Printversie

Dagboek Honduras & El Salvador

 

Twijfels

Honduras heeft geen beste reputatie qua veiligheid, vooral als je het advies van het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken leest. Op internet vind je ook weinig info van andere fietsers die er recent doorgefietst zijn, en we twijfelen erg om erdoor te fietsen. Maar het advies voor Belize was al niet veel beter. Na lokaal geïnformeerd te hebben, besluiten we het er toch maar op te wagen.

 

5 april 2007 Placencia (Belize) + ferry naar Puerto Cortes (Honduras) (5 km gefietst tot centrum van Puerto Cortes)

We kopen vandaag onze kaneelbroodjes bij Mrs Beulah. Wanneer we er aankomen, horen we er luide reggaemuziek. Wanneer we binnengaan, wordt de muziek stiller gezet, één rasta zit aan tafel een joint te rollen, terwijl de andere een doek opheft waaronder de nog warm uit de oven komende broodjes liggen. We kopen nog snel een koffie aan een straatkraampje, want we moeten vlug terug naar de kamer om alles in te pakken voor de boot. We weten niet goed hoe het in zijn werk zal gaan. We hebben gehoord dat ze de fietsen op het dak laden. En we hebben ook gehoord dat iedereen ziek wordt op de boot. We zijn om 10.15 uur aan het dock, zoals ons gezegd was. We blijken de eerste te zijn. Stilletjesaan komen er meer en meer reizigers en lokale mensen op de boot wachten. We hebben ook al gehoord dat de boot soms wel 2 uur te laat is. De boot is maar een half uur te laat, er zitten al reizigers op die van Dangriga komen vanwaar de boot vertrekt. We vragen waar we onze fietsen mogen plaatsen. Er is wat discussie onder de bemanning, maar uiteindelijk besluit de kapitein dat we ze binnen moeten zetten. De bagage mag zelfs op de fietsen blijven. Marc moet ze in een soort kast steken in de voorsteven, waar normaal de reddingsvesten liggen. De reddingsvesten worden dan maar op een hoop gegooid in het midden van de boot waar ook de bagage ligt van de andere passagiers. Het is snikheet in de boot en er hangt een doordringende benzinegeur. De boot is eigenlijk niet meer dan een oversized sloep waar een verhoogde cabine op staat. Achteraan hangen een koppel zware buitenboordmotoren. Na een halfuur vertrekken we richting Big Creek, waar we halt houden voor de douaneformaliteiten. Big Creek is een haven waar een paar grote vrachtschepen liggen, met daartussen enkele plezierjachten waarop vrouwen liggen te zonnen, toch een raar zicht. Onze boot legt aan en nu is het wachten tot de douane de tijd vindt om ons uit te stempelen. Ondertussen moeten we allen op de boot blijven zitten. Na een halfuurtje komen ze naar onze boot en na een chaotisch uurtje met paspoorten kunnen we vertrekken. Of toch niet, er is nog een Hondurees gezin dat van de boot af moet omdat het paspoort van één van de kinderen niet in orde is. Dus eerst nog een kwartiertje zoeken tussen de berg bagage, want de familie heeft geen idee waar ze hun bagage gezet hebben. Er zitten hier verschillende Hondurezen op de boot die in Belize werken, maar nu naar huis gaan om Pasen te vieren met hun familie. Eindelijk vertrekken we. In speedbootvaart vliegen we over het water richting Honduras. Onderweg zien we nog een paar mooie eilanden. Christine doet een dutje en Marc waakt over de bagage. Eén van de Hondurezen roept Marc om te zeggen dat Honduras in zicht is. Van in de verte zien we overvolle stranden. Ja, zegt de man, het is Pasen. De boot meert aan aan een kade in Puerto Cortes. Verschillende mensen staan ons op te wachten, taxichauffeurs, pickups, geldwisselaars en nieuwsgierige mensen. De geldwisselaars springen de boot op en komen door ieder mogelijk gat naar binnen gekropen. Wanneer de chaos in de boot wat geluwd is, draagt Marc de fietsen op de kade, waar de chaos nog volop doorgaat. Christine houdt een oogje in het zeil en vraagt aan een politieman waar de douane is. De douane is in het centrum, dus springen we snel onze fiets op en rijden er naartoe. Ondertussen zijn de andere passagiers daar al aangekomen per taxi, wij zijn bijna de laatste in de rij. We moeten een inkomtaks betalen, maar ze doen nogal moeilijk over de staat van de dollarbriefjes. Volgens ons in goede staat, maar ieder dollarbriefje wordt wel een minuut lang nauwkeurig bekeken en gekeurd (NB: het gaat slechts over 6 ééndollar briefjes). Ze zeggen dat de bank ze niet wil aannemen, zelfs met een klein beetje verkleuring doen ze moeilijk. Amaai, moeilijke banken hebben jullie, zegt Marc. Nee, zeggen ze, de Amerikanen willen het geld niet terugnemen van onze banken terwijl het hun eigen geld is. Uiteindelijk krijgen we onze stempels en kunnen we op zoek naar een hotelletje. We merken al gauw dat al de hotelletjes volgeboekt zijn voor Pasen. Maar uiteindelijk vinden we dan toch nog iets, de kamer is wel redelijk vuil, maar het is nog vrij goedkoop. Zelfs de goedkoopste hotelletjes hebben hier gewapende gardes. Je moet je voorstellen: de receptie zit verscholen achter een dik ijzeren traliewerk waarachter je twee riotguns ziet liggen. Dan heb je in de gang en aan de deur nog twee bewakers, de ene met riotgun, revolver en een vestje met munitie, de andere met een revolver, kogels en handboeien. Het lijkt wel of hier iedere minuut de Bende van Nijvel kan binnenvallen. Dit kan toch al tellen voor een hotel waar de prijs van een kamer 8 euro is. Als we vragen naar de afstandsbediening van de TV, zegt de receptioniste ons dat die gepikt is. Ja, gewoonweg alles wordt hier gepikt, zegt ze. We gaan snel nog eens rondkijken in de stad om iets te eten, maar merken al gauw dat vele winkels gesloten zijn. Ook de winkels die open zijn hebben hun bijbehorende garde met riotgun of variant, maar ja, dat zie je wel meer in Latijns-Amerikaanse landen. We lopen nog wat rond in de stad en tegen dat het donker wordt keren we terug naar onze versterkte burcht. Normaal zullen we morgen doorrijden naar San Pedro Sula, maar voor alle zekerheid vragen we aan de receptie of dat wel veilig is met de fiets. Er wordt immers over Honduras gezegd dat het héél gevaarlijk is, zeker de grotere steden, zoals San Pedro Sula. Een Hondurees bemanningslid van de boot wist ons al te vertellen dat San Pedro Sula een echt gevaarlijke stad was, iets wat vrij raar is om over steden in je eigen land te beweren. Meestal vindt iedereen dat de andere landen onveilig zijn, maar niet het hunne. Nochtans hadden andere mensen (de Amerikaanse fietser Ron Herring, Donny in Belize, ...) voordien onze twijfels al weggenomen. De vrouw van de receptie roept er een oude man bij. "San Pedro Sula" zegt hij, "is heel gevaarlijk en de weg er naartoe ook en de weg nadien ook. Ze rijden met een brommertje naast je en halen een mes boven of een revolver en schieten je daar neer. En de politie, die doet niets, want die krijgt zwijggeld. Soms denken we zelfs dat het opgezet spel is, dat de politie zelf er voor iets tussen zit". En zo gaat hij maar door. Ondertussen komt één van de gardes bij ons staan en zegt "Je kunt je fietsen hier laten staan en reizen zoals de andere toeristen, met de bus. En daarna kom je gewoon de fietsen weer oppikken". Onze twijfels komen terug naar boven en we besluiten nog een dagje langer in Puerto Cortes te blijven om uit te zoeken wat hier allemaal van waar is. Daarbij, morgen is het Goede Vrijdag en is toch alles gesloten wegens feestdag en dan zijn er weinig mensen op straat, en het is bij deze omstandigheden beter om sociale controle te hebben langs de weg. Moe gaan we slapen.

 

6 april 2007 Puerto Cortes

's Morgens zien we door het venster van onze kamer een stoet van zingende mensen die halt houdt voor het klooster aan de overkant. De nonnetjes komen buiten staan, terwijl de politie het verkeer tegenhoudt. We besluiten eens te gaan rondkijken of we geen betere kamer kunnen vinden. Je merkt dat het feestdag is, want daadwerkelijk alles is gesloten, op een paar Amerikaanse fastfoodrestaurants na, dus nemen we daar maar een ontbijt. Wanneer we bij een paar hotelletjes langsgaan, zijn ze ofwel te duur ofwel vol. Bij één van de duurdere is er een vriendelijke dame, die zegt dat alles wel twee- tot driemaal duurder is dit weekend wegens Semana Santa. Ze heeft ook een hotel in San Pedro Sula. We vragen haar of het er gevaarlijk is. Nee, zegt ze, als je er overdag doorrijdt, is er geen probleem, en ook de rest van de weg is goed, zolang je 's avonds of 's nachts niet rijdt. Enkel het gedeelte onder de spoorweg in San Pedro Sula is te vermijden. De vrouw weet waarover ze spreekt en kent de stad ook goed. Nu zijn we weer wat gerustgesteld. Ze laat de prijs van de kamer nog zakken tot de normale prijs, omdat ze graag wil dat we blijven, maar het blijft te duur voor ons. We besluiten dan maar terug te gaan naar ons hotelletje en vragen of er geen andere kamer is vrijgekomen, we hebben immers gezien dat de andere gangen in het grote hotel er beter uitzien dan onze gang. We hebben geluk en verhuizen snel al onze spullen naar een veel betere kamer. Nadien gaan we nog wat rondlopen in het stadje en zien we heel veel mensen naar de mis gaan. Dan nog even naar het internetcafé, waar er natuurlijk ook weer een man met zijn wapen voor de deur staat. 's Avonds kijken we nog wat televisie op de kamer, maar we gaan vroeg slapen, want morgen fietsen we naar San Pedro Sula.

 

7 april 2007 Puerto Cortes - San Pedro Sula 58.4 km

We worden al vroeg wakker door het lawaai van hevige stortregens. We bijven nog wat in ons bed liggen totdat we de regen niet meer horen. Dan gaat Marc buiten kijken en de lucht is kompleet grijs. Er is nog steeds lichte regen en het ziet er niet naar uit dat het snel zal stoppen. We besluiten om 7 uur om toch maar te vertrekken. We zijn nog maar juist Puerto Cortes buiten of het begint al terug fel te regenen. We zijn al dadelijk goed nat en het heeft geen zin meer om onze regenvesten boven te halen. Bovendien zou dat misschien te warm zijn. We vervolgen onze weg op een soort autosnelweg, een tolweg, maar wij moeten niet betalen. In de tegenovergestelde richting is het zeer druk, allemaal mensen die naar het strand gaan, maar ook onze kant is nog meer dan druk genoeg. We moeten constant door grote plassen water rijden en dat maakt het moeilijk om te zien waar je rijdt. De regen valt ineens met bakken uit de lucht, en juist op dat moment heeft Marc een platte band. De timing kan niet slechter. We zitten juist op een stuk waar er geen enkele mogelijkheid is om te schuilen, terwijl de auto's met veel lawaai langs ons razen. En met zo'n bepakte fiets kan je zowiezo nergens naartoe met een platte band, want anders doe je je buitenband naar de vaantjes met al dat gewicht. We proberen de band te plakken, maar ondertussen regent het zo erg dat het precies is alsof er iemand naast je staat en emmers water over je hoofd kapt. Zo lukt het dus niet. Dus besluiten we een nieuwe binnenband te gebruiken, maar natuurlijk zijn we vergeten waar we die gestoken hadden. Maar ja, natter dan nat kunnen we toch niet meer worden. Alleen is nu ook nog onze bagage nat, want we moeten wel 3 van onze waterdichte zakken openen, alvorens we de band uiteindelijk vinden. Marc kijkt nog even de buitenband na alvorens de binnenband te monteren, maar alles lijkt OK. We vertrekken terug, maar nog geen 5 km verder heeft hij weer platte band, per geluk is er nu een winkeltje aan de overkant met een klein afdak. Daar vindt Marc dadelijk wat het is, een stuk glas zit verborgen in het dikke rubber van de buitenband, je voelt het niet, maar als je er met een mes in keutert, komen er stukjes glas uit. Onder het afdak is juist plaats genoeg om de twee binnenbanden te plakken, onder het toeziend oog van de lokale mensen. Eén van de toekijkende kinderen vraagt of onze fietsen koersfietsen zijn. Neen, zeggen we. Dan zegt hij: "Ah, entonces son bicicletas de carga (Dan zijn het vrachtfietsen)". We koelen serieus af, zo stilstaand en druipnat, en we zijn blij dat we terug op weg kunnen. Onderweg zien we nog een wagen die met dit weer de afgrond ingereden is. San Pedro Sula binnenrijden is een makkie, er is weinig verkeer, het lijkt hier wel wat verlaten. We vinden al rap een goedkoop hotelletje. Na een lekker koude douche (er is geen warm water), proberen we al onze kleren in de kamer omhoog te hangen om te drogen. De douche was wel echt nodig, want bij het binnenrijden van de stad hebben we een paar keer door overstroomde riolen moeten rijden. Eigenlijk reden we constant door bruine plassen van 10 à 20 cm diep en het is maar pas op het moment dat je erdoor rijdt dat er een enorme stank naar boven komt. In dit goedkope hotelletje staat met zwarte stift de naam op de handdoeken, de lakens en het douchegordijn geschreven, net zoals in ons hotel in Puerto Cortes. We vermoeden dat het anders allemaal gepikt wordt. Wanneer de regen in de namiddag stopt, gaan we de stad een beetje verkennen. Veel te verkennen valt er niet, want bijna alles is potdicht. Enkel op de zocalo (=stadsplein) is er een beetje leven. De politie is hier goed vertegenwoordigd. Wanneer je in de richting van de spoorweg gaat, zie je dat de straten meer armoediger worden, en verder weg van de spoorweg zie je de rijkere kant van de stad. We gaan dan maar wat internetten in één van de betere hotels, en natuurlijk staat ook hier weer een gewapende bewaker. Wanneer het donker wordt, merk je dat het onveiliger wordt, of die indruk hebben wij althans. De straten zijn ook slecht verlicht. Er zijn zo goed als geen mensen meer op straat, en overal binnen, ook in gewone restaurantjes, zien we zuipende mannen zitten. We gaan na het avondeten dan ook maar vlug naar ons hotelletje, waar er trouwens geen bewaker staat en we beginnen dat al abnormaal te vinden, en kruipen vroeg in bed.

 

8 april 2007 San Pedro Sula - Sula 84.3 km

Wanneer we onze sleutel afgeven, vragen we nog eens hoe de weg verder is, of er winkeltjes zijn en waar er slaapplaats is. Afhankelijk daarvan voorzien we ons met water. Je kan hier water in flessen kopen, maar goedkoper zijn de plastieken zakjes water van een halve liter, die kosten nog geen 10 eurocent. De man aan de receptie zegt dat we ze niet moeten kopen, hij heeft een reservoir staan van 30 liter en dat is gratis. Er zou slaapplaats zijn in Quimistan, ongeveer 70 km van hier, maar ook in Sula, op ongeveer 80 km van hier. De kilometers berekenen we zelf, want zoals in veel van de armere landen hebben de mensen geen besef van kilometers, ze kunnen je enkel vertellen hoelang het duurt met de bus of met de auto. Als je aandringt, zeggen ze meestal zo maar wat, ofwel zeggen ze dat het met de auto een half uur is, dus met de fiets een uur. Zelden vind je iemand die je de exacte afstand kan geven. San Pedro Sula is ook op deze zondagmorgen zo goed als dood, maar zodra we op de tolweg zitten, is er veel druk verkeer, dat per geluk ophoudt zodra we na 10 km de afslag nemen naar La Entrada. Onderweg krijgen we een paar serieuze kuitenbijters te verwerken, maar ze zijn nooit meer dan een kilometer lang. Al de mensen onderweg zijn heel vriendelijk. Af en toe rijden we een fietser voorbij, en dat haalt het competitiebeest in hen boven. De jonge mannen willen altijd laten zien dat ze sneller kunnen fietsen. Alhoewel wij bepakt zijn en al enkele tientallen kilometers in de benen hebben, willen ze toch een paar kilometers tonen wat ze waard zijn. We laten hen begaan, en fietsen gewoon op ons tempo verder, na een paar kilometers laten ze het toch afweten. Onderweg staan er stalletjes met ananas, ze kosten bijna niets, 0,40 euro, en voor 0,20 euro schillen ze hem en doen hem in stukjes in een plastieken zakje. Heerlijk zijn ze. Omdat het de laatste dag van Semana Santa is, is er veel verkeer omdat iedereen terug naar huis rijdt van familiebezoek. We zien dat alle bussen richting San Pedro Sula goed vol zitten, terwijl die in onze richting zo goed als leeg zijn. Het verkeer rijdt hier wel erg snel, en vooral de bussen komen echt voorbijgestoven zonder ons veel plaats te laten. We rijden Quimistan voorbij en besluiten maar door te fietsen naar Sula. Sula is een heel klein dorpje zonder centrum, het centrum is eigenlijk de drukke weg die er door loopt. Er zijn 2 hotelletjes, we nemen het goedkoopste van 8 euro, het is een soort motel en hiervoor heb je een kamer met badkamer en een televisie. Hoe goedkoop de kamers ook zijn, er is bijna altijd een televisie op de kamer, maar die staat wel altijd stevig achter slot en grendel. We gaan nog eens kijken naar het andere hotel, want daar is een moderne eetzaal met een soort buffet. Je kan kiezen wat je wilt en dan kost een maaltijd je ongeveer 1,25 euro. Terwijl we zitten te eten, komt de ene na de andere Amerikaan in doktersoutfit aanschuiven aan het buffet. Blijkbaar zitten ze hier allemaal op hotel en werken in het lokale hospitaal. We gaan ook nog even internetten in het moderne hotel en ook daar zit het vol Amerikanen. Daarna kruipen we vroeg in bed.

 

9 april 2007 Sula - La Entrada - Florida 45.7 km

Voor we vertrekken gaan we eerst nog eens lekker ontbijten aan het buffet. Dit is eens een lekkere afwisseling na het bananenontbijt van de laatste dagen. Voldaan kunnen we vertrekken. Eerst gaat het nog een beetje naar beneden, maar daarna volgt al snel een pittige klim. Halverwege de klim zien we een auto staan en een beetje verder ligt een wagen op z'n dak. Er staan twee man naar de gehavende wagen te kijken. We stoppen om eens te kijken, één van de mannen zegt "Ja, dit is gisteren gebeurd, hij daar" en wijst naar de ander die probeert op z'n rug in het wrak te kruipen. Marc zegt tegen de man "Is dit jouw auto?". De man staat recht en zegt fier "Ja, dit is mijn auto". Enthousiast toont hij hoe hij uit de bocht gevlogen is. De wagen lijkt onderaan wel een mozaiek van laswerk. We wensen de beide mannen nog een goede dag en vervolgen onze weg. Na ongeveer 32 km komen we in La Entrada, een stoffig stadje waar er een drukte van jewelste heerst. Het wemelt hier van de cowboyhoeden. In dit stadje is er een aftakking van de weg die naar de ruines van Copan leidt. Normaal gezien is dit niet onze richting, wij moeten normaal de weg gewoon vervolgen. Maar we hebben besloten de ruines toch maar eens gaan te bekijken, een zijuitstapje van hieruit van een 60 km. Mensen onderweg hebben ons gewaarschuwd dat de weg serieus naar boven en naar beneden gaat. We hebben gehoord dat er in het dorp Florida, 10 km na de afslag naar de ruines, ook slaapplaats is, dus rijden we La Entrada voorbij. Dat bespaart ons morgen misschien wat klimwerk. Na 10 km rijden we het dorp binnen, maar de weg is er bar slecht. In de plaats van kasseien, is de straat geplaveid met keien van alle soorten maten en vormen, De keien steken uit de weg met al hun verschillende vormen, wat het rijden in deze straten een helse bedoening maakt. Een man probeert ons een hotelletje aan te smeren in het dorp. Veel keuze hebben we niet, we zien slechts één hotelletje, maar er blijkt slechts vanaf 4 uur 's namiddags water te zijn, en het is nu nog geen 1 uur. In de badkamer staat een emmer water klaar om het toilet door te spoelen. Onderweg zagen we echter reclame van een ander hotelletje, we vragen de weg ernaartoe en het blijkt gewoon op de grote weg te liggen. Het is dezelfde prijs (6 euro), maar met water en TV. Zo kunnen we tenminste dadelijk douchen, want we zijn stoffig en bezweet. Daarna eten we een dagschotel in de "comedor" (= eethuisje) dat bij het hotelletje hoort. Daarna kijken we op de kamer wat TV. We krijgen een balans van Semana Santa te zien. We zien beelden van echt overvolle stranden, maar ook gruwelijke beelden van verkeersongelukken met de dode bebloede lijken nog in de autowrakken. Geen sprake van privacy: de nummerplaten, de gezichten, ..., alles wordt getoond. Als we rond half zeven nog 'ns gaan eten in de comedor, sluiten ze de deur achter ons. Ja, het is inmiddels donker, en dan gaat alles op slot en is er nog weinig volk op straat, zelfs niet in kleine dorpen zoals Florida. De restaurants gaan dan ook meestal al dicht om 6 of 7 uur 's avonds. Bij een restaurant in zo'n dorpje moet je je niet te veel voorstellen. Het decor ziet er veelal niet echt hygienisch uit, maar meestal is het eten wel lekker, ook al moet je eten wat de pot schaft. Veel keuze is er meestal niet, temeer omdat ze hier in Honduras, net zoals in Belize (en trouwens in alle armere landen ter wereld) driemaal per dag hetzelfde eten. Na het eten gaan we maar vlug naar bed, want morgen wacht ons veel klimwerk.

 

10 april 2007 Florida - Copan Ruinas 53.3 km

De wekker loopt af om 5 uur. We ontbijten op de kamer met bananen en proberen de koeken die we gisteren in het winkeltje van de comedor kochten, maar ze zijn oud en keihard. Gelukkig hebben we nog wat mueslikoekjes in onze voorraad steken. De weg gaat de eerste kilometer naar beneden, maar dan krijgen we als onbijt een klim van 11 km voorgeschoteld, daarna gaat het even naar beneden om daarna nog eens 3 km te klimmen. Je hebt hier fantastische uitzichten. Christine haar snelheidsmetertje laat het nu al een paar dagen af en toe afweten, daarom weten ook de hoogte die we geklommen hebben niet, waarschijnlijk het batterijtje dat bijna leeg is. De rest van de weg gaat vlot en meestal naar beneden. Wanneer we in Copan Ruinas zijn aangekomen, zetten we ons even aan de kant om bij te tanken. We kopen wat fruitsap en ze verkopen hier ook klaargesneden mango's in de straatstalletjes, overheerlijk. Terwijl we die op de rand van de stoep zitten op te eten, komt er een oude man met cowboyhoed naar ons toe. "Ik heb jullie vanmorgen voorbij mijn huis zien rijden, net buiten Florida" zegt hij. Hij wijst naar onze benen en zegt "sterk benen". Terwijl Marc op de fietsen past, loopt Christine wat rond om wat hotelletjes te bekijken. Het valt hier heel goed mee van prijs. Toch besluiten we de steile straten omhoog te fietsen om naar het Via Via Cafe te gaan, een hotelletje annex restaurant en cafe dat wordt opengehouden door vier Belgen, maar de prijzen van de kamers blijken het dubbele te zijn dan wat we tot nu toe te horen kregen. Terwijl we daar staan, worden we aangesproken door Florian. Hij vertelt ons dat hij met zijn vrouw Rebecca en zoontje Chan al sinds augustus op weg is met de fiets. Ze zijn in Canada vertrokken omdat ze daar woonden, maar eigenlijk zijn ze Zwitsers. Ze zijn ook op weg naar Panama, en misschien ook nog Zuid-Amerika als hun budget het toelaat. We spreken af om 's avonds allemaal samen te gaan eten. Marc en ik gaan vlug inchecken in onze kamer van 5,25 EUR, zodat we heerlijk kunnen douchen. Bij het avondeten vertellen Florian en Rebecca dat ze eigenlijk al in 2001 aan deze reis begonnen waren. Ze hebben toen een deel van Europa doorgefietst en zijn dan per vrachtschip overgevaren naar Savannah, Georgia, en zijn dan vandaar naar Canada gefietst, waar Rebecca, die de Zwitsers-Canadese nationaliteit heeft, kenissen had, om er een beetje te werken. Maar ondertussen bleek Rebecca zwanger. En zijn ze een beetje langer dan verwacht in Canada blijven wonen. En nu dat hun zoontje Chan drie jaar is, zetten ze hun geplande fietsreis verder, met Chan in een karretje achter Florian's fiets. Zo doorkruisten ze reeds de Verenigde Staten, Mexico, Belize, Guatemala en dus nu Honduras. Nadat we afscheid genomen hebben van hen, want zij zullen hier een week blijven om Spaanse les te volgen, gaan we naar ons hotelletje door de verlaten straten, want het is al 10 uur voorbij, en kruipen moe in bed.

 

11 + 12 april 2007 Copan Ruinas

We blijven twee dagen in Copan en doen allerhande praktische zaken, zoals het verslag typen, de website updaten, de was doen, een batterijtje zoeken voor de snelheidsmeter van Christine, een kleermaker zoeken om het zakje om documenten onder je kleren te dragen te laten herstellen, enz. Net als we een paar uur in het internetcafe gespendeerd hebben om het fotoalbum samen te stellen en te uploaden naar de site, valt de elektriciteit uit in het stadje. Oef, wat een geluk dat dat niet gebeurde toen we nog bezig waren. We lopen ook wat in het kleine, gezellige stadje rond, waar de boeren van uit de omgeving hun waren komen verkopen. We zijn wel verwonderd dat er hier zo weinig toeristen rondlopen. Uiteraard bezoeken we ook de bekende Maya-ruines van Copan. Het is een enorm groot complex uit de 6de à 8ste eeuw na C., waarvan echter het grootste deel nog moet opgegraven worden. Deze ruines zijn dan ook bijlange niet zo indrukwekkend als Tikal in Guatemala of Palenque in Mexico, maar liggen wel in een mooi landschap en worden niet overrompeld door toeristen, zodat het wel fijn is om er bijna alleen rond te wandelen. Toen wij er waren, werd de site bewaakt door Beliziaanse militairen, horen we een gids zeggen. Blijkbaar heeft een bende ooit de site bestormd en alle waardevolle zaken van de bezoekers afgenomen. Sindsdien wordt de site goed bewaakt, maar we weten wel niet waarom dit door Belizianen gebeurt. Blijkbaar zijn ze het zelf ook helemaal niet gewoon, want ze nemen al evenveel foto's als de bezoekende toeristen. Al bij al is Copan wel de moeite waard als je toch in Honduras of Guatemala bent en interesse hebt voor de Maya-cultuur, maar we vinden de toegangsprijs van 17 EUR voor de site en het museum wel erg veel. Wanneer we even in het park in de schaduw pauzeren, komt er een koppel naast ons zitten. De man heeft een T-shirt aan van El Salvador. Marc vraagt hem of hij iets kent van dat land of dat hij er enkel een T-shirt van draagt. De man zegt dat hij een zeilboot heeft liggen in El Salvador, maar dat hij ook de bezienswaardigheden in het binnenland wil bekijken (Copan ligt niet zo ver over de grens). Hij heeft veel interesse in onze reis per fiets. Hijzelf is ook met de boot helemaal uit de USA naar El Salvador gezeild. Hij wil daarna nog tot Ecuador zeilen, om daarna door het Panama-kanaal door te steken naar de Atlantische Oceaan. Nadien wil hij de oceaan oversteken naar Europa. We vertellen hem dat we ook altijd gedroomd hebben over zeilen rond de wereld, maar dat we er nooit toegekomen zijn om het te leren. "Ik zoek misschien wel crew voor binnen een jaar" zegt hij, "en de basistechnieken zijn snel aangeleerd, je hebt niet echt ervaring nodig". We praten nog wat verder over reizen met de fiets, waarna hij afscheid van ons neemt. We denken nog "Spijtig, dit was misschien een mooie manier om van Panama naar Zuid-Amerika te geraken". Maar opeens staat de man daar terug. "Hier is mijn kaartje.", zegt hij, "Stuur me een e-mail met jullie e-mailadres, je weet nooit voor de crew". Op het kaartje staan zijn gegevens. Hij is afkomstig uit Las Vegas. We nemen nogmaals afscheid, waarna wij naar het museum trekken.

 

13 april 2007 bus terug van Copan Ruinas naar La Entrada

Vandaag gaan we snel nog enkele zaken afwerken, die we gisteren eigenlijk nog hadden willen doen. Het gaat vlugger dan we dachten en om 10 uur zijn we al klaar. Dus besluiten we om vandaag terug te keren met de bus naar La Entrada i.p.v hier nog een dag te bijven en dezelfde weg terug te fietsen. We hebben die weg trouwens al in de moeilijkste richting, namelijk met het meeste bergop, gefietst. Ondertussen zien we in de verte al donkere wolken opduiken, ze geven onweer voor vandaag. Om 14u vertrekt de bus, nog geen 15 km verder is er al een oponthoud. Een vrachtwagen vol met bananen is de berm ingereden en gekanteld. Ze takelen de vrachtwagen eruit en de lokale bevolking probeert zoveel mogelijk bananen te recupereren. Anderen proberen de batterij van de vrachtwagen uit de afgrond te halen. Na een tijdje wachten kunnen we verder. In La Entrada zoeken we snel een slaapplaats. De stroom is uitgevallen in het stadje, iets wat hier wel meer gebeurt en waar niemand nog van opkijkt. Het goedkope hotelletje hier is maar vies en vuil, maar ja, het is maar voor één nacht en veel keuze hebben we niet. ‘s Avonds raken deze hotels snel vol met mensen die op de baan zijn, want ‘s nachts rijden ze niet. Terwijl we onze inkopen doen om onze rit van morgen voor te bereiden, gaat het licht weer aan in het stadje. Het is hier allesbehalve gezellig en de mensen sluiten zich hier nog vroeger op dan we tot nu toe gewend zijn. Om 5 uur zijn alle winkels al dicht en de restaurants volgen om 6 uur. En dan zijn de straten zo goed als verlaten. Voor het slapengaan schuiven we het tafeltje met de tv voor de deur, want het slot op de deur is ook niet meer veel zaaks. Ze hebben het slot al proberen te versterken met kromme nagels die je voor de deur kan draaien. Het slot is blijkbaar ook al een paar keer opengebroken en er is nu al een redelijk grote opening, die we volproppen met wc-papier voor wat privacy. Wanneer we water willen nemen, blijkt er niets uit de kraan te komen. Uitleg van de receptie: "ieder kwartier is er water afhankelijk van het aantal klanten dat er zijn". Het werkt hier met een soort tank of zo die iedere keer moet gevuld worden met een pomp. Ik denk dat we beter een beetje meer moeite hadden gedaan om iets beters te zoeken maar op het moment dat we aankwamen begon het juist te regenen en te onweren. We waren al blij dat we binnen waren. 's Nachts horen we ineens gepruts aan het slot. Marc roept eens luid waarna het dadelijk stopt. We horen een man in het Spaans zeggen "Hier zit al iemand in de kamer". Daarna blijft het stil, waarschijnlijk een vergissing, toch slapen we slechts met één oog dicht verder.

 

14 april 2007 La Entrada - Santa Rosa de Copan (ligt op 1.160 m) 44.8 km (1.047 meters geklommen)

's Morgens worden we moe wakker met het geluid in de achtergrond van het reservoir van het toilet zonder bril dat volloopt met water. Er is eindelijk water. Dit is zeker en vast het slechtste hotelletje dat we tot nu toe tegengekomen zijn. Nog wat moe van het nachtelijke waken, starten we de etappe. We moeten al dadelijk beginnen klimmen. We hebben genoeg water bij en dat is wel nodig bij deze hitte. De 2 bidons gevuld + een fles van een liter + 2 zakjes van een halve liter. Ze verkopen die zakjes hier bijna overal en ze zijn spotgoedkoop, 3 lempiras = 0,08 euro. Na het klimmen volgt er een heel lange afdaling. Wanneer we in volle vaart naar beneden suizen, verliest Marc de 2 waterzakjes die achter op de fiets gebonden waren. Ze spatten open tegen het asfalt. Daar gaat onze reserve. En je kunt je niet inbeelden hoeveel water betekent in zo'n klim en hoeveel water je verbruikt. We hebben de pech dat de weinige winkeltjes die we tegenkomen dan ook nog geen drank hebben. Blijkbaar is de leverancier de laatste dagen niet langsgeweest. Eén van de winkeltjes zegt dat er nu een serieuze klim volgt, het enige dat ze verkopen zijn smalle plastieken zakjes in alle kleuren die gevuld zijn met een zoete vloeistof met een chemisch smaakje. Dus kopen we er zo een aantal om onze voorraad vloeistof aan te vullen. Even later moeten we inderdaad terug beginnen klimmen en deze klim is nog veel langer dan de vorige, en op sommige plaatsen redelijk steil. Het blijft maar omhoog gaan en het is ondertussen al ontzettend heet, meer dan 40 graden. Als we boven zijn, bij de afslag naar Gracias, waar we morgen naartoe gaan, moeten we eerst terug afdalen om dan een laatste keer 3 km omhoog te klimmen naar het centrum van Santa Rosa de Copan. We vinden vlug een goed hotelletje, nemen een douche en gaan de stad verkennen. Het stadje geeft ons een andere indruk dan de andere stadjes die we tot nu toe zijn tegengekomen in Honduras. Het is hier rijker, je ziet meer grote, nieuwe 4x4's rijden en op de hoeken van de straten staan er toeristische bordjes om te zeggen wat er in de straat te zien is, bv. kerk, restaurant, hotel, ..., enz. Op het mooi verzorgde stadspleintje staat in het midden een kiosk waarin zich de toeristinformatie bevindt. We vragen wat info aan het meisje achter de toog over de weg die volgt naar Gracias. Waar kan je immers beter zijn dan bij de toeristinfo? Het meisje kijkt op een kaart en zegt "Nog 108 km naar Gracias". Wij zeggen dat dit onmogelijk is. "Nee, nee, de kaart is juist" zegt ze. We kijken zelf op de kaart en zien dat ze zich vergist heeft in de afstandstabel. Het is slechts 43 km. We zijn toch nog altijd verbaasd dat de mensen hier totaal geen benul hebben van kilometers. s' Avonds kijken we nog wat naar de televisie. De beelden die je hier op het nieuws te zien kijgt zijn echt wel gruwelijk soms. Een paar dagen geleden zagen we op het nieuws een verkeersongeluk, de lijken lagen verspreid over de weg en onder één van de wrakken staken zelfs nog twee benen uit. Alles wordt tot in de kleinste details gefilmd. Ze lieten ook de lijken zien van een schietpartij in San Pedro Sula, vier mannen lagen op de grond met bebloede hoofden en de vliegen zwermden errond, daarna werden de lijken gewoon op een gele plastiek gelegd en over de weg naar een wagen gesleept, met de benen er nog uit bungelend. Daarna laten ze dan de wenende vaders en moeders van de slachtoffers aan het woord. Maar wat we vandaag zagen, slaat toch alles. Ze interviewen iemand van de politie over een hoofd van een vermoorde vrouw dat ze gevonden hebben. Tijdens het interview gaat de politieman met zijn hand in een gele zak en trekt er het hoofd uit bij de haren. Terwijl ze een close-up nemen van het nog bebloede hoofd, gaat het interview gewoon door, echt ondenkbaar bij ons.

 

15 april 2007 Santa Rosa de Copan - Gracias (ligt op 765 m) 50.6 km (743 meters geklommen)

Vanmorgen is het bewolkt en regenachtig, maar het blijft warm. Na een korte klim naar de afslag naar Gracias waar we gisteren voorbij gereden zijn, volgt een lange afdaling naar een dal. Wanneer we tegen hoge snelheid naar beneden zoeven, wordt Christine in haar been gestoken door een wesp. Het doet erge pijn, maar we moeten verder. Het landschap is hier erg mooi, we zitten volop in de bergen. Van hieraf gaat de weg steeds op en neer. Wanneer we stoppen in Cucuyagua, aan een mooie rivier aan een brug, praten we met de man van het winkeltje waar we iets drinken. Hij vertelt ons dat hij 14 jaar in California gewerkt heeft, en nu sinds anderhalf jaar weer terug in Honduras woont. Hij zegt dat het hier beter is. "Hier is het vrij", zegt hij. Daarna volgt nog een lange klim tot Gracias. Het is een zeer stoffig dorpje, met moeilijk berijdbare straten. Het is juist zondagsmarkt, waardoor de straten overvol zijn met allemaal mensen uit de nabijgelegen dorpjes. Wij proberen er tussendoor te manoevreren om een slaapplaats te vinden. Na een kamer gevonden te hebben, gaan we vlug iets eten in een comedor. Veel mannen zitten een pintje te drinken en praten tegen elkaar over de boerenstiel en de gewassen op hun akkers. Wanneer we daarna nog wat gaan rondwandelen op de markt, merken we dat het bij sommige mannen niet bij één pintje is gebleven. Ze liggen gewoon uitgeteld langs de kant van de straat. Wanneer we een foto willen nemen van een man die zijn roes ligt uit te slapen, roepen al grappend andere mannen dat ze er zullen gaan bijliggen. "Dat is beter voor de foto", zeggen ze. 's Avonds, wanneer we onze inkopen aan het doen zijn voor de volgende dag, lopen we langs het kerkje waar er juist een kerkdienst gaat starten. Boven in de toren staat een man naast de klok. Hij luidt de klok door er tegen te duwen. Volgens ons moet die man potdoof zijn van dat werk. Voor het kerkje staan 2 westerlingen, beiden met twee grote fototoestellen rond hun nek. We gaan een praatje met hen slaan. Het zijn Dan en Phil, twee jonge Amerikaanse journalisten. Ze logeren hier momenteel bij een Hondurese vriend, maar ze zijn eigenlijk naar Honduras gekomen om een reportage te maken over het probleem hier met de jongerenbendes (vooral de Maras). De Maras deinzen nergens voor terug en worden door iedereen gevreesd. Ze zijn vooral actief in El Salvador, Guatemala en Honduras, maar spreiden zich verder uit over Centraal-Amerika. In heel Centraal-Amerika zouden er nu al meer dan 30.000 bendeleden zijn. Ze zijn eigenlijk een importprodukt uit de Verenigde Staten, vroeger kenden ze dit probleem hier niet. Meestal zijn het mensen van hier die naar Amerika zijn gegaan om daar proberen geld te gaan verdienen voor hun familie hier. Maar ze zijn in de Verenigde Staten op het slechte pad geraakt en in het criminele milieu beland. Sommige van die bendeleden zijn in de Verenigde Staten opgepakt door de politie en gedeporteerd naar het land van herkomst. Eens terug thuis hebben ze gewoon hun criminele activiteiten voortgezet en meer bendeleden geronseld. En nu zit Centraal-Amerika met een heel groot bendeprobleem. Hierover willen Dan en Phil een reportage maken, zodat ook de Amerikaanse bevolking weet wat hier gaande is en dat er iets moet aan gedaan worden. Ze gaan proberen in contact te komen met de bekende Maras van Tegucigalpa, de hoofdstad van Honduras. Wij wensen hen er veel succes mee en gaan vroeg slapen in ons hotelletje.

 

16 april 2007 Gracias - San Juan del Caite (ligt op 1.152 m) 37.6 km (928 meters geklommen)

Vandaag zijn de eerste 20 km nog geasfalteerd, nadien volgt een aardeweg die nog best te berijden valt. Alhoewel, op sommige plaatsen zijn ze volop bezig met wegenwerken. De omgeving is echter heel mooi, volop in de bergen, maar dat betekent ook heel veel klimmen en dat is bij deze warmte van rond de 40 graden geen lachertje. Op veel plaatsen hebben de wegenwerkers alles natgespoten, en dan is het moeilijk klimmen in de kleiachtige grond. Want ook al plakt er niets aan onze banden, toch voelt het alsof je door lijm naar boven aan het rijden bent. Wanneer we bijna boven zijn bij de laatste helling en aan de zoveelste wegenwerkersploeg komen, wordt het even gevaarlijk. Een bulldozer is de gang aan de top van de berg aan het verbreden. Hiervoor is de bulldozer 10 meter boven ons hoofd de berg verder aan het afschrapen, om dan uiteindelijk op hetzelfde niveau als ons te komen binnen x aantal dagen. De bulldozer blijft doorwerken, terwijl wij door de reeds gegraven gang fietsen. Af en toe komt er dan een massa zand en stenen naar beneden gevallen. De man in de bulldozer heeft blijkbaar ook niet rap schrik, hij komt regelmatig half met de rupsband van de bulldozer over de afgrond. Een kleine verzakking en heel het gevaarte zou naar beneden kunnen komen. Maar met een beetje timing geraken we er bestoft, maar zonder al te veel gevaar, voorbij. Vele grote vrachtwagens komen dan het puin ophalen om het dan ergens anders op de weg te gaan deponeren. Tussen al dat gewoel ligt een man in zijn kruiwagen te slapen, raar zicht. Daarna wacht er ons nog een lange afdaling over een rotslechte weg. Dikke stenen steken overal en langs alle kanten uit de verharde grond. Het enige dat je kan doen terwijl je de berg komt afgehotst, is vlak voor je kijken om de ergste stenen of putten te ontwijken en af en toe snel opkijken of er nog geen verbetering in zicht is. Het is zo erg dat de fiets alle kanten op danst. En het is geen sinecure om een dansende fiets beladen met bagage in bedwang te houden. Volgens onze kaart en boek is het nog 15 km, wanneer we even stoppen aan een tankstation nabij een dorp om iets te drinken. We vragen aan de pompbediende hoever het nog is naar San Juan del Caite. "San Juan de Buena Vista, dat is hier" antwoordt hij. "Nee, hoeveel km naar San Juan del Caite?" vragen we hem opnieuw, want volgens onze gegevens zou het nog zo'n 15 km zijn.  "San Juan de Buena Vista is hier" herhaalt hij. En zo gaat het nog wat voort tot hij zegt: "Ja, normaal gezien heet het dorp  San Juan del Caite, maar iedereen hier zegt San Juan de Buena Vista. Ze houden hier niet zo van die eerste naam", zegt hij. Die betekent in het Nederlands: "San Juan van de Sandaal". Volgens zijn uitleg staat er 15 km minder op onze teller door de wegenwerken, de nieuwe weg zou zoveel korter zijn. Misschien te warm gewassen, allez, we trekken het ons niet aan, we zijn er. Wat een geluk dat we aan de pompbediende vroegen hoe ver het nog was, anders hadden we er gewoon voorbijgereden. San Juan is een piepklein dorpje en heeft 3 hotelletjes en 2 comedors. Allez ja, bij de ene eet je gewoon bij de mensen in hun woonkamer, maar het is wel superlekker, de beste comedor die we tot nu toe tegenkwamen. De kamers van het hotelletje dat we uitkiezen zijn ook al piekfijn in orde, alles is nieuw, kraakproper en werkt perfect, en dat voor 6 euro. Ook al het beste tot nu toe. Het is leuk vertoeven in het dorpje, alle mensen zijn supervriendelijk en het gaat er gemoedelijk aan toe. Er is hier zelfs een toeristinfo, allez ja, het is een klein winkeltje dat schrijfgerief en zo verkoopt en de vriendelijke mevrouw die het open houdt, geeft de gewenste uitleg. Ze vertelt ons dat het dorpje toeristen wil aantrekken. De mensen hier verdienen normaal zo'n 3 euro per dag met op het veld te werken, maar als gids kunnen ze 6 euro per dag verdienen. Ze schetst ons op een papiertje de route die we morgen moeten nemen. De eerste 12 km is asfalt en daarna hebben we eigenlijk de keuze uit 2 routes, de oude en de nieuwe. De oude zou smal en steil zijn, pal door de bergen, op onverharde weg. De nieuwe zou minder steil zijn, maar ook onverhard en met veel wegenwerken en heel veel stof. Ze zegt dat bijna alle verkeer de nieuwe weg neemt, enkel de lokale bussen rijden nog langs de oude, omdat de dorpjes aan de oude liggen. We zullen er nog een nachtje over slapen en zien morgen wel welke route we nemen.

 

17 april 2007 San Juan del Caite - La Esperanza (ligt op 1.400 m) 47.5 km (1.265 meters geklommen) + 3.3 km ter plaatse

's Morgens vertrekken we vroeg. Voor het buitenrijden laat Marc zijn achterband op spanning zetten bij de lokale bandencentrale. De eerste 11 km  verlopen vlot, want deze zijn geasfalteerd. Als we aan de splitsing komen van de 2 routes, vragen we welke route de beste is aan een paar mensen die er zitten te wachten op de bus. We worden er niet veel wijzer van. Dan laten we maar een pick-up stoppen die komt voorbijgereden. We vragen aan de chauffeur wat hij denkt dat de beste route is met de fiets. Hij is voorstander voor de nieuwe route en die zou zelfs iets korter zijn en volgens hem in betere staat. Maar dat is natuurlijk de mening van een chauffeur van een wagen. Een goede weg met de wagen is daarom geen goede weg met de fiets en vice versa. We hakken de knoop door en besluiten dan toch maar de nieuwe route te nemen. In het begin is het nog een platte mooie aardeweg. Tot we de eerste wegenwerken tegenkomen, van hieraf verslechtert het duidelijk. De brede baan is soms nog maar een smalle strook. De stukken waar ze aan het werken zijn worden natgespoten tegen het stof, maar dit maakt het er niet gemakkelijker op voor ons. Door zo'n laagje klei naar boven fietsen is niet evident. Het is ondertussen stikwarm en op een pulperia (= winkeltje) om iets koud te drinken, moeten we hier niet rekenen. De nieuwe weg is helemaal verlaten en loopt niet langs kleine dorpjes. Na een lange klim zijn we bijna door ons water heen en dat maakt fietsen moraal veel zwaarder, zeker als je niet weet wat je nog te wachten staat. Het mooie landschap maakt veel goed. Alhoewel we denken dat we het ergste achter de rug hebben, laten we een pick-up stoppen en vragen of hij geen water bij heeft. Hij heeft nog een halfvolle fles water in de auto liggen, die hij ons geeft en we krijgen er nog een stuk of 6 mango's bovenop. De weg verbetert echter niet, integendeel, hij verslechtert. En het zijn vooral de korte, steile klimmetjes die het hem doen. Soms zo steil dat wanneer je stilvalt, je gewoon terug naar beneden schuift door al het stof en zand (vraag het maar aan Christine). Zelfs de wagens geraken soms met moeite boven. In het dorpje Yaramanguila, na 34 km, vinden we het eerste koele drinken. Na een kleine pauze hervatten we de weg. De weg blijft slecht, maar het laatste klimmetje verteren we gemakkelijk. Daarna volgt een lange afdaling op een rotslechte weg. Je kan hier enkel op het randje van de weg fietsen, anders wordt je kompleet door elkaar geschud. Maar dat schuinaflopende randje van 5 cm breed licht vol met fijne kiezel. Marc kan nog net van zijn fiets springen, wanneer zijn fiets plots de berm inschuift. Gelukkig geen schade. Wanneer we in La Esperanza toekomen, blijken de hotelletjes goed vol. Maar uiteindelijk, na bijna 2 uur zoeken, vinden we iets dat ons aanstaat, een kamer in een "posada", een familiepensionnetje.

 

18 + 19 april 2007 La Esperanza

We besluiten hier even te blijven want Christine heeft wat pijn in de knie vanwege de korte steile klimmetjes met een bepakte fiets. Niets ergs, maar beter toch wat rust om erger te voorkomen, want we zijn nog niet uit de bergen. En de slechtste wegen moeten naar het schijnt nog komen. De familie van de posada waar we verblijven is echt heel vriendelijk. Als we iets nodig hebben, moeten we het maar zeggen. En de was laten doen kost bijna niets, 1 lempira (nog geen 0,05 euro) per kledingstuk. Het rare is dat zowel één enkele sok als een lange broek als één kledingstuk worden geteld. We verkennen het stadje en praten hier en daar wat met de mensen. We bezoeken ook de openbare badplaats net buiten het stadje. Op een middag zien we in het centrum 3 bepakte moto's staan. Een beetje verder zien we 3 westerlingen. Het blijken christelijke Amerikaanse  motorreizigers van Missionary Ventures te zijn. Ze komen helemaal uit de States gereden en zijn op weg naar Nicaragua, waar 2 van hen wonen en werken voor een christelijk project. Ze geven hun gegevens en zeggen dat we bij hen in Managua mogen langskomen. In een hotel waar we 's morgens gaan ontbijten zit ook al een groep christelijke Amerikanen op missie. Ze zijn tijdens het ontbijt aan het bespreken hoe ze het vertrouwen in god zullen winnen van de kinderen die ze straks in het dorp gaan bezoeken. Als je hier westerlingen tegenkomt, dan blijken het bijna altijd Amerikanen op missie te zijn om het christelijk geloof te verspreiden. De laatste avond nemen we afscheid van de eigenares van de posada. We zeggen dat we rond 6 uur morgenvroeg zullen vertrekken. Ze roept er een jongen bij die de nachtbewaking doet, en zegt hem "Zie dat die mensen verse koffie hebben voor ze vertrekken morgenvroeg".

 

20 april 2007 La Esperanza - Marcala (ligt op 1.226 m) 36.5 km (474 meters geklommen)

De weg die we vandaag nemen stelt weinig voor qua wegdek en Christine heeft juist een offday. Ze heeft last van lage bloeddruk en moet verschillende keren langs de weg op de grond gaan liggen bij de eerste klim. Ze heeft geen kracht om de bepakte fiets onder controle te houden op zo'n slecht wegdek. We denken er even over om terug te keren, maar we hebben nu alle moeite gedaan om bevoorrading in te kopen, extra vroeg op te staan en alles in te pakken. Bovendien hebben we ook al een stuk geklommen. En dan zouden we morgenvroeg opnieuw moeten beginnen. We besluiten verder te gaan en het heel rustig aan te doen, het zijn vandaag toch niet veel kilometers. De weg ligt vol met losse stenen, maar het valt wel mee als we op het boordje rijden. Soms eens links van de weg en soms 'ns rechts, naargelang van waar het boordje er het beste uitziet, al moet je daarvoor wel steeds de straat vol stenen oversteken. Een beetje later wordt de weg weer een ware hel, korte steile klimmetjes en het doet er niet meer toe waar je rijdt, alles is slecht. Bij één van de steile afdalingen gaat Christine onderuit, niets ergs, maar ze houdt er wel een geschaafde blauwe knie aan over. Het probleem bij deze afdaling is dat je constant in de remmen moet gaan. Na een andere afdaling merkt Christine dat haar stuur is losgekomen door de trillngen. Marc spant de schroeven terug aan en we vervolgen onze weg. De laatste 9 km is het genieten, hier ligt een nieuwe geasfalteerde baan. Nadat we een hotel gevonden hebben, lopen we wat in Marcala rond en worden aangesproken door een jonge Amerikaan. Hij woont hier al een jaar en werkt aan een ontwikkelingsproject voor het Peace Corps. We praten wat met hem en vragen waar we goed kunnen eten. Hij raadt ons de plaatselijke comedor Darwin aan. Rare naam voor hier, je ziet hier nooit Engelse namen, altijd Spaanse. Als we in comedor Darwin zitten te eten, horen we aan de tafel naast ons de grootmoeder des huizes de scheppingsleer uitleggen aan haar kleinzoon. "Ja, jongen", zegt ze, "God is onze schepper, wij zijn allemaal schepsels van God". We willen nog zeggen dat dat toch niet is wat Darwin zegt, maar we laten het maar zo.

 

21 april 2007 Marcala (Honduras) - Perquin (El Salvador) 51.7 km (1.135 meters geklommen)

Als we 's morgensvroeg vertrekken, kunnen we al dadelijk beginnen klimmen over een echt rotslechte weg. Na een paar kilometer verandert de weg in een zandbank. Er ligt zeker 50 cm zand waar niet door te fietsen valt. We duwen de fietsen dan maar omhoog, maar vragen ons wel af hoelang we dit kunnen volhouden. Per geluk houdt het zand na een paar honderd meter al op en krijgen we terug de rotslechte weg vol stenen. De weg gaat omhoog en blijft maar omhoog gaan. Per geluk is het vandaag slechts een korte etappe, een goede 30 km volgens de kaart. Als we na 25 km nog steeds aan het klimmen zijn, vinden we dat toch raar, gezien onze eindbestemming Perquin meer dan 600 meter lager ligt dan waar we nu zijn. Dit zou willen zeggen dat we in 5 km nog 600 meter moeten dalen. Na 30 km zijn we echter nog steeds aan het stijgen en komen we een jongen met de fiets tegen die vraagt of we zijn band kunnen oppompen. Hij zegt ons dat het nog ver is naar El Salvador. We begrijpen er niets van. Ondertussen klimmen we maar verder en vragen nog 'ns aan een vrouw of het nog ver is. Zij zegt ook van wel. Ze vraagt ons wat onze missie is en vindt het maar raar dat we gewoon op reis zijn. Waarschijnlijk komt dat door al die Amerikanen die hier "op missie" zijn. We rijden verder en beginnen ons af te vragen of we wel op de juiste weg zitten. Maar de weinige mensen die we onderweg tegenkwamen, zegden allemaal dat dit de weg naar El Salvador is. Eindelijk, na 35 km, komen we aan de Hondurese grenspost. De politie kijkt in ons paspoort, maar geeft ons geen stempel. Ze wijzen naar het Hondurese kantoor waar "Immigracion" op staat en zeggen dat daar niemand aanwezig is, maar dat dat helemaal geen probleem is, we mogen zo doorrijden naar El Salvador. Voor we vertrekken, vraagt de politie ons ook nog of we op missie zijn. Want als we op missie zijn, moeten ze dat noteren, zeggen ze. Eigenlijk is het illegaal om langs hier El Salvador binnen te komen, want de El Salvadorianen hebben hier geen grenspost omdat ze de grens niet willen erkennen. Er is al jaren een dispuut met Honduras hierover. Als je toch langs hier El Salvador binnenkomt, word je verondersteld om naar de stad San Miguel, 75 km verder, te gaan om een stempel in je paspoort te halen en een boete van 12 USD te betalen. Alleen, San Miguel ligt niet op onze route. We rijden door en zijn verbaasd om na 3 km toch een klein houten hokje waarop El Salvador staat tegen te komen. Er zitten 2 jonge jongens in en we vragen hen om een stempel. Die hebben ze niet, zeggen ze. We vragen waar we dan een stempel moeten halen, en na wat met elkaar overlegd te hebben, zeggen ze dat we een stempel in Perquin, de eerste stad na de grens, kunnen halen. We weten heel zeker dat dat niet waar is, maar we zijn al blij dat ze ons doorlaten en niet terugsturen. Als we vragen of Perquin nog ver is, zeggen ze dat het nog zeker twee uren met de fiets is, terwijl in onze reisgids staat dat Perquin 3 km over de grens ligt. Wij dus maar weer op weg, maar vanaf de Hondurese grenspost is de weg nog veel slechter geworden dan voordien, vol rotsblokken en losliggende stenen, en nu, vanaf het El Salvadoriaanse kotje, begint de weg ook nog eens te dalen, soms heel steil omlaag. We hotsen en botsen naar beneden, en hebben geen idee waar we zijn. We rijden door een bos en het is hier redelijk verlaten. Christine valt in deze moeilijke afdaling, maar niets ergs, enkel de mousse van het stuur is een beetje kapot. Al blijkt een paar kilometers verder haar stuur weer losgedaverd te zijn. Marc zet het weer heel goed vast. Het is gewoonweg ongelooflijk hoe slecht deze weg is. Uiteindelijk komen we toch een auto tegen. We laten hem stoppen en hij zegt dat het nog 12 km slechte weg is en dan nog 8 km goede weg naar Perquin. We kunnen het moeilijk geloven, maar we zien wel op de hoogtemeter dat we nog een serieus stuk moeten dalen. We rijden dus maar verder naar beneden over de echt slechte weg en alles aan ons lichaam doet pijn van het daveren. Wanneer houdt deze kwelling nu eens eindelijk op? Als we na nog een hele tijd naar beneden gedaverd te zijn, eindelijk in een dorpje aankomen, komt er parmantig een tarantula over de straat gekropen. We kunnen ons geluk niet op als we bij het buitenrijden van het dorpje zowaar op een perfect geasfalteerde weg terecht komen. In de laatste 2 km krijgen we nog een klim van meer dan 100 meter terug omhoog naar Perquin te verwerken, maar daar zitten we niets meer mee in, zolang het maar op asfalt is. Redelijk uitgeput komen we in Perquin aan. Het bleek uiteindelijk 20 km meer dan op de kaart te zijn. Het eerste, zeer gezellig uitziende guesthouse is vol. We gaan op zoek naar iets anders en komen terecht bij een oude vrouw die een paar kamers verhuurt in een oud leegstaand huis. De kamers zijn klein en gescheiden met dunne houten tussenschotten van 2 meter hoog. Buiten is er een toilet en een primitieve douche. De prijs van de kamer is veel te duur voor wat ze waard is, maar we hebben weinig keuze en geen zin om nog een plaats gaan te zoeken voor onze tent. De vrouw vraagt ons onze namen in het registerboek te noteren, maar in de plaats van onze namen schrijven we "VEEL TE DUUR" en "TREKT OP NIETS". De mevrouw leest nog eens na en en vraagt aan Christine, "Wat is je voornaam?".  "VEEL" en die van mijn man "TREKT", zegt Christine. Ze vraagt ook hoe je het moet uitspreken en herhaalt het een paar keer. Meestal bekijken ze hier zelfs niet wat je neerschrijft, en dat hadden we nu ook verwacht, maar de oude vrouw zegt dat er in het dorp een Belgische pater woont... We ontmoeten in het oude huis Gloria en Tom, een Engels koppel dat hier ook een kamer heeft. We gaan wat eten en 's avonds praten we nog wat met hen na, ze zijn trouwens ook op weg naar Argentinie, maar dan met het openbaar vervoer. Terwijl we daar zo zitten, komt er plots een schorpioen van onder het zeteltje waar Marc op zit gekropen. Na een uitgebreide fotoshoot door het Engelse koppel, gooit Marc hem de straat op.

 

22 april 2007 Perquin (ligt op 1.239 m) - San Francisco Gotera (ligt op 341 m) 39.9 km (361 meters geklommen)

Vandaag gaan we vroeg ontbijten, om nadien het museum dat om 8u opengaat te gaan bezoeken. Dit zou volgens de Engelsen gemakkelijk in een uur te doen zijn, want wij willen daarna nog vertrekken. We gaan ontbijten in een restaurant waar we gisteren de weg gevraagd hebben, de vriendelijke mevrouw kan er nog niet van over dat we hier met de fiets geraakt zijn over die rotslechte weg en zegt dat wanneer we vertrekken we nog eens moeten langskomen, ze wil een foto van ons maken en omhoog hangen in haar zaak. Nadien gaan we snel naar het Museum van de Revolutie. Het is een klein museum opgericht ter nagedachtenis van de strijd die de 26.000 guerrilleros hebben geleverd tot begin jaren negentig, waarna er een akkoord kwam met de regering. Een ex-guerrillero loodst ons door het museum. De man vertelt ons over de omstandigheden waarin ze vochten en dat het uiteindelijk economisch niets veranderd heeft, alleen worden nu de mensenrechten iets meer gerespecteerd en is er iets meer vrije meningsuiting. Hij vertelt ook dat de jongere generatie de wapens terug wil opnemen, maar dat vindt hij geen goed idee. Het is beter de strijd met dialoog te voeren. Na een fijn gesprek met de man merken we dat het al 2 uur later is. We gaan snel inpakken en gaan nog snel met onze fietsen langs in het restaurantje zoals we beloofd hadden en om snel nog iets te eten. Het is al 11.30u voorbij voor we dan definitief vertrekken. Er wacht ons een snelle, lange afdaling over een perfecte weg met mooie landschappen. Wanneer we beneden in het dal aankomen, merken we dat we één ding over het hoofd gezien hebben bij het zo laat vertrekken, hier beneden is het broeierig heet, en er volgt nog een klim van 6 km. Daarna loopt de weg golvend door het mooie landschap. El Salvador ziet er op het eerste zicht rijker uit dan Honduras. Alles blijkt hier gesloten te zijn op zondag en veel mannen zijn aan 't drinken. In een dorpje zigzaggen we tussen een paar dronkaards door, wat niet gemakkelijk is, want zij zigzaggen ook. In San Francisco Gotera vinden we een hotelletje. Het is er ontzettend warm, in de kamer 35 graden. Volgens de eigenaar is de elektriciteit uitgevallen in heel de stad en er is ook geen water. Bezweet van het fietsen, puffen we in de hangmat in onze kamer. Twee uur later slaat plots de ventilator aan en horen we het water stromen. Oef, eindelijk verkoeling. Als we 's avonds de straat op gaan, zien we dat ook hier alles vroeg sluit. We vinden met moeite nog iets om te gaan eten, en de winkels zijn ook al allemaal dicht.

 

23 april 2007 San Francisco Gotera (El Salvador) - Nacaome (Honduras) 91.5 km (586 meters geklommen)

's Morgens om 5 uur is het al 31 graden in onze kamer. We eten nog wat overschotjes op uit onze voorraadtas, want gisterenavond hadden we niets meer gevonden dat nog open was om inkopen te doen. Al snel zijn we op het kruispunt met de "Panamerican Highway" die helemaal van Noord- naar Zuid-Amerika loopt. Wij volgen hem naar het zuiden. Een paar kilometer verder vinden we een fijn terrasje waar we kunnen ontbijten. El Salvador geeft wel een meer verzorgde indruk dan Honduras. We denken vandaag maar tot Santa Rosa de Lima (El Salvador) te fietsen, dat is niet zo ver. Maar eens daar aangekomen, blijkt het juist markt te zijn en het is er een drukte van jewelste. We proberen het stadje binnen te rijden, maar er is zoveel verkeer en zoveel volk op straat, dat we gewoonweg met de beladen fietsen er niet tussendoor gemanoevreerd geraken. We hebben geen zin om bij deze hitte en tussen al dit gewoel naar een slaapplaats te zoeken. We proberen dan maar iets te vinden op de highway. We gaan de prijs vragen aan een motel, maar die blijken enkel kamers per uur te verhuren. We beslissen dan maar ineens door te rijden naar de grens, die maar 15 km verder ligt, en proberen daar iets te slapen te vinden. Volgens een paar mensen aan wie we het hier vragen, zou er iets zijn. Eens aan de grens aangekomen, komt er een geldwisselaar naar ons toegelopen om te zeggen waar we naar toe moeten met ons paspoort. Maar aangezien ze niets in onze paspoorten hebben gezet bij de laatste grensovergang, besluiten we ons van de domme te houden en rijden gewoon voorbij de loketten en houden halt naast het gebouw. De ijverige geldwisselaar blijft aandringen dat we naar het loket moeten gaan met de paspoorten. Christine neemt de paspoorten en doet alsof ze naar de loketten gaat, terwijl Marc de man aan de praat houdt. Wanneer Christine terugkomt, zeggen we tegen de man dat alles ok is en rijden door.   We zwaaien nog eens naar de politie aan de grens zelf en die laat ons vriendelijk door. Aan de Hondurese kant is het zelfs nog gemakkelijker, we rijden gewoon door en niemand houdt ons tegen. We zijn terug in Honduras en in ons paspoort is het alsof we nooit buiten geweest zijn. En het heeft ons bijna 50 dollar bespaard. Ondertussen is het niet meer te doen van de warmte. Maar gezien de accomodatie er hier allerminst aantrekkelijk uitziet, net als de nederzetting zelf, want een dorp kan je dit hier niet noemen, beslissen we nog verder te fietsen naar Nacaome, 30 km verder. Het landschap is hier ineens desolaat, het lijkt bijna woestijnachtig en het is ontzettend heet, we meten 44 graden op de fiets. Bijna alle kinderen onderweg roepen zo hard ze kunnen "gringos" als ze ons te zien krijgen. Blijkbaar zijn ze hier toeristen gewoon. We moeten nog een paar keer wat klimmen, wat bij deze hitte bijna letterlijk om dood te vallen is. Bij het binnenrijden van het stadje zien we weer een motelletje, er komt een wagen buitengereden en de passagierster verstopt zich achter een handdoek. Nu hebben we het door, alles wat hier motel heet zijn eigenlijk kamers die per uur verhuurd worden. Voor we verder rijden, stoppen we nog even aan een grote winkel waar we iets drinken en informatie over de accomodatie vragen. Ze zeggen "Maar met zo'n hitte kunnen jullie toch niet fietsen! En bovendien hebben ze voor vrijdag en zaterdag een hittegolf voorspeld!". Het stadje is niet echt aangenaam en bij het binnenrijden valt een junk met een blik op oneindig en een kop vol puisten ons nog wat lastig, maar we kunnen hem snel afwimpelen. Om 5 uur zijn de meeste winkels hier al gesloten en hangt er een wat troosteloze sfeer. En het blijft hier ontzettend heet, ook 's avonds. Als we rond 6.30u in een restaurantje eten, voelt het alsof je in een droogkast stapt. De stoelen en de tafels, alles voelt heel warm aan.

 

24 april 2007 Nacaome (ligt op 149 m) - Choluteca 53.7 km

Aangezien het hier niet te doen is van de hitte overdag, besluiten we  kortere stukken te gaan rijden om aan de temperatuur te wennen. Als je daar al kan aan wennen, want dit is echt wel extreem. Ja, we wisten dat we qua seizoen wat te laat vertrokken zijn, maar we hadden niet gedacht dat het zo erg zou zijn. De rit gaat snel, want de weg is vrijwel plat. Bij aankomst hebben we allebei een beetje hoofdpijn en Marc krijgt bijna geen water meer binnen, alhoewel hij onderweg de hele tijd heeft zitten drinken. Dat zijn volgens ons de eerste symptomen van uitdroging en we besluiten hier dan maar een rustdag te houden. De hitte is op de middag, tussen 11 en 16 uur, echt ondraaglijk. In de late namiddag verkennen we de stad nog een beetje en vinden nog enkele echt aangename plaatsjes. Aan een van de kerkjes staat bij een panaderia (= bakkerij) zelfs een mooi, modern terras buiten. Dit is de eerste keer dat we dit zien in Honduras.

 

25 april 2007 Choluteca

We gaan vandaag op zoek naar hemden met lange mouwen om ons te beschermen tegen de zon. Op de fiets ben je immers ettelijke uren per dag blootgesteld aan de volle zon. Na enkele winkels te zijn afgelopen, vinden we een winkel waar ze tweedehands kleren verkopen uit Amerika, waarschijnlijk daar opgehaald met spullenhulp en hier worden ze gewoon in een winkel verkocht. We vinden er twee blauwe hemden voor een spotprijsje. Daarna gaan we nog enkele fietseigendomsbewijzen maken in het internetcafé, we hebben ons laten vertellen dat dit nodig zou zijn aan de grens met Nicaragua. We zetten er zelfs een stempel op die we op het internet vinden en laten het lamineren, net echt. Bij de apotheek halen we zakjes electrolytenpoeder die je met water moet mengen om te rehydrateren. We zijn van plan om er vanaf nu minstens één per dag van te drinken. Want als je je T-shirt bekijkt na zo'n warme dag op de fiets, dan zie je dat deze helemaal wit en hard is geworden van alle zouten en mineralen die je verliest door te zweten.