een mooi kleurenspektakel. We zien een dode ezel langs de kant van de weg liggen, volledig opgeblazen van de gassen. Een verkeersslachtoffer, denken we. Honden cirkelen rond het beest, maar lijken niet te weten waar eerst te beginnen. Wanneer we in het dorpje aankomen, begint de duisternis te vallen en gaan we dadelijk naar het Centro de Salud, waar we vriendelijk worden ontvangen door dokteres Lourdes. We mogen in de ziekenhuisbedden slapen. Het Centro de Salud is goed onderhouden en proper, misschien omdat het hier wordt opengehouden door 2 vrouwen. Er is wel geen water, wat we toch een beetje raar vinden voor een hospitaal. Marc gaat dan maar flessenwater kopen in het lokaal winkeltje om ons eten te koken.

 

22 september 2007 Villa Carmen - Potosi (4070m) 67.7 km (1130 meters geklommen)

We vertrekken vroeg. Alhoewel ze ons hier allemaal zeggen dat de weg naar Potosi vlak is, moeten we nog aardig wat klimmen, maar eerder kortere klims van een kilometer of twee, soms een kleine afdaling, en voor de rest meestal vals plat. Het landschap is nog steeds prachtig. Onderweg moeten we onze regenvesten aantrekken. We worden even nat maar zijn al even rap droog door de wind. Onderweg stoppen we in het mijndorpje San Diego aan een winkeltje om even wat te eten. De mensen die buiten aan het winkeltje zitten, zijn aan het drinken geslagen, een vaste gewoonte op zaterdag. Zelfs de pauzerende vrachtwagenchauffeurs drinken mee. Ze spelen een beetje met elkaar als een bende kinderen, maar tegen ons zijn ze rustig en vriendelijk. Een paar kilometer voor Potosi, bij het vliegveld, staat een enorme fabriek. Ze werd er gezet om het zilvererts van de nabijgelegen mijnen tot zilver te smelten, een miljoenenproject. Later horen we van een mijningenieur dat ze nooit heeft gewerkt, zelfs geen uur. In Potosi duiken we nog eens steil naar beneden, naar het centrum dat op 4060 meter hoogte ligt. Na een slaapplaats gevonden te hebben, nemen we een warme douche en gaan eens lekker eten in een verwarmd restaurant, want op deze hoogte is het bar koud 's avonds.

 

23 september 2007 Potosi (4070m)

We bezoeken de Casa de la Moneda, een immens groot en mooi gebouw waar sinds de Spanjaarden tot 1950 de munten geslagen werden. Dat gebeurde in het begin met enorme houten persen aangedreven door ezels, nadien door stoommachines. Er staat ook nog veel religieuze kunst van uit de tijd van de Spanjaarden, de 16de en 17de eeuw. De rondleiding duurt wel 3 uur, maar de gids spreekt erg binnensmonds, waardoor we spijtig genoeg maar de helft van zijn uitleg verstaan. 's Middags gaan we een dagmenu eten in een groot restaurant op de 2de verdieping, met een panoramisch zicht op de stad en op de Cerro Rico, de Rijke Heuvel, al is het wel van achter ramen die al geruime tijd niet meer gewassen zijn, maar we snappen de bedoeling. De Rijke Heuvel, dat is de berg die vol zilver zit en waar er sinds meer dan 500 jaar, en tot op de dag van vandaag nog steeds meerdere mijnfirma's zilver naar boven halen. De mijnen zijn ook een ware toeristische trekpleister. Er zijn dan ook talrijke reisagentschapjes die rondleidingen aanbieden en ondanks de giftige gassen en de onveilige omstandigheden, blijkt een mijnbezoek bij de meeste reizigers toch een must te zijn, niet in het minst vanwege de sociale druk van de andere toeristen, zoals een Engelse toeriste in ons hotel toegaf aan het ontbijt. Ze had een mijnrondleiding geboekt en zei dat ze eigenlijk heel schrik had om te gaan en twijfelde, “maar iedereen doet het en dan moet je het ook doen”. En om het sensatieniveau nog wat te verhogen, wordt er bij ieder bezoek dynamiet tot ontploffing gebracht. Wanneer we bij de reisagentschapjes foto's zien van de mijnbezoeken, zien we ook een volledig rood Satanbeeld met een enorme erectie. De mijnwerkers leggen er allerhande offerandes voor, zoals sigaretten, drank, cocabladeren,..., in de hoop hem gunstig te stemmen. Eens als ze weer boven zijn en het daglicht zien, vereren ze terug Christus. Ook van hem staat er in de mijn een beeld op de plaats vanaf waar ze terug het daglicht kunnen zien. Wij passen voor dit toeristische event, want wij zullen nog al onze longblaasjes nodig hebben. Na het eten, dat bijna twee uur duurt vanwege de langzame bediening, lopen we nog wat in de smalle straatjes van het stadje rond, maar het is zondag en bijna alles is dicht. We komen het Nederlandse koppel rugzakreizigers, dat met ons stond aan te schuiven voor treintickets naar Machu Picchu, nog eens tegen. Zij moeten dringend naar het toilet en lopen al een tijdje te zoeken naar iets dat open is. We weten één plaats die open is en wijzen hen de weg er naartoe en eten er dan ineens ook maar een taartje. Nadien gaan we inkopen doen voor de rit van morgen en na het avondeten kruipen we vroeg in bed.

 

24 september 2007 Potosi - Agua de Castilla (4023m) 50.8 km (989 meters geklommen)

De weg daalt steil uit het centrum het dal in, waar we een bizar landschap te zien krijgen, met op de achtergrond de Cerro Rico. Vanaf hier stopt ook het asfalt weer en we zien het waarschijnlijk pas terug in Argentinië. We zijn hier eigenlijk een paar jaar te vroeg, want ze zijn hier volop gestart met de voorbereidingen voor de aanleg van een asfaltweg. Ondertussen moeten wij ons door de wegenwerken zien te manoeuvreren en dat is niet altijd eenvoudig, zeker niet met al die losgewoelde aarde. En daarbij zijn we weer eens aan het klimmen geraakt en op één van de steilere stukken staat Marc weer stil met een lekke band. Het landschap is hier echt woest, maar dat heeft ook zijn mooie kanten. Wanneer er later donkere wolken komen opzetten en de wind hard begint te blazen, wordt het erg koud. De weg is een opeenvolging van lange klims en afdalingen. We hebben weer geluk, want de regenwolken gaan juist aan ons voorbij, ze lijken voor Potosi bestemd. Wanneer we aan het dorpje Agua de Castilla komen dat iets van de weg ligt, besluiten we het zekere voor het onzekere te nemen en hier een slaapplaats te zoeken, want die dreigende wolken beloven niets goed. Bovendien zijn we beiden bevroren van de kou en vinden we het wel genoeg geweest voor vandaag. We gaan dadelijk naar het Centro de Salud, maar ze zijn er niet echt vriendelijk en sturen ons naar het moderne hospitaal er rechtover, maar daar sturen ze ons terug naar het Centro de Salud. Het moderne hospitaal dat hier staat, is enkel voor de verzekerden, d.w.z. voor de mijnwerkers en hun gezinsleden. Al de andere mensen moeten gebruik maken van het erbarmelijke Centro de Salud. En zoals het in de meeste mijndorpjes gaat, zijn de meeste faciliteiten betaald door de mijn. In het Centro de Salud is er niemand die wil of kan een beslissing nemen. Dus moet Christine samen met iemand van het Centro de Salud op zoek naar een verantwoordelijke. Niemand blijjkt aanwezig, zelfs de burgemeester niet. We moeten wachten tot 18 uur, zeggen ze. Maar het is nog maar half vier en we bevriezen nu al van de kou. En eens dat je het koud hebt, is het moeilijk om je nog te verwarmen. Als de zon schijnt is het warm en zweet je tijdens een beklimming, maar tijdens een afdaling of bij bewolking krijg je dan plots kou. Ondertussen is de wind ook nog eens zo sterk geworden dat we voortdurend omhuld worden door wolken stof. Na wat zagen, hebben ze opeens toch een klein kamertje, maar ze gaan eerst wat dekens op het bed gooien want het is "gecontamineerd" zeggen ze. Als we vragen met wat, zeggen ze "Neen, niets ergs, er is hier gisteren een vrouw bevallen en het matras is doordrenkt met bloed". Wat een piepklein bevallingskamertje, het is net zo lang als het bedje en langs het bedje heeft de dokteres geen halve meter meer over om te staan. Neen, hier passen we toch voor, om op een vers bebloed bed te slapen. Christine gaat nog eens verder kijken en in het plaatselijk schooltje is de directrice dadelijk bereid ons er te laten slapen. We krijgen er een leeg klaslokaal in het splinternieuwe bijgebouw, door de mijn gebouwd uiteraard. We vinden het perfect, zolang we maar uit de wind en de kou zijn, want ondertussen staan we hier al meer dan een uur buiten te koekeloeren in onze bezwete fietskleding en is het hoog tijd dat we binnen zijn. Zoals gewoonlijk, komen de kinderen aan het raam piepen. In de school woont ook de conciërge en zijn familie. Het gezin woont in één piepklein kamertje, in de helft verdeeld door een gordijn, want de ene helft doet dienst als leefruimte en de andere als snoepwinkeltje voor de school. Bij het ondergaan van de zon duiken er plots hevige rukwinden op. Een paar keer zien we het dorp verdwijnen in een wolk van zand. Wij zitten goed beschut in het klaslokaal en het deert ons niet. 's Avonds gaan we eten in de door de mijn gebouwde kantine van de mijnwerkers. Het is er nog lekker warm van het koken. De kantine doet ook dienst als winkel voor de mijnwerkers, alhoewel er weinig te verkrijgen is. Op het menu staat soep en daarna pasta met wat vlees. Wat kan een fietser meer wensen.

 

25 september 2007 Agua de Castilla - Ticatica (3695m) 79.5 km (918 meters geklommen)

Het is goed fris wanneer we uit onze slaapzakken kruipen. We maken snel koffie met onze waterkoker, om ons wat op te warmen. Wanneer we bijna klaar zijn, staan er alweer kindjes aan het raam te kijken. Christine gaat snel nog op zoek naar wat brood, want gisteravond vonden we niks. En taart voor Christine's verjaardag vandaag is er al helemaal niet bij. Daarna nemen we afscheid van de conciërge, die ons de weg nog eens beschrijft. Het wordt weer een dag van dalen en klimmen en vechten tegen de wind. Er zitten soms van die korte steile stukken in dat je moet happen naar lucht. We belanden in een mooi klein valleitje met prachtige rode rotsen waartegen de groene bomen mooi in contrast afsteken. Daarna moeten we weer eens klimmen en dalen naar een grote vlakte, eigenlijk een enorme rivierbedding die we moeten oversteken. De weg is één en al wasbord (= kleine golfjes in de weg). Het lijkt wel of je de cadans van de weg moet volgen, maar meestal zijn de golfjes kleiner dan de diameter van onze wielen en dan davert de fiets eroverheen, geen plezant gevoel, en niet goed voor het materiaal en ook niet voor onze ingewanden. Wanneer je te rap rijdt, krijg je het heel hard te verduren. Onderweg komen we af en toe eens een voetganger tegen. Altijd lopen die hier rond met een klein groen plastieken zakje vol cocabladeren. Je ziet dan ook steeds een bult aan één kant van hun gezicht, omdat ze coca aan het kauwen zijn. In Peru was dat ook al zo, maar hier lijkt het ons nog veel meer. De bladeren worden steeds gekauwd met een "base", meestal gebruiken ze daarvoor sodabicarbonaat. Daardoor komt er meer van het werkende bestanddeel vrij. Het dorpje Chaquila, dat we in de verte zien liggen, lijkt maar niet dichterbij te komen. En de wind blaast hard in onze flank. Als we er eindelijk aankomen, zien we dat het grotendeels ruïne is, zoals zovele dorpjes hier en ook in Peru, maar meer in het centrum vinden we toch een winkeltje bij een oud mevrouwtje. Voor de rest lijkt het hier uitgestorven, op een paar blaffende honden na. We drinken er een frisse cola en eten wat koekjes voor we onze weg verder zetten. Verder op de baan moeten we door enkele riviertjes die dwars over de baan lopen. Het is altijd spannend als je er door rijdt, want je weet nooit of je vast komt te zitten of hoe diep het is. Het ergste dat je kan gebeuren, is een paar natte voeten, maar dat kan je beter vermijden op deze hoogte, want zoals gezegd, als de zon verdwijnt, kan het bar koud zijn. We rijden voorbij een soort mini salar, een grote vlakte met zoutafzetting die het oppervlak een witte kleur geeft. Met de bergen op de achtergrond, geeft dit een mooi zicht. En Marc kan ook weer eens een lekke band herstellen. We zijn ondertussen al bijna de tel kwijt. Bij de vorige reis waren we het al bijna verleerd, wegens het weinige lek rijden. Op deze reis lijkt het wel een intensieve cursus banden plakken. Maar ja, toen hadden we de supergoede Schwalbe Marathon XR opgelegd, en deze keer de Continental TravelContact omdat die minder rolweerstand heeft. Wanneer we in een klein dorpje stoppen om iets te drinken, stopt er een bus naast ons. Plots komen er allemaal lenzen en/of handen met fototoestel uit de ramen en we krijgen een uitgebreide fotoshoot. Op het laatste van de dag krijgen we nog een lange en op sommige plaatsen steile klim te verwerken. We worden er voorbijgestoken door een caravaan van jeeps met zwaaiende toeristen erin. Het wordt nog eens serieus op de tanden bijten om de top te bereiken, vooral door de harde tegenwind en het slechtere wegdek. Net voor het donker komen we in het dorpje Ticatica aan. Dat is heel goed, want het landschap leende zich niet echt om te kamperen. We vinden er een onderkomen in een zeer simpel huisje dat een paar kamers verhuurt voor 10 Bolivianen per persoon (= 1 euro). Het blijkt dat we in de kamer van de mensen zelf slapen. Zij zijn snel verhuisd naar een kamer ernaast bij de rest van de familie. De kamer stelt niet veel voor, maar is toch redelijk proper voor de normen die wij ondertussen hanteren. Er staat hier en daar een beetje rommel, zoals een oud fietskader en dergelijke, maar je moet je slaapkamer toch met iets opfleuren. Het grappigste is de trouwfoto die er omhoog hangt. Als we die nader bekijken, zien we dat behalve de hoofden al de rest erbij getekend is, het trouwkleed van haar, zijn kostuum, en ook haar juwelen. Van ver valt het niet dadelijk op, maar van dichtbij merk je het. Misschien een goede tip voor wie goedkoop wil trouwen. De mensen zijn overvriendelijk en hangen zelfs overhaast een gordijn voor het raam, door een doek met 2 spijkers in de muur te kloppen met een steen. We gaan snel iets eten, hier is er immers zelfs een restaurantje, want de bussen stoppen hier. Een soep en een hoofdschotel kost 0,75 euro, maar zelfs dat kunnen sommige mensen niet betalen, en die eten dan koffie met droog brood als avondmaal. Meestal hebben we na één zo'n maaltijd nog honger, maar voelen ons een beetje gegeneerd om nog iets bij te bestellen. Buiten staan een paar mensen door het raam te kijken naar de TV die in het kleine armzalige restaurantje staat. Wanneer Marc drinken gaat kopen in een klein winkeltje bij een oud vrouwtje, moet hij elf uittellen hoevee het kost, vijf en acht. Het oude mevrouwtje staat er wat hulpeloos bij en weet niet goed of ze Marc moet geloven als hij zegt dat het 13 is. Wanneer Marc later op de avond nog eens terug gaat, zit het oude vrouwtje (ze ziet er een jaar of 80 uit) op haar knieën op de grond cijfers te noteren in een schriftje dat op een stoel ligt. De cijfertjes van 1 tot 10, telkens opnieuw. Ze is haar huistaak aan het maken voor school. We hebben het hier in Bolivia nog gezien dat oudere mensen nog leren lezen en schrijven. Een heel goed initiatief, denken we. Het vrouwtje kijkt wat verlegen. Marc zegt haar "muy bien" (= heel goed). Ze zegt dat ze nog aan het leren is want dat ze het nog niet kan. Wanneer Marc tegen haar zegt "Dat komt wel, beetje bij beetje, en daarna kan je het heel goed" verschijnt er een brede glimlach op haar gezicht. De sterrenhemel is weer rijk gevuld en ook de melkweg is, zoals altijd hier, goed te zien.

 

26 september 2007 Ticatica - Pulacayo (4186m) 67.4 km (759 meters geklommen)

We rijden nog steeds door cactusgebied en vele van de droge rivierbeddingen zijn wit aangeslagen door het zout. De weg klimt heel langzaam naar een groot open plateau en tegen een uur of tien komt de wind flink aanzetten. Hij is harder dan anders, een constante harde wind met daarbij nog flinke windstoten die je van het ene moment op het andere doen parkeren. Op de enorme open vlakte is het open spel voor de windhozen die veelvuldig en met grote kracht over het oppervlak razen. Wij proberen ze te ontwijken, maar dat lukt niet altijd, en dan is het stof happen tot je uit de turbulentie bent en hopen dat je geen al te grote stukken afval in je gezicht gezwiept krijgt. Af en toe krijgen we zelfs een zandstorm te verwerken. Bij dat alles komt dan nog een slecht wegdek, en dat maakt dat we vandaag topsnelheden halen van 6 à 10 per uur terwijl we hiervoor een enorme inspanning moeten leveren. Het is een ware veldslag om een paar meter vooruit te komen. Wanneer we langs de weg stoppen om te eten, rechtstaand want op alles ligt een laag van minstens 10 cm zand, maakt de wind ons brood en bananen in een mum van tijd heel knapperig door het vele zand dat hier rondvliegt. Zoals al heel de weg vanaf Potosi is het hier vrijwel onbewoond. En bij de huizen die we dan toch tegenkomen, vragen we ons af waarvan de mensen leven. We denken dat ze gewoon hun deur openzetten tot er een lama of zo komt binnengewaaid. Het wegdek verbetert even, het wordt als het ware bijna asfalt, maar de wind doet er nog een schepje bovenop. We moeten zelfs even van de fiets want de weg is overspoeld met zand. Wanneer het wegdek terug slechter wordt, beginnen ook nog eens de steile klimmetjes elkaar snel op te volgen. De wind is ondertussen zo hard dat je bijna gewoon omver wordt geblazen. Als je stil staat, moet je je schrap zetten en de fiets stevig vasthouden, of voor je het weet lig je op je gat. Dit is echt niet meer normal. Christine begint te kraken en ieder klimmetje lijkt nu een hoge pas. We hopen op een lange afdaling naar Pulacayo, het dorpje voor Uyuni, want de hoop om vandaag nog Uyuni, een toeristische stad, te bereiken hebben we al lang opgegeven. We zien een bus voorbijkomen met op het dak trekkingfietsen en erin buitenlanders. Waarschijnlijk hebben ze zich gewonnen gegeven aan de wind of zijn ze al op voorhand afgeschrikt door het slechte parcours. Veel fietsreizigers doen immers het stuk naar Uyuni en dat van Uyuni naar Argentinië niet want het staat bij fietsers gekend als héél slecht en zwaar. Ondertussen ploeteren wij voort en krijgen we nog een zware domper te verwerken. De afdaling is er wel, zij het kort, maar dan moeten we nog meer dan 100 hoogtemeters steil omhoog klimmen. We zien het dorpje voor ons in de hoogte liggen. Voor Christine lijkt het dorpje zo onbereikbaar, mede vanwege het slechte wegdek, dat ze vraagt aan Marc om hier de tent op te zetten. Marc overhaalt haar om de laatste kilometers toch nog door te zetten. We twijfelen toch nog, want van hier beneden lijkt het niet echt op een dorp en er is hier ook een verlaten mijn. Misschien is wat we zien de lege mijngebouwen en ligt het dorp nog verder of nog hoger. Christine is echt aan het laatste van haar krachten en kan zelfs niet meer bergop fietsen. Dit is nog nooit eerder gebeurd. Ze duwt de fiets dan maar bergop, maar een bepakte fiets omhoog duwen is vermoeiender dan in kleinste versnelling langzaam bergop te fietsen, maar ze kan echt niet meer vooruit, dus zit er niets anders op. Marc heeft bovendien een lekke voorband en omdat hij niet de tijd wil nemen om hem te vervangen of te repareren, moet hij hem om de 10 minuten oppompen. Dus deels te voet en deels fietsend en met een lekke voorband halen we het begin van het dorpje waar we aan een boer op het veld vragen of er mensen in het dorp zijn, het is immers zo goed als donker en er is geen lichtje te bespeuren, en hij toont ons een voetpaadje waardoor we een deel van de weg die nog hoger stijgt kunnen vermijden. Langzaam en bijna in het donker duwen we onze fietsen omhoog over het steile paadje in de richting die de boer ons wees. We zitten aan de achterkant van huizen, waarvan de meeste krotten zijn en ons onbewoond lijken. In één huisje zien we een gordijn bewegen, maar als we er kloppen, komt er niemand opendoen, tot we roepen “Doe alstublieft open, we willen enkel de weg vragen” want het paadje splitst hier. Als we bijna in het dorp zijn, wordt het paadje nog heel ongelijk en moeten we de fietsen over oude spoorrails en grote rotsen sleuren. Als we eindelijk op een straat van het dorp uitkomen, zien we dat het een redelijk groot dorp is, maar het lijkt wel een spookstad, geen levende ziel te bespeuren, overal verroest oud ijzer en de huizen lijken verlaten. Nergens een lichtje te zien. Wanneer we op de plaza (= centraal plein in ieder dorp) komen, lijkt het ons nog vreemder. Compleet verlaten, geen enkele wagen of leven te bespeuren. Er is zelfs geen echte weg meer verder, alleen een oude vervallen spoorlijn die van tussen de gebouwen die hoger liggen schijnt te komen. De ijzeren kiosk op het plein is helemaal scheef geplooid. We staan hier precies in een vervallen tijdperk van de industriële revolutie, overal gebouwen en ijzeren werktuigen om ons heen. Ondertussen is het donker en we beginnen te denken dat we misschien beter gewoon onze tent op het plein opzetten, maar het is hier nu al bitter koud en eten koken zal geen pretje zijn, en ‘s nachts wordt het nog kouder. Marc gaat dan maar snel te voet eens rondkijken, hoewel Christine beter Spaans spreekt, maar zij heeft haar laatste cartouche verschoten en zij blijft bij de fietsen staan in de ijskoude wind. Wanneer hij een kaarsje ziet branden in een gebouw klopt hij aan de deur aan. De deur gaat open en hij krijgt een grote zaal te zien met een parketvloer. Wanneer hij zegt dat we met de fiets reizen en enkel een plekje op de vloer willen omdat we alles bij hebben om te slapen, zegt de mevrouw die de deur opende dat ze het even gaat vragen. Ze komt terug en zegt dat het OK is. Marc gaat vlug Christine halen, en als we terug bij het huis komen, zegt de mevrouw dat ze ons een kamer kunnen geven. Het grote huis blijkt een gang te hebben met allemaal kleine slaapkamers. We maken kennis met de mijningenieur die ons de toestemming gaf om hier te overnachten en hij zegt dat we ook kunnen mee avondeten. Tijdens het avondeten, praten we met hem en zijn 2 collega’s. De Boliviaanse ingenieur doet hier onderzoek in opdracht van een Canadese firma die eventueel de mijn weer wil openen. De ingenieur en zijn collega’s moeten uitzoeken hoeveel zilver er nog uit te halen valt. Daarvoor nemen ze stalen op verschillende plaatsen in de mijn, tot wel 500 meter diep. Hijzelf is afkomstig uit Potosi, waar zijn vader mijndirecteur was, maar hij woont nu al geruime tijd in La Paz. Hij vertelt ons ook dat er door de harde wind van vandaag geen elektriciteit is, ook heel Uyuni zit zonder elektriciteit. Er is immers een hoogspanningsmast omvergewaaid door de felle wind en een paar andere masten zijn afgeknakt. We hebben een fijn gesprek met de man en hij vertelt ons veel over de mijnen in Bolivia, het leven hier in het algemeen en de historie van het mijndorpje hier. Eens was dit hier een bloeiend dorpje met een zilvermijn en wel 25000 inwoners, namelijk 5000 mijnwerkers met hun gezin. En het gebouw waar we inzitten was een soort slaap- en recreatieplaats voor de elite, zoals de ingenieurs en ook de advocaten die naar hier kwamen om de contracten tussen de verschillende partijen op te stellen, want ook toen al zaten er hier zowel Boliviaanse als buitenlandse firma’s, namelijk Engelse en Amerikaanse, die de mijn uitbaten. De ingenieur en zijn collega’s hebben het gebouw ondertussen terug wat schoongemaakt, opgeknapt en geverfd, want het was in vervallen staat, zoals zovele van de gebouwen in dit dorpje. Hij vertelt ons ook over de mijn in Potosi die door zovele toeristen wordt bezocht. Die mijn is de uitzondering op alle andere mijnen in het land. Op de meeste plaatsen wordt immers zeer professioneel gewerkt. Toeristen krijgen een verkeerde indruk. Er zijn hier immers verschillende coöperatieve mijnvennootschappen aan het werk. Het is gekend dat sommige daarvan, namelijk degene waar je het meest verdient, het niet zo nauw nemen met de veiligheidsvoorschriften. Soms zijn het echte cowboys, iedereen doet maar wat hij wilt en er zijn niet echt regels. De eerste die een zilverader aanboort, heeft er voor altijd recht op. Dus is het een race tegen de tijd en proberen ze van alle kanten, vanonder, vanboven, links, rechts, met man en macht, dag en nacht, aan een ader te geraken, en gezien het coöperatieve vennootschappen zijn, krijgen de mijnwerkers zelf ook een deel van de winst, en zijn ze dus erg gemotiveerd. Volgens de ingenieur is het werk er harder en ongezonder, maar zouden de arbeiders er ook meer verdienen dan in andere mijnen. Vele mijnwerkers kunnen maar 10 à 15 jaar in de mijn werken waarna ze moeten stoppen vanwege het vele silicium dat ze inademden. En erg oud zullen ze ook niet worden. Bij andere mijnvennootschappen werkt men dan weer strikt volgens het boekje en daar hebben de mijnwerkers het veel beter. Er is betere ventilatie voorzien en de mijnwerkers krijgen een masker en helm ter beschikking, maar ze verdienen dan wel veel minder en ook voor hen blijft het nog een heel ongezonde job. De ingenieur vertelt ons ook dat sommige mijnwerkers, bvb. zij die eigenaar geworden zijn van een ader, eigenlijk heel rijk zijn, maar toch in hun armzalige adobe huisje moeten blijven wonen, omdat ze hun geld slecht spenderen. Zo geven ze bijvoorbeeld grote religieuze feesten met volop eten en drinken voor de hele familie, vrienden en geburen, en dat kost bommen geld. Hij zegt dat de mensen van de middenklasse hun geld investeren of sparen terwijl veel van de mijnwerkers hun vele geld er snel doorjagen en niets overhouden. Hij zegt dat dit wel een andere kijk op het probleem is dan wat ze de toeristen voorschotelen. Nadat hij ons nog uitgenodigd heeft voor het ontbijt, gaan we slapen.

 

27 september 2007 Pulacayo - Uyuni (3669m) 23.2 km (125 meters geklommen)

's Morgens krijgen we een lekker ontbijt en babbelen nog wat verder met de ingenieur. Daarna vragen we of we de fietsen even mogen laten staan om wat in het dorp gaan rond te neuzen. Het dorp lijkt één groot museum. Er staan zelfs enkele stoomtreinen, zelfs een bekende, de trein die Butch Cassidy en de Sundance Kid hebben beroofd. Nadien werden ze in het dorpje San Vicente doodgeschoten door Boliviaanse troepen, of om het juister te vertellen, hebben ze het lot in eigen handen genomen wanneer ze zagen dat er geen uitweg meer was. De overval was een mislukking, een taalprobleem eigenlijk. Ze hadden gehoord dat de wagen vol met “plata” zat, een woord dat hier ook wel gebruikt wordt voor geld, maar dat eigenlijk letterlijk zilver betekent. Zij dachten dat de lonen van de mijnwerkers erin zaten, maar in werkelijkheid zat er ruw zilvererts in dat nog moest verwerkt worden. De treinen staan eigenlijk gewoon in het midden van het dorp, maar toch vragen ze een kleine inkom om ze te bekijken. De oude man die de tickets verkoopt, loopt met ons mee als gids. Een ideale gids zo blijkt, want hij woont hier al z'n hele leven en heeft de hele geschiedenis grotendeels zelf meegemaakt en kan het ons dan ook met passie vertellen. Veel toeristen komen hier niet, 1 à 2 per dag als het mee zit, en dan meestal om een foto te nemen van de bekende trein en daarna weer vlug te vertrekken. Spijtig, want het dorpje heeft zo'n rijke geschiedenis dat je er een boek zou kunnen over schrijven. De gids Apolinar, een gepensioneerde man, heeft zelf het initiatief genomen om hier rondleidingen te geven. Het rare aan dit dorpje is dat het vol grote werkplaatsen staat waar al het materiaal en machines nog instaan. Het lijkt wel een beetje op zo'n plaats als Tsjernobil, waar iedereen gevlucht is maar alles heeft laten staan. Alle werkplaatsen zijn op slot met grote hangsloten. De gids zegt dat hij al jaren toegang vraagt om de oude machines te tonen aan toeristen, maar tot nu toe weigert de regering het. Er lopen hier zelfs militairen rond om het boeltje te bewaken. Het dorpje is verbonden met een nu niet meer bestaand dorpje aan de andere kant van de berg via een tunnel van 2 km. Het mijnstadje was in volle bloei toen een Amerikaanse man in 1959 langskwam en samen met de toenmalige mijndirecteur en later Boliviaanse president Aniceto Arce de mijn van de ene dag op de andere sloot en er 5000 mijnwerkers op straat stonden. De gids zegt ons dat ze dat gewoon deden omdat er hier teveel communisten waren, Daarna kwam er een Duitse firma die een metaalfabriek opstartte in het dorpje, waar de ex-mijnwerkers nu tewerk gesteld werden. Er kwam ook een textielfabriek waar de vrouwen konden gaan werken. Tot ook dit allemaal uitdoofde in de jaren 70. Ales van de oude glorie is er nog en zelfs in originele staat. Zo is er hier een cinemazaal, een bowlingzaal die trouwens nog gebruikt wordt. Je kan ook de oude tennisvelden, inclusief refereestoelen, nog zien die er nu verwaarloosd bijliggen. Er was hier zelfs een zwembad met warm water dat diep uit de mijn kwam. Allemaal nogal exclusieve dingen om te hebben in de jaren 60 en 70. De cinema werd druk bezocht en kende 2 ingangen, één voor de mijnwerkers en één voor de middenklasse, maar de première vond onveranderlijk plaats voor de elite die verbleef in het gebouw waar wij deze nacht sliepen. De gids kan het uitleggen alsof je de rij wachtende mijnwerkers en hun gezinnen nog kunt zien staan en het feit dat alles onaangeroerd is gebleven, helpt daar zeker bij. Het huis van Aniceto Arce, de mijndirecteur en later president van het land, is hier ook gelegen. Het is hier een echt openluchtmuseum en het is zonde dat zo weinig toeristen er de tijd voor nemen. Na de rondleiding gaan we onze fietsen ophalen en nemen afscheid van de ingenieur en de meid die voor ons eten zorgde. We klimmen weg van het dorp via een weg die eromheen loopt. Er volgt nog een slecht stuk weg, maar het is maar een goede 20 km tot Uyuni, dus valt het nog wel mee. Na nog een kort pittig klimmetje krijgen we een eerste zicht op de Salar de Uyuni, een enorme zoutvlakte zo groot als Vlaanderen, een prachtzicht van hierboven, en zo één van die momenten dat je al het harde labeur van de vorige dagen vergeet en zegt "Hier doe ik het voor". Wanneer we verder rijden komt ook het stadje Uyuni te voorschijn in de diepte. Een lange rechte afdaling leidt ons ernaar toe. Het fijne is dat we zelf kunnen bepalen hoelang het genieten duurt door op onze remmen te knijpen. Wanneer we voldaan zijn van de pracht, laten we de remmen los en rollen Uyuni binnen. Rond Uyuni is het wel een ramp, het ligt er vol met afval en plastieken zakken, maar dat konden we daarstraks nog niet zien. Het land eromheen lijkt wel op een plastiekzakkenplantage met al de zakken die in de lage struikjes blijven hangen. Na wat zoeken vinden we een hotel met een warme douche om het vuil van de voorbije dagen van ons af te wassen. Er is nog steeds geen elektriciteit en de mensen proberen zich met kaarsen en andere middelen te behelpen om wat licht in het duister te krijgen. We vinden hier ook een restaurant waar we een lekkere, malse lamasteak met roquefortsaus eten en zo toch nog Christine haar verjaardag kunnen vieren, zij het met een paar dagjes vertraging.

 

28 september 2007 Uyuni - Uyuni (3669m) 16.1 km (12 meters geklommen) + Uyuni - Hotel Playa Blanca (Salar) 35.0 (23 meters geklommen)

Vandaag rijden we naar de zoutvlakte, maar we moeten daarvoor nog eerst 27 km over ongeasfalteerde weg fietsen. We hadden van sommige fietsreizigers gehoord dat dit stuk amper berijdbaar is, maar wij zien niet echt het verschil met de ongeasfalteerde wegen die we hier in Bolivia al achter de rug hebben. Integendeel, dit is één van de betere ongeasfalteerde stukken. We zouden vandaag graag tot het eiland Incahuasi rijden dat ergens midden op de Salar ligt, op ongeveer 100 km van Uyuni. Het is eigenlijk een weg en weer uitstapje dat we gaan doen. De eerste kilometers op de ongeasfalteerde weg vlotten goed maar na iets minder dan 10 km staat Christine plots met haar zadel in haar handen te zwaaien naar Marc die al een stukje verder is. Een bout van 8 mm dik is gewoon doormidden gebroken. Marc probeert nog even bij spoorwegarbeiders een bout te vinden, maar komt met lege handen terug. Er zit niets anders op dan terug te rijden naar Uyuni en er een bout te gaan zoeken. Dus rijden we terug, Christine rechtopstaand. Tot onze grote opluchting vinden we in Uyuni al vrij snel wat we nodig hebben. Nadat Marc het fietszadel van Christine terug gemonteerd heeft, kunnen we van voorafaan beginnen, een tweede maal op weg naar de Salar. Na 22 km komen we in het dorpje Colchani, een piepklein dorpje dat leeft van de zoutwinning op de Salar. We komen er een groep Belgische toeristen tegen die een rondreis maken met de jeep, georganiseerd door het reisagentschap Dromen van Varsenare. De groep is verdeeld over een vijftal jeeps en reist zo door Bolivia. We praten wat met hen waarna we ieder onze weg vervolgen. Wanneer we de jeeps iets verder op de Salar zien staan, rijden we ernaar toe om aan de chauffeurs enkele richtlijnen te vragen. We geraken weer aan de klap met de Belgen die ons uitnodigen om met hen mee te eten. De auto's worden in een cirkel gezet, er wordt een zeil als beschutting tegen de zon gespannen, er komen tafeltjes en stoeltjes te voorschijn, en voor we het weten zitten we in het midden van de Salar aan een heerlijk buffet met gastvrije Belgen. Na wat gezellig praten en een laatste foto zet ieder zijn reis verder. Wij besluiten vandaag niet meer verder te rijden dan het zouthotel dat maar een tiental kilometer verder ligt. Het hotel is volledig, inclusief meubels, opgebouwd uit zoutblokken, waardoor het wel een speciale indruk geeft. Een jongen uit La Paz, Junior genaamd, houdt het hotel open voor de eigenaar die hier een beetje verder in Colchani woont. Junior zit hier al vier maanden op de Salar en als we iets vragen over de eilanden of zo, kan hij ons niet antwoorden, want hij is hier heel de tijd nog niet weggeweest en heeft geen idee wat er verder te zien is. Er is hier al geruime tijd geen licht meer en alles gebeurt met kaarslicht. Voor water is er enkel een grote ton waarvan de bodem voor 10 cm gevuld is. Genoeg voor vandaag, zegt Junior. Na wat met hem gepraat te hebben, kunnen we de prijs flink omlaag krijgen en besluiten dan toch maar een kamer te nemen i.p.v. onze tent op te zetten. We krijgen een pracht van een zonsondergang, en het licht van de ondergaande zon in de wolken bezorgt ons een waar kleurenspektakel. We zijn de enige gasten en hebben het hotel voor ons. We praten nog de hele avond bij kaarslicht met Junior, waarna we allen nog eens gaan genieten van een prachtige sterrenhemel boven een ijskoude Salar voor we slapen gaan.

 

29 september 2007 Hotel Playa Blanca - Isla Incahuasi (Salar) 64.6 km (24 meters geklommen)

We nemen afscheid van Junior en rijden de grote open witte vlakte in. De gids van de Belgen had ons gezegd dat we ons moesten proberen te richten op het midden tussen de bergen links en de vulkaan Tunupa rechts in de verte en na ongeveer 35 km zouden we dan een zwart stipje moeten zien verschijnen dat dan het eiland Incahuasi zou moeten zijn. Indien niet, zouden we ons moeten heroriënteren met behulp van ons kompas. Maar in werkelijkheid zijn er ook een soort wegen op de Salar, omdat de vele jeeps altijd ongeveer dezelfde route nemen. Soms zijn de sporen zwart gekleurd van lekkende olie of het rubber van de banden. We houden de bergen in het oog en blijven in de buurt rijden van zo'n zwart spoor. We proberen onderweg foto's te maken met optisch bedrog. De witte vlakte leent zich hier uitstekend toe. Wanneer we door rijden zien we een puntje in de verte aankomen. Het lijkt eerst nog een auto, maar nadien lijken het 2 puntjes te zijn die zich traag voortbewegen. Dat moeten fietsers zijn, denken we, en we veranderen onze koers. Als we dichterbij komen, veranderen ook zij hun koers in onze richting, en inderdaad, het is het Engels-Australisch fietskoppel Simon en Sue (www.bigskylife.com). Ze vertellen ons dat ze van het eiland komen en dat er nog 2 fietsende Belgen op komst zijn die ook op het eiland overnacht hebben. Even later staan we daar met zijn zessen. De Belgen zijn Pieter-Jan Guns en Peter De Baerdemaecker die voor een kortere reis in Bolivia onderweg zijn. De Salar lijkt wel een ontmoetingsplaats voor Vlamingen, misschien heeft de omvang van de Salar er iets mee te maken, de Salar zou immers even groot zijn als Vlaanderen. Terwijl Simon en Sue verder rijden, wisselen we nog wat info en verhalen uit met Pieter-Jan en Peter, en doen ook nog een kleine degustatie-sessie van de koekjes die we respectievelijk bijhebben. Ja, koekjesinfo kan soms ook belangrijk zijn voor een fietser. We nemen afscheid en vervolgen onze weg op het andere spoor, dat van het Engelse koppel. Eigenlijk lopen er verschillende sporen naar het eiland, ze lopen gewoon parallel met elkaar, maar door de vlakte en al dat wit zijn ze niet zichtbaar vanuit de verte. Af en toe kiezen we voor het ongerepte wit dat bestaat uit een schaakbord van zeshoeken. De randen van de zeshoeken bestaan uit een beetje opgehoopt zout, wat het rijden wel een beetje afremt en waardoor we na een tijdje altijd weer worden aangetrokken door de meer bereden route. Het rijden op de Salar heeft toch iets magisch. Soms lijkt het of je op een enorme sneeuwvlakte aan het rijden bent. De overweldigende, witte vlakte maakt je zo klein. En wanneer je voor je uit zit te staren terwijl je rijdt, lijk je in één of andere droom beland te zijn. De stilte en al het wit geven je een onwerkelijk gevoel. Af en toe zit er een gat in het zout gevuld met water. De Salar bestaat uit zoutplaten waartussen water vloeit. Wanneer je met je arm in zo'n gat gaat, kan je onder het oppervlak zoutkristallen losmaken, een witte blok zout bestaand uit rechthoekige balkjes die aaneenklitten. Je houdt er wel een voor een tijdje ongevoelige arm aan over vanwege het ijskoude water. Overdag is er op de Salar echter een aangename warmte. Er is eigenlijk weinig verkeer op de Salar, want heel de ochtend hebben we amper een voertuig gezien. Tot er plots rond het middaguur een golf van jeeps uit Uyuni komt aangestormd, allemaal vol met toeristen. Eens die vlaag voorbij is, wordt het weer rustig. En die jeeps uit Uyuni rijden echt als gekken, zeg maar vliegen. Na zo'n 35 km hebben we inderdaad een zwart stipje aan de horizon zien verschijnen dat we steeds zagen groeien. En nu we naderbij komen, zien we dat het eiland vol staat met enorme cactussen. En wanneer we rond het eiland rijden, ontdekken we waar al die gehaaste jeeps naartoe reden. Ze staan hier allemaal aan dezelfde kant van het eiland, waar er zouttafels en -bankjes staan en waar alle toeristen in een enorme rij zitten te piknikken. Wanneer we dan maar meedoen aan het gebeuren, maar dan met onze eigen piknik, komt er een oude man naar ons toe. Het is Alfredo, een Aymara-indiaan en de eerste bewoner van het eiland. Hij is gek op fietsreizigers en toont ons drie grote gastenboeken volgeschreven met verhalen en opmerkingen van fietsers die hier langskwamen. In zijn huisje heeft hij 2 zeer eenvoudige en piepkleine kamertjes met elk 2 bedjes. Voor 1 euro per man krijgen we ieder een bed en liggen we lekker warm binnen en hoeven we de tent zelfs niet op te zetten. Wanneer we het eiland, dat ondertussen verlaten is, verkennen, komen we op de top een groep studenten Toerisme tegen met hun leraar en Alfredo. Ze krijgen een rondleiding van Alfredo en noteren ijverig alles wat hij over het eiland vertelt. Morgen worden ze immers ingeleid in de wereld van gids en moeten ze voor het eerst toeristen rondleiden op het eiland in het kader van een soort praktijkles. We worden er ook bij betrokken en mogen onze commentaren en ideeën kwijt over hoe een goede gids hoort te zijn. Op hun beurt kunnen zij hun vragen stellen aan het prototype toerist, wij dus, maar ze stellen enkel vragen over onze fietsreis. Samen met de groep kijken we vanaf de top van het eiland naar de zonsondergang bij onbewolkte hemel. Terwijl het er overdag krioelt van de bezoekers, is het eiland 's avonds een oase van rust, enkel de paar bewoners van het eiland blijven over en occasionele gasten zoals wij en de groep aspirant-gidsen. Er is hier een modern restaurant, maar de prijzen zijn wat te toeristisch, dus besluiten we maar zelf te koken. Wanneer Alfredo z'n vrouw ziet dat we niet gaan eten in het restaurant, komt ze ons vragen of we iets te eten bij hebben, want anders kan zij wel iets voor ons maken. Alfredo moet dan wel eerst voor licht zorgen, want bij kaarslicht kan ze niet koken zegt ze, want ze ziet slechts uit één oog. Met een systeem van een kleine generator en een autobatterij kan Maria aan het maal beginnen. In haar kleine restaurantje dat eigenlijk een kleine grot is met één eettafel erin, bereidt ze ons een lekkere pasta die we gezamenlijk met ons vieren op eten. En nadien, met de cocathee in de hand, praten we met hen over het eiland en zijn omgeving, en over onze reis. Terwijl we praten, komen de andere inwoners er ook bij zitten, dat is het personeel van het moderne restaurant en het meisje van het inkomloket. Even later gaan we allemaal slapen en is het compleet stil op het eiland.

 

30 september 2007 Isla Incahuasi (Salar) - Uyuni (3669m) 101.0 km (54 meters geklommen)

We ontwaken met een onbewolkte hemel en gaan in de koelte een ontbijt nuttigen in de grot bij Maria. Een paar jeeps zijn al aangekomen. 's Morgens komen er enkele uit Chili op bezoek, en tegen de middag komt de grote meute uit Uyuni (Bolivia). De chauffeurs zitten in de grot van Maria grote literflessen bier te drinken, uit het zicht van de nietsvermoedende toerist. De sporen om terug naar Uyuni te keren zijn bij het eiland talrijk en wit, waardoor we niet dadelijk zien welke we moeten volgen. Het weer is vandaag heel speciaal op de Salar, er is geen wolkje aan de lucht en de normaal zichtbare bergen zijn compleet verdwenen. We zien amper het verschil tussen de witte Salar en de zeer lichtblauwe lucht. Dit alles maakt het nog onwerkelijker dan voordien. We rijden nu op een witte vlakte met niets om ons heen. We behelpen ons dan maar met het kompas. Na een dertigtal kilometers zijn we bijna zeker dat we niet over dezelfde sporen als gisteren aan het rijden zijn. Het is nog 's morgens vroeg en dan is er ook nog geen verkeer vanuit Uyuni naar het eiland. Het is mogelijk dat we juist zitten en dat we gewoon op een parallele weg zitten. We besluiten door te rijden, het Hotel de Sal moet binnenkort zichtbaar worden. We speuren de horizon af naar een zwart puntje dat nu alle momenten moet gaan opduiken. Plots zien we iets, maar naarmate we naderen, zien we het niet uitgroeien tot een gebouw, het blijft klein. We gaan een kijkje nemen en doen een akelige ontdekking. Een bot dat ons sterk gelijkt op dat van een mens ligt hier naast iets dat lijkt op een hoopje gecomposteerd stro. In het zout verzonken blijken nog beenderen en stukken textiel te zitten. Het heeft iets weg van een gedumpte mummie. We nemen een foto en rijden verder. Plots zien we in de verte de eerste jeeps uit Uyuni rijden en merken dat we niet op het juiste spoor zitten. We beginnen schuin naar de juiste richting te rijden. Veel zaten we er blijkbaar niet naast, we hadden waarschijnlijk later nog onze richting kunnen aanpassen, wanneer het Hotel de Sal in zicht kwam. Maar toch twijfelen we nog, want het hotel moest nu al lang in zicht zijn. Pas 4 km voor het hotel zien we een zwart puntje aan de horizon verschijnen, terwijl dit bij het wegrijden nog op 12 km zichtbaar was. Er mogen dan wel geen wolken zijn, het zicht blijkt toch niet optimaal. We hebben nochtans de indruk dat we ver kunnen zien. Aan het Hotel de Sal staat een jeep en er liggen reizigersfietsen op. We gaan kijken en het blijkt de Franse familie Varret (pedalonsverslhorizon.free.fr) te zijn op stap met heel het gezin, hun jongste zoontje is slechts 3 jaar. Ze hebben bijna de volledige weg per fiets afgelegd van Lima tot hier, maar hebben de dag met de hevige wind hun rit moeten staken. De vrouw heeft rugpijn van de slechte wegen in Bolivia en heeft in Uyuni al 3 dagen spuiten gekregen. Nu hebben ze besloten het even rustig aan te doen met een uitstapje van een paar dagen met de jeep. Daarna nemen ze de trein verder tot Tupiza, een stadje op ongeveer 200 km van Uyuni richting Argentinië. Na een aangenaam gesprek met hen, rijden we vlot terug naar Uyuni, waar we Pieter-Jan en Peter, de 2 Belgische fietsers op de Salar, weer ontmoeten. 's Avonds boeken we nog snel een jeeptoer van 3 dagen naar de meren. We twijfelden, maar iedereen die we tegenkwamen was zo enthoesiast, en fietsend zou het een omweg zijn die ons teveel tijd kost.

 

1 - 3 oktober 2007 Uyuni - Lagunas rondrit per jeep

Rond 10.30 uur worden we aan het hotel opgehaald door de jeep, zoals afgesproken. We maken kennis met de medereizigers, het Australisch koppel Nick en Leonie, en het Nieuw-Zeelands koppel Sam en Anna (the-grandmaster.blogspot.com), en met onze chauffeur-gids Iber en zijn vrouw, onze kokkin, Norberta. Blijkbaar zijn wij de enigen die Spaans spreken en Iber vraagt ons om alles te vertalen voor de anderen. De toer begint met een bezoek aan het treinkerkhof van Uyuni. Hier staan er meerdere verroeste, heel oude modellen stoomlocomotieven. Daarna volgt een bezoek aan de Salar en het eiland Incahuasi, en nu krijgen we, temidden van de andere toeristen, ook onze piknik aan één van de tafels. Het is een hartelijk weerzien met Maria, maar Alfredo is spijtig genoeg afwezig tot deze avond. We ontmoeten er ook de net aangekomen Italiaanse fietsers Gabriele, Giordano en Mirco, die een fietstoertje in Bolivia en Chili doen, waarna ze verder vliegen naar New York om er deel te nemen aan de marathon. Na een fijn gesprek met deze uitbundige Italianen, roept Iber ons. Het is tijd om te vertrekken. We rijden verder over de Salar, richting Chili, waar we even later aankomen in het Hotel de Sal Marith in het piepkleine dorpje Atulcha. Ook dit hotel is uit zout, maar het staat niet op de Salar, je kan zelfs de Salar van hier nog nauwelijks zien. Nadat ieder koppel een kamer heeft toegewezen gekregen, wordt er ons door Norberta een lekker vieruurtje opgediend. Wat is dit toch gemakkelijk. We hoeven niet op voorhand te gaan rondvragen waar er onderweg eten en drinken te verkrijgen zal zijn, en we hoeven ons geen zorgen te maken of we wel genoeg eten en drinken bijhebben, en of we wel op tijd aan het volgende bevoorradingspunt (=dorpje) zullen geraken. Alles wordt hier voor ons geregeld, een luxe leventje, voor 3 dagen dan toch. We wandelen wat rond in het dorpje, waarna we een lekkere maaltijd krijgen opgediend. Voor het eten komt er in het hotel een lokale man allerhande (voor hier "luxe") artikelen tentoonstellen die de toeristen (= onze groep en nog één andere jeepgroep) kunnen kopen, bvb. wijn, bier, Toblerone-chocolade, Snickers, chips, sigaretten, enz. Zo gemakkelijk is het om als rugzakreiziger in the middle of nowhere toch aan allerhande westerse producten te geraken. Iber zegt ons dat we de volgende dag om 6 uur zullen vertrekken, om 5.30 uur zal het ontbijt klaar staan. We kruipen vroeg in ons zoutbed. De volgende ochtend is iedereen mooi op tijd klaar en we vertrekken om 6 uur zoals voorzien. We banen ons een weg door het heel dorre en wegenloze landschap, en de vele jeepsporen geven ons een vermoeden waar we naartoe rijden. We zien een hele tijd in de verte de nog actieve vulkaan Ollagüe, die op de grens Bolivia-Chili ligt. Op het punt waar we er het dichtste bij zijn, stopt Iber even en krijgen we 5 minuten voor foto's en een plasje. Daarna gaat het verder over alsmaar kleinere paadjes en rijden we langs enkele kleine, maar mooie meertjes, tot we via een wirwar van allerhande kleine paadjes eindelijk aan het grotere meer Hedionda komen. Dit meer is prachtig gekleurd en zit héél, héél vol met flamingo's. Iber zet ons aan de ene kant af waarna we met ons zessen langs het meer naar de andere kant wandelen waar Norberta ondertussen onze lunch heeft gekookt (ja, gasvuurtje en alles heeft ze mee op het dak van de jeep). We krijgen deze aangeboden in een gebouwtje waar tafels en stoelen voorzien zijn en propere toiletten. Na de lunch rijden we verder door soms wel en soms niet boeiende landschappen. We stoppen aan de Arbol de Piedra, de "stenen boom", een rostformatie die erg op een boom gelijkt. Hij staat hier, tesamen met nog allerhande rare rotsformaties, midden in de woestijn. Daarna wordt de tocht verder gezet en na een paar uur komen we aan het Laguna Colorada, het "gekleurde meer". Dit immens grote meer is slechts 80 cm diep en is aan één kant knalrood gekleurd en aan de andere kant zwart, met ook nog een stukje wit door de borax. Ook in dit meer zitten heel veel flamingo's en dit op een hoogte van rond de 4000 meter, waar het 's nachts tot -20 graden kan vriezen. Het is een prachtig zicht, maar er is ontzettend veel wind en het is koud. We zijn blij dat we niet met de fiets zijn, mede vanwege de slechte weggetjes, die soms niet meer dan sporen zijn. Bovendien zijn er verschillende sporen, en je moet maar weten hetwelk je moet volgen, hoewel volgens ons de meeste wel op hetzelfde punt zullen uitkomen. Waar zouden ze anders wel naartoe gaan in dit verlaten, onherbergzame gebied waar zo goed als niemand woont? Bovendien zou het ons met de fiets zeker twee weken kosten om dit alles te bezoeken. Nadien brengt Iber ons een paar kilometer verder naar een eenvoudig hotelletje, waar we met ons zessen in een slaapzaal slapen. Er is nog een andere, grotere groep die in 2 jeeps reist en een andere slaapzaal bezet. Onze 4 jonge medereizigers ploffen bij aankomst allemaal uitgeput op bed alsof ze de jeep zelf hebben voortgeduwd, terwijl wij een beetje lezen en schrijven, totdat Norberta ons een lekkere spaghetti inclusief fles wijn opdient. Iber zegt ons dat het morgen een lange dag zal worden en dat we om 5 uur stipt moeten vertrekken, en dat we moeten zien dat we niets vergeten, want dat hij geen tijd heeft om terug te komen. We horen de gids van de grote groep hetzelfde zeggen, behalve dat zij om 4 uur moeten klaarstaan. Wij kruipen met ons zessen na het eten dadelijk in bed, terwijl we de grote groep, die bierflessen hadden meegebracht, nog zeker een uur horen babbelen en lachen voor onze deur. Als we 's morgens om half vijf opstaan, horen we dat de grote groep die om 4 uur ging vertrekken, er nog steeds is. Even later vernemen we dat hun beide chauffeurs de rest van de bierbakken, die de groep in de gang voor onze deur had laten staan, leeggedronken hebben en nu nog stomdronken in bed liggen. De groep is razend, ze zijn om 3.30 uur opgestaan en staan al vanaf 4 uur klaar voor vertrek. Tegen dat wij om 5 uur vertrekken, is één van hun chauffeurs toch al wakker. Wij rijden door het donker en over kleine paadjes vol stenen die op en neer gaan, maar veel meer op dan neer, naar de Sol de Mañana-geisers. Het is een prachtig zicht, de rokende putten in de opkomende zon. Uit sommige gaten spuit de stoom tegen hoge snelheid metershoog de lucht in, in andere gaten zie je kokende modder borrelen, en alles ruikt naar sulfur. Daarna rijden we verder naar de warmwaterbaden van Chalviri. Het water is hier rond de 40 graden en we nemen er een aangenaam bad, al dien je je wel buiten, bij vriestemperatuur (vanwege het nog ochtendlijke uur) om te kleden. Nadien gaan we binnen in een gebouwtje ontbijten en vernemen we van Iber dat de grote groep zonet vertrokken is (het is nu al na zessen), met in de eerste jeep de reeds ontwaakte chauffeur en in de volgende jeep een toerist aan het stuur met de andere, nog steeds slapende chauffeur ernaast. Daarna rijden we verder. Iber stopt nog eens aan wat "De rotsen van Dalí" wordt genoemd, en inderdaad, als je de schilderijen van Dalí kent, zie je er duidelijk een Dalí-landschap in, maar onze medereizigers hebben nog nooit van Dalí gehoord. Ze stellen trouwens drie dagen lang geen enkele vraag aan Iber, en zitten de hele tijd wat ongeïnteresseerd in de jeep voor zich uit te staren alsof het gaat om een verplicht schoolreisje. Daarna rijden we verder naar het Laguna Verde, het "groene meer". Dit meer is inderdaad door mineralen helgroen gekleurd en is heel mooi gelegen, met er vlak naast de 5.960 meter hoge Licancabur-vulkaan, waarvan de perfecte kegel prachtig in het water weerspiegelt. Ook hier is er heel veel wind en is het koud, we zitten dan ook op 4.400 meter hoogte. Bij sommige toers die 4 dagen duren is een beklimming van deze vulkaan inbegrepen, en Iber vertelt ons dat er zo'n 2 maanden geleden bij zo'n beklimming een toerist van de vulkaan gevallen was en op slag dood was. Na dit sombere bericht, rijden we verder naar de Boliviaanse-Chileense grenspost, waar we Sam en Anna achterlaten die met een bus naar het Chileense woestijnstadje San Pedro de Atacama verder reizen. Wij vatten de lange terugtocht naar Uyuni aan. De immense verlatenheid van dit hooggelegen, compleet dorre gebied wordt ons nogmaals duidelijk. Wij zijn in ieder geval blij dat we het met een toer hebben gedaan, temeer daar wij na Bolivia naar Argentinië willen, en niet naar Chili, al komen fietsreizigers die naar Chili willen wel langs hier. Zo komen we hier Pieter-Jan en Peter nog eens tegen, die met een jeep tot aan de Ituburu-vulkaan zijn gegaan, die ze gisteren per fiets hebben beklommen, en nu op weg zijn naar de lagunas en dan verder naar Chili. We geven hen ons flesje cola en wat koekjes, want extra bevoorrading is altijd welkom. Daarna stoppen we nog in een vallei vol met mooie bizarre rotsformaties. Ongeveer halfweg naar Uyuni komen we weer in min of meer bewoond gebied, de ongeasfalteerde weg wordt iets beter en iets breder, en hier en daar is er een klein dorpje. In het kleine dorpje Villa Mar stoppen we en krijgen we in een huis van lokale bewoners door Norberta een koude lunch opgediend, een soort gepaneerde boterhamworst met spinazie en wortelen en aardappelen. Norberta is deze morgen om 3 uur opgestaan om dit voor ons te koken. Al het eten en drinken voor de 3 dagen wordt op het dak van de jeep meegevoerd. Daarna gaat de tocht verder. Het is lang en saai. Erg mooi is het hier niet. We houden nog een korte stop in het grotere dorpje San Juan, vanaf waar de weg veel beter is tot in Uyuni. In Uyuni gaan we naar ons hotel en gaan dan de fietsen ophalen in de wasserij naast het hotel. Ze hebben de fietsen, die aan elkaar waren vastgemaakt met een slot en met het spaakslot aan en met de bagage eraan hangend, verplaatst. Zéér gezond voor de fietsen! Er is hier toch ook altijd iets. We hadden nog speciaal gevraagd waar we de fietsen precies moesten zetten zodat ze niet in de weg zouden staan! Daarna gaan we vlug inkopen doen voor morgen. Er zou de eerste 100 kilometer niets zijn, we zullen proberen dit in één dag te doen, maar het zal van de staat van de weg en van de wind afhangen of we dit halen, dus moeten we voor zeker 2 dagen eten en drinken meedragen. Daarna gaan we nog een lekkere lamasteak met roquefortsaus eten en kruipen te laat in bed.

 

4 oktober 2007 Uyuni - Atocha (3951m) 103.7 km (451 meters geklommen)

We wilden weer eens vroeg vertrekken vandaag, maar het ontbijt dat in de prijs inbegrepen zit, laat op zich wachten. "Binnen 10 minuten" zeggen ze, en na 20 minuten "Nog even". Na 30 minuten zien we de meid binnen komen gewandeld met eieren en brood, en na nog eens een kwartier wordt ons ontbijt eindelijk opgediend. Je zou kunnen zeggen "Wat is dat nu,een uurtje!", maar op de rit van vandaag zullen we alle tijd kunnen gebruiken. We verlaten Uyuni met een langzame klim. De ongeasfalteerde weg valt op dit eerste stuk eigenlijk nog best mee, maar nadien wordt het heel wat minder. De weg is hier helemaal vol wasbord, allemaal kleine golfjes achter elkaar. Bovendien is de weg op sommige  plaatsen erg zanderig, vooral aan de zijkanten, waardoor boordje rijden niet gemakkelijk is. En wanneer de weg één en al wasbord is, dan daver je als gek op en neer. Op een bepaalde plaats belanden we zelfs in een soort woestijn met duinen. De wind is hier zo hevig te keer gegaan dat de weg bedolven is onder het zand, waardoor er niets anders op zit dan de fiets door het zand te trekken en te sleuren, niet evident met een bepakte fiets, een zware karwei. Het zijn zo altijd maar stukjes van 50 meter of zo, maar genoeg om je te doen puffen. Soms duiken er plots grote windhozen op, wat angstaanjagend is als je die op je af ziet komen. Op een bepaald moment komt er plots, vanuit het niets, een heel klein lammetje luid blètend achter ons aan gespurt. Het rent Christine straal voorbij, en gaat achter Marc's fiets aanrennen, almaar luider blètend. Na een paar honderd meter stopt Marc toch maar, want als we dit lammetje ons laten volgen, geraakt het helemaal verdwaald en kwijt van zijn moeder. We hebben hetzelfde nog eens voor gehad, en ook toen zat het lammetje achter Marc aan, terwijl het Christine volledig negeerde. Maar telkens als Marc opnieuw wil vertrekken, loopt het lammetje mee. Christine probeert het af te leiden door in haar handen te klappen op het moment dat Marc vertrekt, en dat lukt. Maar als nadien ook Christine wil vertrekken, loopt het achter Christine aan. Zij gooit dan maar een steen achter zich, en wanneer het lammetje daar naar kijkt, spurt ze vlug weg, voor zover ze al kan spurten, met bagage op deze ongeasfalteerde weg. Maar het blijkt in ieder geval genoeg om het lammetje af te schudden, dat blijkbaar de afstand nu te groot vindt om nog na te komen. We nemen niet de tijd om deftig te eten, we eten nu en dan gauw wat koekjes zonder van de fiets af te komen. We zouden graag tot Atocha geraken en merken dat het nipt zal worden. Juist wanneer we het terug wat zien zitten om er nog voor het donker te geraken, komen we opnieuw van die zandduinen tegen. We zagen een dorpje liggen en het leek niet ver meer, maar het zand verschuift het dorpje niet in afstand maar wel in tijd. Een wegenwerker geeft ons terug wat moed, na 200 meter zou het gedaan zijn met de duinen. In het dorpje dat niet veel voorstelt, zeggen ze ons dat het niet meer ver is naar Atocha. Met nog slechts anderhalf uur daglicht zullen we ons toch moeten haasten, zeker omdat de eerste kilometers nog klimmen zijn. In de afdaling krijgen we nog een prachtig landschap te zien met rode, door erosie uitgesleten bergen waarop de ondergaande zon haar laatste stralen werpt. We kunnen het niet laten om te stoppen voor een paar foto's, ook al zitten we krap in tijd. We dalen de vallei in waar de weg een rivier volgt. We hadden heel de dag bijna geen wagens gezien en nu zien we er iedere vijf minuten eentje. Op een bepaalde plaats zien we de wagens de droge rivierbedding in rijden. We hadden een tip gekregen van Jenne en Annalies, het Nederlands fietskoppel, dat je hier ergens de rivierbedding kon volgen en dat dit heel wat klimmen bespaart. We twijfelen even, want het ziet er erg zanderig uit en de zon is al onder, we hebben echt niet veel tijd meer. We besluiten toch maar op de gewone weg te blijven, maar als we na een eerste steil klimmetje merken dat de weg er rotslecht en vol losse stenen bijligt en dat er ons alweer een volgende steil klimmetje te wachten staat, besluiten we na de ontzettend slechte afdaling van het eerste steile klimmetje onze kans toch maar te wagen in de rivierbedding. Het eerste stuk is wat zanderig, maar eens we aan het spoor van de wagens geraken, loopt het vlot. Wel eens iets anders om het landschap vanuit het oogpunt van de rivier te zien. Het is hier bovendien prachtig mooi, rode uitgesleten rotsen aan de zijkanten, en witte zoutafzetting op de droge rivierbodem, en op sommige plaatsen is de bodem helgeel, alles bijeen een heel mooi kleurenspel. Hier en daar moeten we door kleine stroompjes water in de al iets minder droge rivierbedding. Op het ogenblik dat de duisternis echt valt, zien we na een bocht eindelijk de lichtjes van Atocha verschijnen. We hebben het net op tijd gehaald. Het is een vrij groot dorp met een opvallende bezienswaardigheid. Op het hoofdplein hebben ze namelijk een klein Cessna-vliegtuigje op een paal gezet, bizar zicht in zo'n dorpje.

 

5 oktober 2007 Atocha - Tolamayu (4422m) 46.3 km (876 meters geklommen)

We voelen ons vandaag allebei een beetje slapjes. We denken dat het van de sla bij het avondeten is. De vrouw van het kleine hotelletje waar we slapen, is vroeger opgestaan om ons ontbijt klaar te maken. We vragen de weg en moeten terug de droge rivierbedding volgen. De kortste weg is door een klein stroompje aan de rand van de brede bedding. Wanneer we echter zien dat het stroompje eigenlijk de riool van het dorp is, besluiten we toch even om te rijden, al is het maar om stinkvoeten te vermijden. Na enkele kilometers in de rivier te hebben gereden, vraagt Marc de weg aan een paar mannen die hun vrachtwagen hebben vastgereden in de rivierbedding. Op sommige plaatsen is het nat en ligt er zelfs een dun laagje ijs. Wanneer de mannen horen dat we naar Tupiza willen, kijken ze elkaar aan. Ze zeggen dat we wat verderde weg de heuvels in moeten nemen. Wanneer Marc verder rijdt, hoort hij de mannen zeggen "Tupiza en bicicleta, loco!" (= "Tupiza met de fiets, compleet zot!"). Een klein ongeasfalteerd weggetje gaat vanuit de rivier steil de bergen in, waarna we bijna niets anders meer doen dan klimmen de volgende tiental kilometers. De indrukwekkende berg Cholorque, 5.614 meter hoog, domineert hier het landschap. De weg is soms nogal zanderig en daardoor hard te verwerken. Bovendien hebben we allebei geen kracht in de benen. Buiten kuddes lama's en kuddes ezels is hier weinig leven te bekennen. De weg gaat constant steil omhoog en daarna weer steil omlaag. We moeten echt op onze tanden bijten om boven te komen. Het landschap vertoont soms ruwe uitgesleten kloven en rivieren. We zien weer vizcacha's, maar ze zijn erg schuw en laten zich, net zoals de mensen, niet gemakkelijk fotograferen. Wanneer we juist één van de steile klims achter de rug hebben, horen we een motor aankomen. Vanachter een bocht verschijnt een bepakte motorfiets. Het zijn Daren en Andrea (Dmotorider.com), een Canadees koppel dat met hun motor onderweg is van Canada naar Argentinië. Hij is vol bewondering voor onze prestatie. Hij zegt dat hij dacht dat hij zot was om over deze wegen te daveren, maar nu is hij nog twee grotere zotten tegengekomen. We praten nog wat, waarna we afscheid nemen. We weten dat we Tupiza nog onmogelijk kunnen halen, en hebben nu onze hoop gevestigd op het dorpje Salo, 30 km voor Tupiza, en ook nog 30 km hier vandaan. Stilletjes hopen we op een lange afdaling naar het dorpje, maar we krijgen nog maar eens een steile klim over heel slecht wegdek te verwerken. Wanneer een pick-up stopt om te vragen waar we naartoe gaan en of alles goed is, vragen we of dit de laatste klim was. Het antwoord is negatief en Salo is nog ver, maar er ligt nog een dorpje in de afdaling die nu volgt. We rijden tot aan het dorp en daar zegt men ons dat er nog vier lange klims volgen tot Salo, "met de auto één uur rijden". We kijken naar de klok en besluiten dat de kans groot is dat we er niet geraken voor zonsondergang. Wild kamperen is hier ook geen optie, want veel kampeerplekjes zijn hier niet, het landschap is daarvoor te grillig. Bovendien is alles hier, rotsen en srtuikjes, bedolven onder een laag van wel 10 cm stof. Het dorpje Tolamayu waar we nu staan is een mijndorpje met zink als grondstof. Marc voelt zich nog altijd slapjes en Christine is doodop van de klimmetjes, dus besluiten we er voor vandaag maar de brui aan te geven. We vragen of ze geen plekje binnen hebben waar we op de grond kunnen slapen, om uit de kou te zijn vannacht. Het moet blijkbaar nog eerst besproken worden met de mijningenieur, maar we krijgen groen licht. Een an toont Christine een piepklein kamertje waar het glas uit het raam is, waar modder en vuil op de grond ligt en er nog wat rommel ligt opgestapeld. Christine ziet dat ernaast een grote zaal is met glas in alle ramen en toch iets properder. De man vraagt en krijgt het akkoord dat we daar mogen slapen. De feestzaal is groot, maar het ligt er nog vol vuil van het laatste feest, etensresen, lege flessen, enz., en het stinkt er naar oud bier. We vragen dan maar een borstel om een hoekje op te kuisen waar we onze tent kunnen opzetten. Ondertussen staan de kinderen aan de ramen te gapen en volgen iedere beweging die we maken. Christine gaat op zoek naar water, maar uit het kraantje dat ze haar wijzen, komt er geen druppel. We koken ons dan maar een lekker potje pasta met flessenwater en duiken vroeg onze slaapzak in, na ieder nog een plasje te zijn gaan doen achter het gebouw, nadat de kinderen vertrokken waren.

 

6 oktober 2007 Tolamayu - Tupiza (2950m) 66.0 km (610 meters geklommen)

Om 7 uur is alles ingepakt en staan we klaar om te vertrekken. Marc heeft niet veel geslapen en het rommelt nog altijd in de darmen. De eerste klim is heel steil en valt ons zwaar, maar dat is meestal zo als je dat als eerste ding op je boterham krijgt. In de volgende steile klim moet Marc een noodstop maken, want de darmen hebben het nu voor het zeggen. In de klims die daarop volgen lijkt het beter met hem te gaan. Hij had blijkbaar iets te veel bagage bij, maar gelukkig is hij daar nu van ontlast. Sommige van de klims zijn 8 à 10 procent, en dat kan soms wel zwaar doorwegen. Ook de hoogte speelt een rol, want we zitten hier constant rond de 4.000 meter. Na 27 km en een laatste lange klim zien we Salo in de diepte liggen in een machtige en prachtige vallei. De afdaing ernaar toe is lang en steil en over een slechte weg. We zitten constant in de remmen en soms knijpen we ze volledig toe om een paar foto's te nemen van dit mooie landschap. Je zou je hier gewoon willen neerzetten en uren naar het landschap blijven kijken, adembenemend mooi. In het dorpje Salo eten we een "almuerzo", een middagmenu, waarna we de tocht verder zetten. In het da is het snikheet, we meten 38 graden in de zon. Het is niet meer zo ver naar Tupiza, maar door het onophoudelijke wasbord op de weg lijkt het dat het nog een eeuwigheid gaat duren. Hier in het dal loopt het vol met kuddes geiten. De vallei is volledig omsloten door mooie rode rotsformaties. Neen, het is niet enkel het wasbord dat ons tegenhoudt, maar ook het mooie landschap, 360° natuurpracht, dat is het. Iedere 10 meter die je voortrijdt, zie je weer iets prachtigs. De bergen en rotsen nemen allerlei vormen aan. De vallei is ook meer bewoond en op vele plaatsen zijn families bezig met het land te bewerken. De mannen ploegen de velden om met behulp van ossen en houten ploegen. We zien hier nog een rots die ze "la poronga" noemen, dat is Argentijnse slang voor penis. Het heeft er iets van weg, moeten we toegeven. Uiteindelijk komen we aan in Tupiza. We komen er het Franse fietsgezin tegen. Ze zijn met de trein van Uyuni gekomen en twijfelen of ze de laatste 100 km naar de grens gaan fietsen. Begrijpelijk met kinderen, want het stuk zou redelijk zwaar zijn. 's Avonds in een toeristisch restaurantje komen we een Belgische groep van Joker tegen, en hebben er een fijn gesprek met Inge uit Brugge.

 

7 oktober 2007 Tupiza (2950m)

Tupiza is een klein toeristisch stadje. We houden hier een rustdag. Het is vandaag zondag en dan is het nog rustiger dan anders. 's Morgens gaan we nog vlug naar de markt, want tegen de middag gaat alles dicht tot morgen. Ook hier is er niet de gebruikelijke bedrijvigheid. Vele kraampjes zijn gewoonweg niet open. We gaan op zoek naar een achterband voor Christine, want ook bij haar zwabbert de fiets nu te erg heen en weer vanwege de gescheurde zijwanden van de Coninental TravelContact-band. We vinden na veel zoeken in de eenvoudige kraampjes een band van het Braziliaanse merk Levorin, dat is zowat het beste dat je hier kan vinden en kost 3 euro. We kunnen ook nog een paar echte "rustinnekes" op de kop tikken. Meestal kan je enkel een stuk kunststoflap kopen dat van een rol wordt geknipt. Je moet daar dan achteraf zelf je rustinnekes uitsnijden. We doen ook nog inkopen voor de rit van morgen. Dat is meestal ook een hele zoektocht, vooral goede chocolade en vers brood zijn moeilijk te vinden. Terug in het hotel maakt Marc de fietsen toch een beetje proper, vooral de rollende gedeelten, ook al volgt er nog ongeasfalteerde en dus stoffige weg. Hij plaatst ook op iedere fiets een Braziliaanse achterband (we hadden er al eentje gekocht in Sucre, maar hadden deze tot nu toe enkel als reserve meegenomen). Onze achterbanden, die eerst onze voorbanden waren, plaatst hij nu terug vooraan. Eén oude Continental TravelContact laten we hier, maar eentje nemen we toch nog mee als reserve, want we weten niet wat de Braziliaanse banden gaan geven. Ondertussen typt Christine aan het verslag op onze Palm. Daarna doen we de was. Nadien gaan we wat rondkuieren in Tupiza en eten een lekker ijsje. Terwijl vragen we hier en daar aan lokale mensen informatie over het traject van morgen. Daarna proberen we foto's op DVD te branden om weer plaats te hebben op onze geheugenkaartjes. Er zijn in Tupiza 2 plaatsen waar ze DVDs kunnen branden. Bij beiden zijn we gisteravond nog langs geweest om te checken of ze morgen, zondag, open waren en of ze dan DVDs konden branden. Vandaag blijken ze allebei pas open te gaan om vijf uur 's avonds, terwijl ze hadden gezegd de hele dag open te zijn, en bovendien blijkt de enige persoon die DVDs kan branden niet aanwezig op zondag. We vragen of we dan zelf de DVDs mogen branden, maar dat kan enkel op de hoofdcomputer van het internetcafé en dat willen ze niet. Daar staan we dan. Het is ondertussen al zes uur, want wij stonden natuurlijk niet om vijf uur stipt voor de deur, want we hadden geen idee om hoe laat en of ze nog wel zouden opengaan. We waren blij verrast toen we er de zoveelste keer naartoe liepen, dat ze opeens toch open waren. We laten dan maar CDs branden in een ander internetcafé, maar daar zijn we pas laat mee klaar, nu we pas zo laat zijn kunnen beginnen. We moeten immers eerst alle foto's van alle geheugenkaartjes chronologisch bij elkaar zetten op de harde schijf van de computer. Dat duurt een eeuwigheid met deze langzame computers hier. En dan moeten we ze nog verdelen in groepjes die juist op een CD passen. En pas dan kunnen we ze laten branden, want we mogen dat hier meestal nergens zelf doen. En soms hebben ze geen CDs en moeten we nog zelf ergens CDs gaan kopen. Hier hebben ze er per geluk wel. Het is al na 9 uur als we buitenstappen. We gaan nog "vlug" een pizza eten in een toeristisch restaurantje vol rugzakreizigers waar er een DVD van U2 loeihard op staat, en waar de rugzakreizigers daar doorheen keiluid hun avontuurlijke belevenissen naar elkaar schreeuwen. We vonden dat het, zoals gewoonlijk in toeristische restaurantjes, lang duurde eer we ons eten voorgeschoteld krijgen, maar het duurt hier ook nog 'ns bijna even lang om eerst onze rekening te vragen en nadien ons wisselgeld te krijgen. Veel te laat kruipen we in bed. De dag is weer om en zoals gewoonlijk is er van rusten weinig in huis gekomen.

 

8 oktober 2007 Tupiza - Mojo (3382m) 56.8 km (727 meters geklommen)

Voor we vertrekken maken we nog een praatje met een groep Argentijnse toeristen die op weg zijn in jeeps naar Cusco. Ze geven ons nog enkele tips van mooie plekjes in Argentinië. Ze komen uit Buenos Aires en eentje geeft zijn telefoonnummer voor wanneer we in de buurt zijn. Wanneer we eindelijk vertrekken, twijfelen we nog of we de gewone weg gaan volgen of langs de spoorweg zullen gaan. We hebben gehoord dat de ongeasfalteerde weg nogal slecht zou zijn en veel op en neer gaat. Langs of op de spoorweg zou vlakker en iets beter berijdbaar zijn. Wanneer we aan de spoorweg staan, moeten we kiezen, dus vragen we het nog maar eens aan een paar mannen op de fiets. De eerste 30 km zouden we langs de spoorweg kunnen fietsen, daarna moeten we de gewone weg op, zeggen ze. Dus kiezen we maar voor de spoorweg, en het lijkt op het eerste zicht goed berijdbaar. Soms tussen de sporen (er ligt daar zoveel zand en stof dat de dwarsbiels helemaal bedekt zijn), soms naast de sporen. Je ziet goed dat er hier regelmatig fietsen rijden, en we volgen gewoon het spoor dat zij reeds gevormd hebben. Het enige probleem is dat er soms overbruggingen zijn voor kleinere of grotere beekjes die uitmonden in de rivier die langs de spoorlijn loopt. Soms zijn de brugjes een halve meter lang, soms wel 10 meter of meer. Dan moeten we onze bepakte fietsen over de dwarsbiels sleuren, maar er liggen niet altijd dwarsbiels bij de kleinere brugjes, en bij de grotere liggen ze heel onregelmatig of ontbreken er soms, en gapen er grote gaten tussen 2 biels. Dat maakt de oversteek des te moeilijker, want dan zijn er gaten die groter zijn dan een wiel en moet je de bepakte fiets dragen. Maar op sommige plaatsen kan je even om rijden, naar beneden en naar omhoog door de meestal droge beek. Wanneer Marc juist bezig is een lange overbrugging van een zijrivier over te steken, roept een man vanuit de rivier "Pas op, er gaat een trein aankomen". Marc zegt "Ja, ja, 't is al goed", denkend dat de man aan het grappen is. We hadden immers gehoord dat er maar 1 trein per dag zou zijn, om 6 uur 's morgens. Marc begint plots toch te twijfelen en haast zich toch maar over de brug. Voor hij Christine laat overkomen, luistert hij eens aan de sporen, want het enige wat je kan doen als er een trein aankomt is met fiets en al de rivier inspringen die 3 meter lager stroomt. Hij hoort niets en ook Christine geraakt veilig aan de overkant. Na ongeveer 10 km langs de spoorweg, met ongeveer elke 500 meter een brugje, staat Marc met een platte achterband, de nieuwe band die hij er gisteren had opgelegd. Er steekt een dikke doorn in de band. Dat kan je zelfs met de beste banden voorhebben, die doornen zijn als nagels, een echte ellende, en het staat hier vol met van die doornenstruiken, en hier en daar ligt er een afgewaaid takje vol doornen op de grond. Dat wordt uitkijken geblazen. Het landschap is hier prachtig mooi, met rode, grillige rotsen, en langs de kant van de rivier die de spoorlijn volgt, liggen vruchtbare akkers. Wanneer we in een dorpje aan een bouwvallig treinstationnetje een mevrouw zien zitten, praten we even met haar. Ze zegt dat ze aan het wachten is op de trein van 9 uur, maar dat hij er nog steeds niet is nu het al 10 uur voorbij is. Dus toch een trein! In het volgende dorp zien we een boel bepakte fietsen staan. Het is de Franse familie. Ze zitten met de zoveelste lekke band vandaag vanwege de doornen en zien het niet goed meer zitten om nog verder te rijden. Ze waren gisteren al tot het eerste dorpje gereden en zijn vandaag nog maar tot hier geraakt. Ze denken eraan hier de trein te nemen, maar hebben gehoord dat hij in Atocha in panne of geblokkeerd zou staan. Dat kan een kwestie zijn van een paar uur, maar even goed van een paar dagen. En in dit vergeten dorp komt bijna geen ander vervoer. We stellen voor dat ze met ons meerijden, de verdere 8 km tot aan de weg naar Villazon, en dat we hen onderweg zullen helpen met de overbruggingen. Op de normale weg kunnen ze dan eventueel met een vrachtwagen meerijden. Ze zijn dadelijk akkoord. De moeder en de dochter van 10 rijden met een tandem, de oudste zoon van 7 jaar rijdt op z'n eigen fiets en de kleinste van 3 jaar zit normaal in een kar die achter de bepakte fiets van z'n vader hangt. Doordat de kar 2 evenwijdige wielen heeft, is het zeer moeilijk rijden tussen of langs de rails en daarom zit hij nu op de buis van vaders fiets. Omdat het zo al moeilijk genoeg rijden is met een bepakte fietsmet een kar aan, neemt Marc de kleinste bij hem op de buis. Als een kleurrijke trein met vele wagonnetjes rijden we op een rij tussen de sporen, nu en dan stoppend om al de fietsen met zijn allen al duwend, trekkend en heffend over de overbruggingen te krijgen. Na veel gezwoeg raken we uiteindelijk op de weg naar Villazon, waar we allemaal samen pauzeren en eten, en praten over wat we onderweg al gezien en meegemaakt hebben. De familie besluit niet verder te rijden en een vrachtwagen te doen stoppen voor de laatste 60 km op Boliviaanse bodem. Misschien beter, want met die ongeasfalteerde wegen weet je nooit waar je aan begint. We nemen afscheid, maar zien dan dat Christine haar achterband plat is, dus kunnen we die nog eerst even herstellen. We hadden nochtans vandaag graag minstens tot in Mojo geraakt, maar dat zal nu wel nipt worden. Als we eindelijk op weg zijn, mogen we al dadelijk beginnen te klimmen, maar de weg ligt er nog behoorlijk bij. Ook de volgende tientallen kilometers zijn hoofdzakelijk klimmen. We merken dat Christine haar achterband langzaam afgaat, maar besluiten om hem niet te herstellen, we pompen hem om de 5 kilometer bij. Plots krijgen we nog een zandstorm in de vorm van een enorme windhoos over ons heen. Secondenlang zijn we volledig in zand gehuld en zien we geen steek voor onze ogen. We zitten compleet onder het stof, alles zit vol, oren, neus, ... Je moet dan dadelijk stoppen en je fiets goed vasthouden, want de wind trekt je naar alle kanten. Je weet echt niet wat je overkomt en je hoopt gewoon dat het vlug zal over zijn, want ademen is moeilijk. Tijdens één van de zware steile klimmen loopt er een jongetje naast Christine en stelt haar allerhande vrage. Christine beantwoordt hijgend zijn vragen en zegt hem ook "Wat een zware klim is dit", waarop hij aan haar fiets begint te duwen om wat mee te helpen. Maar na 50 meter is hij zelf ook al buiten adem. Hij loopt dan een eindje te voet mee, en wanneer hij weer kan, begint hij terug te duwen. Aan het laatste huis van de bergop zegt hij "Hier woon ik". Christine bedankt hem voor zijn hulp en er vershijnt een grote glimlach op zijn gezicht voor hij de deur binnenstapt. Juist voor zonsondergang komen we aan in het piepkleine dorpje Mojo en je kan 2 keer raden waar we gaan slapen, in het Centro de Salud natuurlijk. En deze keer is het er groot en kraaknet, allez, voor de normen van hier dan toch. En er is water en elektriciteit, wat een luxe. We kunnen nog wat inkopen doen in een winkeltje en koken een potje pasta, terwijl Marc Christine haar achterband repareert. Daarna kruipen we ieder in een ziekenbedje.

 

9 oktober 2007 Mojo - Villazon (grens Argentinië) (3440m) 34.5 km (256 meters geklommen)

's Morgens ontbijten we vlug en maken ons klaar. We gaan nog eens dag zeggen tegen de verpleegster en aan de mevrouw die even verder woont en ons gisteren binnenliet. Mojo is een klein armzalig dorpje en om het te bereiken of verlaten dien je door een klein stroompje te rijden, eigenlijk lijkt het op en ruikt het als een open riool, wat het waarschijnlijk ook is. Niet plezant, zo 's morgens vroeg, maar we slagen erin onze voeten droog te houden. Net voor we de weg oprijden, komt er een vrachtwagen voorbijgereden en verbergt het dorp in een nevel van stof. 's Morgens is er nooit veel wind en dan blijft dat stof nogal in de lucht hangen. De weg loopt golvend door het landschap, en over de kwaliteit van het wegdek klagen we niet, we hebben slechter gehad en hadden slechter verwacht. Marc moest vanmorgen zijn band nog wat bijpompen en moet het onderweg nog eens doen. Hij besluit om de band er maar eens af te halen en haalt er de zoveelste doorn uit. Wanneer we aan het grensdorp Villazon komen en Christine een foto wil nemen van Marc,roept een man met een kar dat we geen foto's mogen maken en hij begint allerlei obscene gebaren te maken. Marc vraagt hem wat zijn probleem is en zegt hem datChristine geen foto van hem wil maken, maar van de weg, en dat als hij er niet wil opstaan, dat hij dan maar van de weg moet gaan. De man weet niet goed wat zeggen en blijft dan maar aan de kant staan. Even verder is de toegang naar het dorp versperd door vrachtwagens die zich dwars op de weg hebben gezet. Weeral een staking of één of andere actie, zoals heel gebruikelijk is in Bolivia, maar die we tot nu toe nog niet tegenkwamen. In het centrum zijn ook alle kruispunten afgezet door voertuigen, voor auto's is er geen doorkomen aan. Met de fiets is het wel mogelijk, maar soms moeten we toch ook het trottoir op. We beslissen maar dadelijk de grens over te steken en daar te gaan slapen. De Boliviaanse immigratiepolitie stempelt ons vlot en zonder problemen uit en met een beetje spijt in het hart verlaten we het mooie Bolivia en zijn vriendelijke mensen.